O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De droomGestalte en GeestRetardatie →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel 1 · Boek 1: Over de toppen des levens · p. 192–194

Het bloed

En het geschiedde in de dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwse man sloeg, en hij zag herwaarts en gindswaarts, en toen hij zag, dat daar niemand was, zo versloeg hij de Egyptenaar en verborg hem in het zand.

Exodus 2 : 11 en 12 (St.V.)

In het Nieuwe Testament wordt het leven van Mozes verdeeld in drie tijdperken, elk van veertig jaren (Hand. 7 : 23 en 30). Onze tekstwoorden tonen hem ons, zoals hij was aan het einde van de eerste periode. Een man in de volle kracht des levens. Schoon was hij bij zijn geboorte (Ex. 2 : 2) en toen werd hij groot (vs. 10) en toen hij groot geworden was, werd hij ook sterk (vs. 11 en Hand. 7 : 22). De dochter van de Farao had Mozes uit het biezen kistje laten nemen en, nadat hij door zijn moeder gezoogd was, als haar zoon aangenomen. Zij wilde er een Egyptenaar van maken en liet hem onderwijzen in al de wijsheid van de oer-oude beschaving van haar land (Hand. 7 : 22). Maar het bloed kroop, waar het niet gaan kon. En naarmate zijn kracht en zijn wijsheid toenamen ging het in hem spreken.

Toen zij haar volle maat hadden gekregen, ging hij uit tot zijn broederen en bezag hun lasten. En dan volgt in onze tekstwoorden de beschrijving van de doodslag des Egyptenaars, die een Hebreeuwse man geslagen had. Farao's dochter had zich vergist. Het zog, dat hij van zijn moeder had ingezogen, was sterker geweest dan alles wat zij in zijn hoofd had doen invaren. De voeding had het gewonnen van de opvoeding. In plaats van een Egyptenaar werd Mozes een Hebreeër, toen hij groot geworden was.

Zoudt gij het anders gehad willen hebben, als gij het voor 't zeggen hadt? Zou Mozes u sympathieker zijn geweest, als hij was uitgegroeid tot een Egyptische prins? Hadt gij de wereld liever gehad, als de moederschoot en de moederborst minder machtige componenten van het mensenleven waren geweest dan zij het telkens blijken te zijn? Hadt gij liever gehad, dat de schoonheid en de kracht minder eigen waren geweest en uit minder verborgen en diepe gronden opkwamen dan nu het geval is? Hadt gij ze liever meer kunstmatig en naar willekeur afgeleid willen zien uit een of ander milieu? Vindt gij het leven te gevaarlijk, als het onstuimige bloed zo'n grote rol speelt, als het dat bij Mozes deed? Zoudt gij willen, dat de techniek de natuur geheel ging vervangen? Meent gij, dat deze laatste minder gevaarlijk is dan het bloed?

God heeft er anders over gedacht, toen Hij ons niet gemaakt, maar geschapen heeft. En toen Hij het ganse geslacht der mensen uit énen bloede deed geboren worden (Hand. 17 : 26). Ja, geboren worden, dat moet het blijven, met al de macht en de geheimenis en het risico, die daarin liggen opgesloten. God wil ook, dat zijn kinderen uit Hem geboren zullen worden (1 Joh. 3). Ook de Zone Gods is door geboorte op aarde gekomen. De oorsprongen van ons bestaan hebben een naïveteit aan zich, die beminnelijk is voor God.

Het risico, dat daaraan verbonden is, is inderdaad heel groot. Zo groot, dat het de Here al spoedig berouwde, dat Hij de mens op aarde gemaakt had (Gen. 6 : 6). Wij zien het aan Mozes. De Egyptenaar sloeg en toen versloeg Mozes de Egyptenaar. Dat is ook het werk van het bloed, naar de wet van Lamech (Gen. 4 : 23 v.). Deze wet heeft in onze dagen een kosmische betekenis gekregen als nooit te voren. Met een beroep op het bloed en op andere gronden van ons bestaan keert de mens zich dan af van zijn geboorte uit de Geest (Joh. 3 : 6). Men kan deze zonde daaraan kennen, dat zij in haar tegendeel omslaat. Het beginsel der éénheid wordt tot tweedracht. De band des bloeds leidt tot bloedvergieten. Kaïn sloeg zijn broeder Abel dood. Tegen deze zonde staat de grote regel, bij het begin van de tweede mensheid, nadat de eerste in de vloed was ondergegaan.

Hij luidt aldus: Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden. Dit is de wet, waaronder de Noachitische mensheid, die wij zijn, gesteld is van den beginne (Gen. 9 : 6). Wij leven allen, die uit énen bloede zijn, onder de vloek, die de terugkeer tot de wet van Lamech over ons gebracht heeft.

Wij zijn geworden als de mensen vóór de vloed, toen het de Here berouwde, dat Hij de mens op aarde gemaakt had. Zo is het naïeve beginsel des levens, de geboorte, de band des bloeds, die beminnelijk is voor God, verdorven geworden. De mens dreigt tot een maaksel te worden, een eenheidsprodukt, een politiek fabrikaat. Het beroep op het bloed is tot een voorwendsel geworden om met een uiterst geraffineerde techniek, uit een mengsel van vrees en leugen, een broed te kweken, dat alleen de wet van Lamech kent. Het bloed wil dan bloed vergieten en moet zelf op zijn beurt weer vergoten worden. Schoon was het jongske Mozes, dat door zijn moeder verborgen werd. En schoon was het, toen Farao's dochter het zag in het biezen kistje. Schoon was zijn zuster Mirjam, die van verre stond. En schoon was Jochebed, die hem zoogde. Moet al deze naïeve schoonheid in Gods schepping verloren gaan?

Mozes, die de Egyptenaar versloeg, heeft nog een tweede veertig jaren beleefd en nog een derde. Aan het einde van die laatste lezen wij van hem: "De man Mozes was zeer zachtmoedig. Meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren."

God laat niet varen de werken zijner handen. Mozes is ook nog de laatste niet. Jezus Christus is de Alpha en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste (Openb. 22 : 13). Schoon was ook dat kindeke in de schoot van de Madonna. Nooit raken de mensen daarop uitgekeken. Welke rol speelt het bloed bij Hem, bij deze laatste? Wat is onze toekomst? Hij is geboren, naar de wille Gods, met ons uit énen bloede. Maar - o machtig dogma! - ook uit de Geest. Ook bij Hem is het bloed niet terzijde gesteld. In zijn dood aan het kruis spreekt het nog machtiger dan bij zijn geboorte. Maar het is door de Geest tot zijn bestemming gevoerd. Nooit sprak de naïveteit des levens sterker dan op dat ogenblik, toen Jezus en een rover tot broeders werden en samen ingingen in het paradijs.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De droomGestalte en GeestRetardatie →