Geopenbaarde analogie
Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt.
1 Korinthiërs 15 : 44 (St.V.)
Paulus raakt hier even aan die soms begrijpelijke en toch vaak dwaze vraag: hoe de doden opgewekt zullen worden. Wij zullen in een volgende meditatie zien, tot welke onnutte en ongerijmde speculaties zij aanleiding kan geven. De weg der opstanding is ons getekend in het Evangelie. Het zijn de trappen der vernedering, die door God gewend worden tot trappen der verhoging. Wanneer het aan die verhoging toe is, dan gaat het er mee als met de tonen, die boven de drempel van ons gehoor liggen. Zij ontgaan ons: ons oor kan er niet meer bij. Onze zinnen zwijgen, als zij zekere grenzen moeten overschrijden; dan brengen zij geen boodschap meer mee terug. Zo gaat het nu tot op zekere hoogte ook met de dingen des Geestes.
Het middel dat dan vaak wordt aangewend en ook voor de hand ligt, heet de analogie. Het bestaat uit een verbinding van gelijk en ongelijk. In de Engelse kerk heeft het een ereplaats gekregen. Daar heeft men veel tijd en moeite besteed om natuurwetten in de geestelijke wereld op te sporen. Op die wijze tracht men dan de grenzen, die ons gesteld zijn, een eindweegs te overschrijden. Met de analogie probeert men boven ons begrip uit te gaan.
Men moet toegeven dat het een verleidelijk hulpmiddel is. Het stelt ons in staat te 'zwieren naar einders', die anders voor ons onbereikbaar zouden blijven. Het mengt met dat ongelijk een dichterlijk element in ons geloof. Het strooit vonken van goddelijke rede in de velden van ons verstand, zodat zij onverwachte glanzen gaan vertonen. Naast de theologie komt de theosofie zich aanbieden aan de kerk, om over de hoogste dingen licht te verspreiden. De vroegere Leidse hoogleraar J. H. Gunning bekende in een schoon gedicht:
"Ook mij kan zulk een opvaart wel gelukken,
Als ik tot Gods aanschouwing mij verheffen
En 't eeuwig schoon van verre mag beseffen ⚑Toch blijft des vleesches zwakheid mij nog drukken." ⚑Hij vergelijkt zijn gedachte dan met een adelaar, die vermoeid op de tak van een ceder neerdaalt:
"Dus, als met inwaarts plooien van heur veder,
Daalt mijn gedachte om zich ter rust te neigen,
En zet zich op den stam des kruises neder."71
Diezelfde schroom hield ook Pascal er van terug om het kruis te ver te verlaten en aan zijn kosmisch denken de vrije teugel te gunnen.72
Wij vragen ons af, in hoeverre Paulus in het Schriftgedeelte (35-49), waaruit onze tekstwoorden zijn genomen, toegeeft aan de aantrekkingskracht van de analogie. En bij die overweging mogen wij dan niet vergeten, dat hij vóór het hoogtepunt dat hij in dit hoofdstuk bereikt, een ander heeft bereikt in hoofdstuk 13. Men kan zeggen dat daar de gedachte haar veren inwaarts plooide, dat zij daalde en zich op het kruis neerzette. Wanneer hij in 1 Kor. 12 de verscheidenheid der gaven bezongen heeft, die aan het lichaam van Christus geschonken zijn, dan concentreert hij zijn visie op de gave, die het meest tot dragen en verdragen in staat stelt. Deze noemt hij de meeste. Tot haar voeren de trappen der vernedering. Haar vorm is het kruis. In 1 Korinthe 14 geeft de apostel dan zijn toepassingen. Hij tekent de invloed van de liefde op alle andere gaven. Alles plooit zijn veder naar binnen. Alles schikt zich om het kruis. Het is heel onwaarschijnlijk, dat Paulus in het daarop volgende hoofdstuk, in 1 Kor. 15, dat over de opstanding handelt, van deze weg zou afwijken. Het is waar: het gaat hier over de verhoging van Christus, maar de apostel blijft ook hier theoloog; hij wordt geen theosoof. Zijn gedachte cirkelt rondom de feiten en niet om zichzelve. Zij wil een woord Gods geven en geen wijsheid. De dwaasheid des kruises zal ook nu niet afwezig zijn, noch de ergernis. - Nochtans blijven deze verzen, van 35-49, een bijzonder karakter behouden. Het gehalte daarvan komt wel het duidelijkst uit in onze tekstwoorden, waarin de verhouding tussen het zinnelijke en het geestelijke lichaam gezien wordt naar analogie van het tarwegraan en de daaruit opspruitende halm. Maar het is een analogie met een verborgenheid, zoals de gelijkenissen van Jezus een verborgenheid inhouden. De Jood, die haar zou volgen zonder de ergernis te voelen, en de Griek, die de dwaasheid er in over het hoofd zou zien, hadden zeker Paulus' bedoeling gemist.
Men moet dit gedeelte en dit vers lezen in het verband met het hele hoofdstuk. Tot vers 35 is het alles historie; historie van het Koninkrijk dat gepredikt wordt. Dan komt Paulus' geopenbaarde analogie. Zij lijkt, oppervlakkig gezien, op een stukje theosofie. Maar bij vers 50 grijpt het Koninkrijk met zijn verborgenheid (51) weer met volle kracht in. Hier is het weer alles geschiedenis, eschatologie, historie van het einde. - Het is niet maar de opstanding-zonder-meer, waarom het hier gaat, maar de opstanding van Jezus, de gekruisigde, die als Koning moet heersen (vs. 25).
Dat is de verborgenheid van iedere gelijkenis in de evangeliën. Het is ook de verborgenheid, die de analogie bij Paulus haar innerlijke donkerheid doet behouden.
"Zie, ik zeg u een verborgenheid" (vs. 51).