O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← RizpaGestalte en GeestEen man naar Gods hart →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel 1 · Boek 2: Gestalte en Geest · p. 230–232

De zaak van de Hethiet Uria

Daarop sprak Nathan tot David: Gij zijt die man.

2 Samuël 12: 7 (Vert. NBG.)

De gebeurtenissen, die ons verhaald worden in de hoofdstukken 11 en 12 van het tweede boek Samuël, vonden plaats, toen David stond op de hoogte van zijn macht. Hij was koning over geheel Israël; hij had Jeruzalem tot de hoofdstad van zijn rijk gemaakt; de ark was daarheen overgebracht en David maakte plannen om de Here een tempel te bouwen (2 Sam. 5-7). Verder had hij de omringende volkeren verslagen en aan zich onderworpen (hfdst. 5 en 8-10). Israël is een ogenblik een macht geworden in de wereld.

En dan komt het. De grote zonde van David, die midden in de beschrijving van zijn lange, voor Israël tot in lengte van dagen voorbeeldige regering, door de profeten zo eerlijk en met zulk een zwarte kool getekend is, dat wij nu nog bij de lezing daarvan de adem inhouden van verbazing. Is dit de schone herdersknaap uit Bethlehem, die het hart stal van elk die hem zag; de vaardige harpspeler, de lenige slingeraar? De verloofde van Michal, de vriend van Jonathan? Is hij de man, tot wie alle man, die benauwd was, de toevlucht nam? De jonge koning, wiens komst op de troon een epifanie leek voor zijn volk, een evangelie?

De grote zonde, de vlek op zijn leven is dan gekomen. De profeten wijzen na zijn dood nog daarnaar, als zij spreken over zijn regering (1 Kon. 15 : 5). Ziet hem opstaan uit een vadsige rust op het dak van zijn paleis!

Ten tijde dat de koningen plegen ten strijde te trekken - zo railleert de profeet - had David Joab en zijn leger uitgezonden. Hijzelf had andere dingen te doen. Hij wandelde wat op het dak en zag een vrouw zich baden op de binnenplaats van haar huis. Hij begeert haar, laat haar halen en pleegt overspel. Daarop volgt zijn poging om de schijn te redden, door Uria, de man van Bathseba, uit het leger te ontbieden en in zijn huis te doen inkeren, tenslotte in dronkenschap. En als ook dat mislukt, dan de laaghartige moord op de man, door hem, met bemiddeling van Joab, in het heetst van een gevecht te doen sneuvelen.

Deze dingen staan in 2 Samuël 11 en 12. Een paar bladzijden uit de `chronique scandaleuse' van een koningshuis. Zij zijn in volle lengte, met alle gewenste bijzonderheden - bijna schreef ik: pikanterieën - door de profetische schrijver overgenomen. Hoor David de bode aan Joab instructies geven, als hij van deze het bericht van Uria's dood heeft ontvangen: "Zo moet gij spreken tot Joab: Bekommer u hierover niet, want het zwaard verteert nu eens deze, dan weer gene. Zet de strijd tegen de stad krachtig voort en verwoest haar. Bemoedig hem daarmee."

Ik kan mij voorstellen, dat iemand, zover gekomen met de lezing, het boek dichtslaat, met of zonder kwalificatie. Dat is nu een van de bijbelheiligen, zoals de kerk de grote figuren uit de bijbel pleegt te noemen! Inderdaad, zo zijn ze! Zij staan in het volle licht der waarheid. Het begint al bij Adam en Eva en, als men God er buiten laat en de mens op zichzelf beschouwt, dan eindigt het in het beest uit de afgrond, uit het boek der Openbaring (11 : 7). Maar God laat er zich niet buiten houden. In de bijbel staat de mens van het begin tot het einde tegenover God. Hij bestaat nooit op zichzelf. Ook in ons tekstverhaal treedt die verdubbeling op. In 2 Samuel 11 lijkt David autonoom; in zijn zonde stelt hij zichzelf een wet; hij gevoelt zich dan ook niet schuldig; zijn eigen wet veroordeelt hem niet. Alleen het ijskoude cynisme, dat uit zijn antwoord aan Joab spreekt, verraadt enige onrust. Maar lees nu het volgende hoofdstuk, dat culmineert in onze tekstwoorden. Daar staat een profeet tegenover de koning. Hij heeft hem een spiegel voorgehouden: het bekende verhaal van de rijke man, die het ooilam van de arme man nam, omdat hij het jammer vond zijn gast te onthalen met een stuk van zijn eigen vee. David heeft zichzelf daarin niet herkend en heeft het doodvonnis over de onmens uitgesproken. Als hij dat gedaan heeft, schiet de vinger van de profeet naar de koning uit met een: "Gij zijt die man!" ⚑Wanneer de lezer van 2 Samuël 11 en 12 tot zover gekomen is, komt er een merkwaardige verademing over hem. Dus dat loopt niet zo af! De geschiedenis heeft nog een andere zijde! God is er ook in betrokken! Hij neemt het vonnis, dat de koning heeft uitgesproken, in de hand en past het toe op hemzelf. Alleen - het wordt geen doodvonnis. Want hij is "God en geen mens" (Hos. 11 : 9). Maar wel golft het recht als water en gerechtigheid als een immer vloeiende beek (Amos 5 : 24). Van dit ogenblik af aan, waarop David op het hoogtepunt van zijn macht en roem, in deze zware zonde viel, wendt het lot van zijn huis zich om, alsof die zonde daarbij als scharnier diende. Men leze in de volgende hoofdstukken, hoe dat "Gij zijt die man!" aan de koning voltrokken wordt. "De zaak van de Hethiet Uria" (1 Kon. 15 : 5) kan men zien als de kern, waaromheen heel de historie van David zich legt.

Daardoor wordt deze geschiedenis tot profetie. Het eigen recht, de autonomie, staat schaamrood onder het golven van Gods gerechtigheid. Ons cynisme over bijbelheiligen wordt onder de heiligheid van Gods waarheid ontspannen en van zijn krampen genezen. De vrede gaat wandelen naast het recht. En de vergeving, reeds dadelijk door de profeet Nathan uitgesproken, voegt zich bij het oordeel. De rechter is God en geen mens. En deze historie wordt een belijdenis en geen onbarmhartige kroniek. Rondom de zaak van de Hethiet Uria vormt zich een evangelie.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← RizpaGestalte en GeestEen man naar Gods hart →