Gods gedaante
Thans aanschouwen wij in een spiegel een raadselachtig beeld, maar dan zullen wij aanschouwen van aangezicht tot aangezicht.
1 Korinthiërs 13 : 12a (Vert. Brouwer)
Aan de vertaling van Brouwer heb ik de voorkeur gegeven boven de oude en de nieuwe vertaling beide. Omdat deze laatste te zeer aarzelen tussen het beeld en de zaak en tussen de beide delen van de vergelijking, beeld en raadsel. Brouwer laat ons kloekweg in een spiegel kijken en in die spiegel toont hij ons een raadselachtig beeld. Nog beter zou het geweest zijn, als hij het raadsel geheel had losgelaten en gesproken had van een onduidelijk of wazig beeld. - Paulus zal wel gedacht hebben aan Numeri 12 : 6 vv. Daar staat, dat de Here tot de profeten spreekt door een gezicht of door een droom. Maar met Mozes spreekt Hij van mond tot mond en niet in raadselen; hij aanschouwt de gedaante des Heren. - Met die spiegel is Paulus bezig op dat aanschouwen over te gaan. Men kan dan niet tegelijk het beeld van een gezicht of een droom vasthouden. Daar heeft het woord 'raadsel' z'n plaats.
De analogie, natuurlijk of geopenbaard, zal niet het laatste woord hebben. De strijd tussen gelijk en ongelijk zal beslist worden ten bate van het eerste. "Wij zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1 Joh. 3 : 2). En met en in Hem zullen wij ook ons zelf zien, zoals wij zijn in het genadig oordeel Gods. Nu is het nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen (1 Joh. 3 : 2). Wij zullen ook ons lichaam zien, gelijk het is: een openbaring en een werktuig van de geest en van de liefde. In de Heilige Geest zijn deze twee één. Zij staan niet meer tegen elkaar over: de geest als het beginsel der hoogheid en de liefde als het beginsel der nederigheid; de geest met een gevoel van trots en de liefde met een gevoel van blijheid; de geest in het bewustzijn van zoonschap en de liefde in het bewustzijn van kindschap. Neen, zo is het niet meer, waar de Heilige Geest werkt; daar wordt, met de Heilige Geest, de liefde in onze harten uitgestort (Rom. 5 : 5). In verband daarmee moeten wij ook denken aan het geestelijk lichaam, waarover Paulus schrijft en dat opgewekt zal worden (1 Kor. 15 : 44).
De scheiding van geest en liefde is ook de oorzaak van de schaamte. Men moge zeggen wat men wil, zoals heden ten dage zo dikwijls gebeurt, dat de schaamte een geestelijke verminking betekent, waaraan het christendom geleden zou hebben; men moge proberen een moderne Jezus-religie tot een trotser houding op te beuren en Paulus met zijn preutsheid terug te duwen, - al het water in de zee kan niet uitwissen wat er geschreven staat van de zondeval, dat de geest zich van de liefde heeft losgemaakt om aan God gelijk te wezen (Gen. 3 : 5) en dat de schaamte daaruit is ontstaan. Wij schamen ons uit trots, maar niet uit liefde. Aan het kruis houdt de schaamte op. Wanneer de geest en de liefde weer verenigd worden door de Heilige Geest; als die Geest geopenbaard zal hebben wat wij zijn zullen; als een geestelijk lichaam zal zijn opgewekt, dan is ook de schaamte te niet gedaan. Dan zullen ook de zonen weer kinderen worden (Matth. 18 : 2). De eerste mensheid is te gronde gegaan, omdat de zonen Gods hun schaamte aflegden (Gen. 6). Voor de tweede mensheid zal God, met de dood, de schaamte te niet doen.
Daarom zal het geestelijk lichaam ook anders zijn dan wij ons thans zoeken voor te stellen. Wij zien nu - zoals de Canisius-vertaling het heeft - in een wazige spiegel. Wanneer wij zullen zien van aangezicht tot aangezicht, dan zal allereerst dat aangezicht Gods anders blijken te zijn. God is een Geest (Joh. 4 : 24). En God is Liefde (1 Joh. 4 : 16). En die beide bestaanswijzen doordringen elkaar bij Hem volkomen. De drie rijken, dat van de lichamen, dat van de geest en dat van de liefde, die Pascal hier op aarde zo streng heeft gescheiden,70 zijn bij God verenigd en evenzo in zijn Koninkrijk. Maar welke van deze drie is bij God het meeste? Zijn glans en zijn heerlijkheid, om zo te zeggen: zijn lichaam? Of zijn geest, zijn wijsheid, waarmede Hij alles beschikt? Of zijn liefde, waarmee Hij alles draagt? Wanneer wij in de spiegel der natuur kijken, schijnt ons Gods heerlijkheid de meeste te zijn. Wie Hem kent uit zijn openbaring weet beter, maar ziet ook, vergeleken met het zien van aangezicht tot aangezicht, nog een raadselachtig, een onduidelijk, een wazig beeld. Hij is ook nog vaak geneigd Gods volmaaktheden van beneden naar boven te laten lopen. Zijn heerlijkheid het eerst, zijn liefde 't laatst. De Heer van de engelen en de aartsengelen, meer dan Degene, die een welbehagen heeft aan een gekruisigde en Hem verhoogt. Paulus echter weet, dat het zien van Gods gedaante een andere uitkomst zal geven. Jezus aan het kruis zal meer op Hem gelijken dan een engel. De liefde is de meeste, zegt de apostel. Profetie en kennis, deze raadselen, zullen te niet gedaan worden. Glans en geest zullen hun heerlijkheid voor Jezus' voeten neerleggen. Dan zal ook Christus het koningschap aan God de Vader overdragen (1 Kor. 15 :24). Dan worden alle spiegels verbroken. Maar de liefde vergaat nimmermeer (1 Kor. 13 : 8).