O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De zaak van de Hethiet UriaGestalte en GeestAdvent →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel 1 · Boek 2: Gestalte en Geest · p. 232–234

Een man naar Gods hart

Ik heb David, de zoon van Isaï gevonden, een man naar mijn hart.

Handelingen 13 : 22 (Vert. NBG.)

David wordt een "man naar Gods hart" genoemd. Wij vragen ons af, in welke betekenis deze woorden zijn bedoeld. Dat kan in tweeërlei zin het geval zijn. Het kan betekenen, dat hij een mens was, zoals God zich die gedacht had, toen Hij de mens schiep. Dat David dus een zekere volmaaktheid bezat, die beantwoordde aan de eisen die God stelde, zoals een kunstenaar welgevallen heeft aan het beeld, dat de idee, die hij zich gevormd heeft, in zijn materiaal uitdrukt.

Deze opvatting van onze tekstwoorden zou men kunnen huldigen, zolang men zich bezighoudt met de lezing van het eerste gedeelte van de geschiedenissen van deze koning. Aan deze jonge David zijn inderdaad sommige ideale trekken eigen.

Hij wint zonder moeite en zonder opzet ieders hart en zo zou men kunnen menen dat hij dit met God ook gedaan zou hebben. God zou dan in hem zijn beeld en gelijkenis met liefde hebben herkend; een zeker onzondig middelpunt in Davids leven, waarvan een schone straling uitging; een krachtcentrum, dat het materiaal van zijn eigen leven tot een model maakte. Op de manier, waarop een zeker wijsgerig idealisme de idee der persoonlijkheid de hoofdrol liet spelen in het mensenleven.

Zulk een beschouwing zou echter hoogstens stand kunnen houden tot 2 Samuël 11 en 12. Dan is het uit en dan blijft het uit. De profeet moge dan in 1 Koningen 15 : 5 schrijven, dat die zaak van de Hethiet Uria een uitzondering was en dat David verder gedaan had wat recht was in de ogen des Heren, maar wij zijn geneigd daarbij met een Frans spreekwoord te denken: 'Excusez du peu!' dwz.: dat was toch waarlijk geen kleinigheid!

Neen, wie verder leest dan 2 Samuël 10 merkt wel, dat de figuur van koning David niet getekend kan worden, zonder de geschiedenissen, die nu volgen, er in te betrekken.

Zij hebben iets van een ondergang, na de opgang die ons tot dusverre beschreven werd. Het lijkt op Genesis 3, het hoofdstuk van de zondeval en van de verdrijving uit het paradijs. Na de zaak van Uria komt de zaak van Absalom en als die afgelopen is, komt alleen nog maar meer het einde. Deze beide 'zaken' zijn eigenlijk het enige wat ons van David verhaald wordt, nadat hij koning is geworden over heel Israël en zijn koningschap heeft bevestigd door de inneming van Jeruzalem en het overbrengen van de ark daarheen. Men kan ze onmogelijk als een aanhangsel beschouwen.

Zij vormen de substantie van wat er over zijn regering wordt verteld. En zij tekenen David, Israëls grote koning, zoals de profeten hem hebben gezien. Hier, in dit gedeelte van het boek Samuël, worden zij het uitvoerigst en hier schilderen zij het eigenlijke beeld van de vorst, die bij Israël hoort. Het is een koning die, toen zijn troon door God gevestigd was op de heilige plaats, waar Abraham reeds een zegen had ontvangen (Gen. 14: 18-24), Jeruzalem, in de zonde viel en daarna door zijn eigen zoon daaruit verdreven werd om als balling een heenkomen te zoeken. En wiens zonde dan toch door God wordt vergeven en wiens troon weer wordt opgericht.

Deze dingen moeten wij bedenken, als wij de titel willen verstaan, die David aanduidt als "een man naar Gods hart". Israël heeft de profetie niet begrepen en als 'Zone Davids' een heel andere Messias verwacht dan die, welke naar Gods hart was en die op Golgotha werd gekruisigd. En wij doen het meestal evenmin, als wij ons een beeld scheppen van Israëls God-gewijde koning. Dan hebben wij echter moeite met David, meer dan met Saul, zoals wij meer moeite hebben met Jakob dan met Ezau.

Naar Gods hart was echter niet de geboren koning, de man die Michal won. Michal had geen kinderen (2 Sam. 6 : 23). Uit haar is de Zone Davids niet voortgekomen. Naar Gods hart was de herboren koning, de man van Bathseba. Haar zoon Salomo wordt Davids opvolger en hij is de erfgenaam der beloften. Door de val en door de ballingschap gaat het naar de vervulling.

Deze dingen zijn hard om te verstaan voor een mens, die naar Gods beeld en gelijkenis geschapen meent te wezen. Zoals God is een 'fontein van alle goed', zo meent hij het in de grond ook te wezen en van daar uit gaat dan zijn denken en zijn doen. Niettegenstaande zijn oudste historie, in de afstamming, en de jongste, in de concentratiekampen, probeert hij, evenals Israël, een zekere correlatie met God vast te houden en door te drijven. God zou hem niet kunnen missen, als hij het goede wil.

Hij vergeet daarbij, dat wij van God weinig of niets weten dan dit, dat Hij zich met de zonde bemoeit. Ook van de Zoon van God, de Zone Davids, Jezus, die genoemd wordt "het beeld van de onzichtbare God" (Kol. 1 : 15), weten wij eigenlijk niets anders. De bijbelse geschiedenis verhaalt ons die bemoeiingen.

Zij is de openbaring van Gods oneindige liefde. Liefde tot zondaren, voor wie Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Joh. 3 : 16). En zo is die geschiedenis, evenals die van Davids koningschap, rondom de zonde gebouwd.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De zaak van de Hethiet UriaGestalte en GeestAdvent →