De zonde
Zonder de wet is de zonde dood.
Romeinen 7: 8b (St.V.)
Hierboven heb ik de Statenvertaling gevolgd en niet de Nieuwe Vertaling. Deze laatste laat de beide lidwoorden weg en maakt er daardoor een algemene spreuk van, een spreekwoord bijna. Iets daarvan is er ongetwijfeld in deze uitspraak van Paulus. In het oorspronkelijke staan deze lidwoorden ook niet. Maar men moet toch zeer voorzichtig zijn met het overbrengen van zulk een weglating in onze taal. De apostel laat het lidwoord meermalen weg, waar wij het niet mogen doen. Zo bijv. in Romeinen 5 : 20: "De wet is er bijgekomen." Daar laat Paulus het ook weg. Hij kan zich dat veroorloven, omdat hij zo middenin de stroomversnellingen van de heilsgeschiedenis staat en derhalve wet en zonde zozeer als historische machten vlak in de buurt weet, dat hij niet erg op zijn hoede behoeft te zijn tegen het gevaar, dat zijn apostolisch evangelie zal gaan vervlakken tot spreukmatige wijsheid. Wanneer wij echter zijn brieven een beetje volks gaan vertalen, lopen wij dat gevaar wel.
De zonde, waarover Paulus hier spreekt, is niet dat trage wezen, dat heel- of half-dode ding, zoals Paulus het noemt in ons tekstwoord. Het is niet de zonde zonder de wet, die tot de heidenen en de Joden gelijkelijk is doorgegaan, met de dood als nog trager metgezel in haar gevolg (Rom. 5 : 12). Deze beide worden dan zulke vanzelfsprekende dingen, dat men ze onwillekeurig met het leven vereenzelvigt. Midden in het leven houdt de zonde zich dan als dood en de dood houdt zich ook dood. Zij brengen de mensen in de waan, dat zij leven, terwijl zij in werkelijkheid midden in de dood liggen.
Maar zij kunnen ook anders. En zij doen het, eerst als de wet er bijkomt; maar vooral als de wet vervuld wordt, als Jezus komt. Zij doen anders, als zij ontdekt worden, met de tien vingers der wet aangewezen of door Jezus ontmoet. - Zolang dat niet het geval is, gaat de zoete zonde voorop en de bittere dood volgt van zeer verre. Maar laat de bestraffing komen, dan sluit de dood zich als een trouwe waakhond bij de zonde aan en als deze in de engte gedreven wordt, gaat hij voorop. Dan slaat de zonde de mensen dood met de wet (Rom. 7 : 11). Dan gaat al het trage van de zonde er af, zij is dan levend en bewust (vs. 9). Dit is de zonde, waardoor Paulus Jezus heeft leren kennen. Midden in haar razernij, toen hij al de traagheid van zijn leermeester Gamaliël van zich had afgeschud; toen hij de verzenen tegen de prikkels sloeg, hoeveel pijn het hem ook deed, toen is Jezus hem op de weg naar Damascus verschenen.
Jezus kende deze zonde. Hij heeft haar niet leren kennen, zoals zij tot alle mensen doorgaat als een langzaam en ongemerkt doorwerkend, dodelijk vergif. Hij heeft haar anders leren kennen, toen de zonde ook heel anders deed en al haar traagheid had afgelegd. De zonde, nu met de dood voorop, heeft zich op Hem geworpen als een rover; zij heeft Hem doen lijden en heeft Hem gedood.
Dat is de wijze, waarop Jezus haar heeft leren kennen. Hij heeft gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft (Hebr. 5 : 8 Vert. NBG.). En deze kennis der zonde was zo compleet, zij drong zo diep door in zijn bestaan en bestemming, dat de Schrift kan zeggen, dat God Hem tot zonde voor ons gemaakt heeft, ofschoon Hij de zonde, de trage, de dode, niet gekend heeft (2 Kor. 5 : 21).
Is het wonder, dat Paulus, die naar zijn mate de zonde ook als doodslagen had leren kennen, Jezus als zijn Heer heeft aangenomen?
Men moet, om de mensen en zichzelf te leren kennen, allermeest met de zonde rekenen. Het geeft niet veel, als men zegt, dat wij wezens zijn, die met rede zijn begaafd, of die een wil hebben of dergelijke bepalingen meer. Onze situatie wordt veel grondiger bepaald, ons wezen veel dieper doorlicht, als wij belijden, dat wij zondaren zijn. Dan staan wij daarmee dadelijk vlak voor God.
Wij hebben dan ook aanraking met Jezus, die op aarde kwam om zondaren zalig te maken. Maar zulk een belijdenis in haar algemeenheid is dan dikwijls nog niet veel meer dan een hoofdkussen voor geestelijke traagheid. En de zonde wordt daarbij dan weer een dood ding, zoals Paulus het noemde.
Kierkegaard dacht daaraan, toen hij zeide, dat de mensen van zijn dagen niet meer zondigden. In de bijbel en bij Shakespeare zo meende hij, kwam de zonde voor.86 Dat is ongeveer hetzelfde, wat Paulus in ons tekstwoord ook bedoelt. De zonde is het gevaarlijkst als een trage virus, een verborgen dood in onze leden. Zodra zij met ons een historisch wezen wordt, zodra zij mee op het toneel des levens in het openbaar gaat spelen is er hoop, dat God gaat ingrijpen en haar in het openbaar tentoonstelt en over haar triomfeert (Kol. 2 : 15). Dat zien wij in de Heilige Schrift. Wij zien het ook bij Shakespeare. Daarin had Kierkegaard gelijk. Maar wij zien het ook in de geschiedenis van onze tijd. Het is vreselijk om zulke tentoonstellingen der zonde te beleven en wij zouden er graag buiten willen blijven. Maar er is hoop mogelijk in zulk een wereld, omdat God over de zonde triomfeert. Ontzettend is het echter, als de dood niet meer een verre satelliet van de zonde is, die men praktisch verwaarlozen kan, maar als hij voorop gaat lopen. Wij willen heimelijk liever met Adam zondaren zijn, dan met Christus tot zonde gemaakt worden. Dat is echter niet Gods weg met de mens, met wiens wezen de zonde zo nauw verbonden is geraakt. Onze toekomst is alleen gewaarborgd, als wij, op een wijze die nog niet geopenbaard is, met Hem gelijkvormig zullen wezen. De zonde is niet te sussen, maar zij moet uit haar holen worden gedreven en door Christus overwonnen worden. Zalig is degene, die aan Hem niet zal geërgerd worden (Luk. 7 : 23).