God als gave
Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed.
Galaten 3 : 27 (Vert. NBG.)
En, dat gij nu zonen zijt, - God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader.
Galaten 4: 6 (Vert. NBG.)
In Galaten 3 en 4 worden Wet en Evangelie tegen elkaar over geplaatst. Want als er in hoofdstuk 3 sprake is van geloof, kan men daarvoor soms beter 'Evangelie' lezen (bijv. vs. 23). Bedoeld is dan het voorwerp van het geloof. - Wij willen nu niet letten op de aanleiding, die Paulus had om over deze dingen aan de Galaten te schrijven en die hij vond in de verwarring, die de Joden-christenen in deze gemeente stichtten. Wij bepalen ons tot de argumenten van algemene strekking, die voor heel de kerk golden en die de apostel gebruikt om de gemeente tot een eenheid op te roepen, waarin alle hatelijke tegenstellingen als vanzelf werden opgelost.
Deze, misschien eerste brief van Paulus is een epiclese, een vurige aanroeping van de Heilige Geest om pinkstervuur, in de vorm van een hartstochtelijke vermaning aan de gemeente. Het eerste argument is, dat alle gedoopten dezelfde, de éne Christus hebben aangetrokken als een kleed, en het andere, daaraan gelijk, dat zij nu, als gelovigen aan het Evangelie, erfgenamen Gods zijn, waarvoor zij als onderpand de Heilige Geest reeds hebben ontvangen. Het zijn dezelfde dingen als die Petrus in zijn grote pinksterrede naar voren bracht (Hand. 2 : 37-40). Bij Paulus echter hebben zij, in verband met zijn bijzonder apostolaat, een bredere strekking en een intensievere toepassing gevonden. Zij hebben een sociale betekenis gekregen. De nadruk valt er op, dat allen deze weldaden hebben ontvangen. Grieken zowel als Joden, slaven zo goed als vrijen, niet alleen mannen maar ook vrouwen (26-29). De omtrekken van het nieuwe Israël worden hier beschreven, van het ware zaad van Abraham, geboren uit het geloof (vs. 29). Pinksteren is hier reeds in volle opmars en die marshouding moet het bewaren tot de dag van Christus' wederkomst.
Wat die mars-route, waarvan Lukas' tweede boek de richting aangeeft, betekent, komt juist in deze eerste brief van Paulus zo scherp uit. Zij wordt vastgelegd in de tegenstelling van Wet en Evangelie. 'Pinksteren op de tweesprong', zo zou men deze brief kunnen noemen. Het gaat er om of wij een genadig God (Luther) zullen hebben. Dat wil zeggen, hoe de verhouding tot God, het verbond waarin wij met Hem staan, zal zijn. Zullen wij daarin de gevers zijn of zal God dat wezen. Daarover gaat het hier. Pinksteren betekent dat God ons als gave gepredikt wordt.
De Heilige Geest moet ontvangen worden. Hij kan niet door ons gegeven worden. Het Heilige kunnen wij niet doen. De wet van God kunnen wij nog proberen te onderhouden, zoals die rijke jongeling uit de evangeliën meende (Matth. 19 : 20). Jezus kunnen wij trachten na te volgen. Maar op Pinksteren houden deze misverstanden op. Dan blijkt, in welke verhouding tot God wij alleen maar kunnen verkeren. God is een gever en een gave.
Onze tekstwoorden geven daaraan op twee manieren uitdrukking. Het eerste zegt, dat wij bij de doop met Christus bekleed worden. Ieder mens is de angst aangeboren om naakt te komen staan. De schaamte is allereerst een gevoel tegenover God, onze Schepper (Gen. 3 : 10). Als God nadert, verbergen wij ons. Hij heeft ons geschapen, maar wij rillen voor ons eigen bestaan. Hij ziet dwars door ons heen. En als de wet er dan later nog bij komt (Rom. 5 : 20), wordt het nog erger en schamen wij ons dood (Rom. 7 : 10). Zo lang God eist en wij moeten geven, is er voor een mens geen behoud.
Maar nu, in Gods koninkrijk, worden de rollen omgekeerd. God geeft ons een kleed om onze naaktheid te bedekken. In Christus worden wij pas recht geschapen; wij worden "nieuwe schepselen" (Gal. 6: 15). Ons bestaan begint mogelijk te worden. Wij hebben voor dat bestaan "voedsel en deksel" nodig (1 Tim. 6: 8). Op dat voedsel kunnen wij in Gods koninkrijk ook rekenen. Ons tweede tekstwoord spreekt daarover. Wij hebben daar een Vader in de hemelen. Die mogen wij vragen om het brood voor morgen, dat is "het brood dat gij ons zult geven in uw Koninkrijk", zoals de kerkvader Hieronymus de vierde bede van het Onze Vader verklaart.82 - Jezus had ook gezegd: "Zoekt eerst (Gods) Koninkrijk en zijn gerechtigheid" (Matth. 6 : 33). Maar wij durven dat weer zo slecht: geloven dat wij, arme schepselen hier op aarde, Gods kinderen zijn; dat wij zijn erfgenamen zijn (Gal. 3 : 29). Want wij weten niet wat wij bidden zullen (Rom. 8 : 26). Welnu dan komt God voor de tweede keer tot ons als een gave. Dan komt de Heilige Geest in onze harten en roept: Vader. En dan ontvangen wij toch, na het kleed voor onze naaktheid, ook de geestelijke spijze voor onze inwendige mens. Na Christus de Geest.
Dit is de richting, waarin Pinksteren het Evangelie van Gods koninkrijk expandeert. Zo wil het boek van de Handelingen der Apostelen als een vervolg op de evangeliën gelezen worden. Op die prediking van de genade, van God als gave, mag niet teruggekomen worden. Paulus zag, bij het schrijven van zijn eerste brief, het gevaar, dat dit toch zou gebeuren. Vandaar de apostolische autoriteit en de toornige gloed van de prediker, die ons uit dit geschrift tegenkomen.