Deze drie
Zo blijven dan geloof, hoop en liefde, deze drie.
1 Korinthiërs 13 : 13a (Vert. NBG.)
Op het orgel in mijn ouderlijk huis stonden beneden drie lange en wijde eikehouten pijpen. Zij waren eigenlijk een toegift van de orgelbouwer. Want zij hoorden thuis op een 16-voets register, waarvoor overigens in dit instrument geen plaats was. Alleen deze drie konden er nog net staan: de a, de bes en de b. Zij gaven grond aan het hele spel. Wanneer ik op stille avonden, op het uur waarop de avondpsalm gezongen werd, van elders thuis kwam, drongen deze drie stemmen reeds op een halve mijl afstands tot mijn oor door. Dan werd ik van verre reeds opgenomen in deze kathedraal van geluid. Ik ging er binnen, lang voordat ik de deur der woning had bereikt. Rondom het huis, naar alle zijden en naar boven, stond de hele atmosfeer hoorbaar in trilling en het hart beefde mee vanwege de heiligheid van deze tempel, waarin ik minuten lang kon gaan, voor ik de zangers en de speellieden bereikte. Geen domorgel heeft mij ooit een zo sterk gevoel van wijding kunnen geven als deze drie, wanneer zij rondom die woning een tempel deden rijzen. En geen kerk bracht mij ooit een zo grote zekerheid bij van thuis te komen bij God.
Paulus kent ook drie van zulke machtige grondstemmen, die al het andere dragen. Geloof, hoop en liefde, deze drie. Ook zij zijn bijna te groot en te geweldig om in het instrument des levens, in de ruimte van ons bestaan, een plaats te kunnen krijgen. Het zijn de bovenste pijpen van een register, waarvan de rest in de hemel staat. Maar reeds zo, nu het alleen maar deze drie zijn, vervullen zij de apostel, en met hem alle de heiligen, met een ootmoedig ontzag voor de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte van het huis des Heren, dat er ontstaat, zodra zij in actie komen (Ef. 3 : 18).
De diepste toon is de liefde. Zij kan-in dit leven bijna niet staan. 't Is helemaal de laagste. 't Is "de meeste van deze", zegt Paulus (1 Kor. 13 : 13b). Van de andere, die nog langer dienen en nog dieper zingen, kennen wij zelfs de namen niet. - Het geloof en de hoop hebben wel geheel een plaats in ons bestaan, al staan zij ook geheel aan het benedeneind. Meestal moet men wel afstand nemen, als men ze afzonderlijk wil gewaarworden. Maar dan dringen ze toch ook tot ons door met een wondere macht, waardoor wij weten, dat wij een thuis bij God hebben. Zij doen ons dan horen, dat er een wereld is, die door God wordt toebereid (Hebr. 11 : 3). Zij leren ons de mensen kennen en eerbiedigen. En zij laten ons aanschouwen, dat de geschiedenis zin en betekenis heeft in Jezus Christus en dat er een gemeente is, die overblijft (1 Kon. 19 : 18). Op een afstand wordt al het andere stil en spreken alleen nog deze stemmen.
Onder haar sprake krijgt de wereld haar uiteindelijke gedaante en maken de vormen van Gods werk zich los uit de chaos, het rumoer, waarin de twijfel en de wanhoop de grondtoon des levens schijnen te moeten worden.
Neen, het geloof en de hoop kunnen er staan, in ons leven. Voluit, wat de lengte en de breedte betreft en de diepte. Zij doen ons leven zijn, wat het door Gods Woord kan wezen, en waar zij weggenomen worden, houdt onze menselijkheid op. Maar hoe is het nu met de derde, de meeste, de diepste: de liefde?
Op het orgel, waarover ik sprak, moest die laagste steeds iets onzuiver worden gestemd, omdat hij er anders niet staan kon. Is het eigenlijk ook niet alzo met de liefde? Kan die wel helemaal bij ons zijn en behoort zij niet ook ten dele tot de hemelse stemmen, waarvan wij de namen niet kennen en waarvan deze drie een overschot zijn in ons leven, die dat hele leven tot een wonder Gods maken? Wij kennen ten dele; hoe zullen wij liefhebben, zoals het behoort, zuiver en volmaakt?
Of is het misschien daarom, dat de liefde de meeste is? Omdat zij niet geheel bij ons kan staan, maar voor een deel in de hemel, bij God, een plaats moet hebben, in Jezus Christus? Paulus zegt, dat dit zo is. De anderen zullen ophouden:de profetie, de talen, de kennis; al de werken van geloof en hoop. ⚑Niet alzo de liefde. Zij vergaat nimmermeer (1 Kor. 13 : 8).
Deze liefde is de meeste, omdat zij de laagste, de diepste is; de minste en daarom de meeste. De meeste onder u, die zij gelijk de minste (Luk. 22 : 26). Zij draagt en verdraagt alle dingen. Het hele spel des levens zou zonder haar klinkklank zijn. Zij kan ook zelve geloven, zij kan hopen, zij kan al het andere dragen en doen. Niet echter ook omgekeerd. Het geloof kan niet liefhebben en de hoop evenmin.
Overal nu, waar in de beker des levens enkele druppels vallen van de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat (Fil. 4 : 7); altijd wanneer God de tafel aanricht voor ons aangezicht - waar het avondmaal des Heren gehouden wordt, onder welke tekenen dan ook bediend - daar rijzen de pijlers van die woonstede Gods in de Geest (Ef. 2 : 22). Daar verheffen zich haar kolommen van geluid door de wind des Geestes.
Wanneer wij een huis en een thuis zullen hebben voor onze harten; als het jagen en het geroezemoes van het leven ons niet moede zullen maken en tot een belijdenis van de ijdelheid aller dingen zullen brengen (Pred. 1 : 2), dan zal dat alleen kunnen gebeuren, als wij in ons bestaan voldoende afstand en stilte bewaren voor het luisteren naar het spreken dezer stemmen, die alles dragen. En waarvan de meeste, de liefde, reeds niet meer geheel tot deze wereld behoort.