O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← KerkordeGestalte en GeestDe zonde →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 2: De apostel des Geestes · p. 391–393

De wet

Maar de wet is er bijgekomen.

Romeinen 5 : 20 (Vert. NBG.)

Paulus is de apostel der heidenen. Daartoe is hij door Jezus Christus geroepen. Misschien doet men nog beter met te zeggen, dat hij de apostel van alle mensen is, van Joden en heidenen beide, omdat Christus "de tussenmuur, die scheiding maakte" (Ef. 2 : 14 Vert. NBG.) weggebroken heeft. Dat het zo met hem gesteld is, blijkt wel het duidelijkst uit de Brief aan de Romeinen, die hij richt aan de gemeente in de hoofdstad der wereld. Het Evangelie, dat hij daarin brengt, is universeel. Christus wordt daarin direct op Adam betrokken (Rom. 5 : 12-21). Niet op Abraham en niet op Mozes, maar uitgesproken op Adam.

Wij hebben hier geen ruimte om de gedachtengang van de apostel in bijzonderheden na te gaan. Alleen hierop moet ik opmerkzaam maken, dat Paulus bij de prediking van zijn universeel evangelie op hindernissen stuit. Men vindt ze de hele brief door. Hij kan van Adam tot Christus niet doorbreken, zonder onderweg een felle strijd te voeren met de wet. Wanneer men zich daarvan wil overtuigen moet men, in plaats van aan de wet, aan de Joden denken, die van de wet hun god hebben gemaakt. Dan kan men verder in de Handelingen der Apostelen nalezen, welke hinder Paulus op zijn reizen heeft ondervonden.

Als men dat doet, zal men merken, dat de Brief aan de Romeinen, evenmin als de andere brieven van de apostel, studeerkamer-werk is. Men kan gerust zeggen dat hij, in wijde zin, een gelegenheidsschrijver is. Tenslotte evengoed als de korte brief aan Filemon. Daarin ging het om de vrijheid van één broeder in Christus. Hier - in zijn grootste brief - gaat het om de vrijheid van alle broeders. Daarbij geeft de apostel dan definitief zijn oordeel over de wet en over Israël. En dit oordeel is als in een notedop samengevat in ons tekstwoord: De wet is er bijgekomen.

Men moet echter niet denken, dat Paulus zich daarmee van de wet en van Israël afmaakt. Nadat hij, in de boven onze overdenking uitgeschreven plaats, dit oordeel heeft uitgesproken, doet hij in de daarop volgende hoofdstukken voorlopig niets anders dan er zich mee bezighouden. Eerst schrijft hij over de wet (hfdst. 6-8 : 17) en dan over Israël (hfdst. 9 vv.). Dat zijn de eigenlijke 'pièces de résistance' in deze brief. Paulus is geen Joodse renegaat, maar hij is een christen. Dat is heel iets anders.

Men kan en mag Adam en Christus niet regelrecht op elkaar betrekken, met uitschakeling van de dingen die er bijgekomen zijn. Evenmin als gij uw geboorte en uw zaligheid direct met elkaar in verbinding zoudt mogen brengen, zonder te letten op wat er tussenbeide komt. Heel treffend staat in de Canisiusvertaling: "Toen kwam de wet tussenbeide." Daarin is uitgedrukt, dat zij er iets te doen had. Zij had Adam en Christus allereerst uit elkaar te houden. Zij moest tussen deze twee afstand scheppen. Met haar vloek en zegen moest zij zorgen, dat er schuld en boete in de wereld kwamen, zodat er aanleiding en grond ontstond voor de komst van Christus. Onder mensen, die zonder wet leefden, kon Christus niet komen. Daarvoor had God Israël uitverkoren, opdat de misdaad te meerder zou worden (Rom. 5 : 20b). Dat was het ontzaglijk ambt, dat dit volk te vervullen had. Het had plaatsvervangend werk te doen van zulk een zwaarte, dat het geen wonder was, dat God het zelf tenslotte moest overnemen.

Daarvoor kwam de wet tussenbeide. Wat dat voor de Israëliet betekende, kan men nalezen in Romeinen 7. Paulus beschrijft daar zijn eigen ervaring; die van iedere Israëliet, maar ook reeds die van elke christen, iedere universele mens. Helder en klaar heeft hij in zijn brief de betekenis doen zien van de dingen, die in de geschiedenis en in het leven er bijkomen - tussenbeide komen. Paulus is een werkelijkheidsmens. Even stelt hij de tegenstelling van Adam en Christus op, zoals ook in 1 Korinthe 15. Maar hij wacht zich er wel voor, Christus uit Adam af te leiden. Hij wordt veeleer afgeleid uit datgene, wat tussenbeide komt. Meer uit het midden dan uit het begin. God brengt de eerstgeborene in de wereld (Hebr. 1 : 6), Hij leidt Hem binnen. En Hij doet dat, naarmate er behoefte is aan de tweede Adam. Ofschoon God eeuwig is, behoeven wij ons die eeuwigheid niet zo te denken, dat daarmede een onderscheidsloze kennis en macht bedoeld zijn. God vindt voor zijn denken en doen ook redenen in de wereld. Anders zouden zijn heerlijkste eigenschappen niet uitkomen. God is trouw; Hij is barmhartig; Hij heeft de wereld lief.

Daarom komt de tweede Adam ook niet zonder reden. En die redenen bestonden nog niet, toen Hij de eerste Adam schiep. Datgene wat het belangrijkst is met het oog op de komst van de tweede Adam, is juist datgene wat er bijgekomen is. Men mag met eerbied zeggen, dat God daardoor uit zijn tent gelokt is. Wat Hij met Israël heeft doorgemaakt, is voor de wereld van ontzaglijke betekenis geworden. God heeft de wereld niet uitgedacht, maar Hij maakt met haar een geschiedenis door, waarin Hij zelf op ieder ogenblik betrokken is.

Daarom kan Paulus twee dingen prediken, die nauw samenhangen. Ten eerste, dat de Wet niet voor Evangelie kan dienen. Gods werk blijft niet hangen in wat als 't ware van terzijde in de wereld inkomt. Hij gaat voort tot de laatste Adam, die met de eerste in dezelfde lijn staat.

Maar deze laatste zou nooit zo overvloedig in genade kunnen zijn, als Adams misdaad door de wet niet meerder geworden was. Het Evangelie is zonder de Wet niet denkbaar. Dat de dingen, die er bijkomen, zoveel betekenis hebben voor God, dat zijn genade daardoor overvloediger wordt, is de heerlijkheid van het Evangelie. Wij maken ons graag een abstract begrip van God en stellen dan onze eisen aan dit Godsbegrip. Wij kunnen dat evengoed doen tegenover een boom of een beeld. Op Sicilië slaat men zo'n beeld, als het niet geeft, wat men vraagt. - De Vader van onze Heer Jezus Christus wil ook gebeden zijn. Maar Jezus leert ons er altijd bij te vragen: Uw wil geschiede! De weg van Adams val naar Christus' wederkomst geeft zoveel te denken en te doen, er komt zoveel van terzijde op, dat alleen maar een uitstorting van steeds meer genade God in staat kan stellen in stand en wezen te brengen, wat Hij zich heeft voorgesteld. Misschien is dit een zijde van de evangelieprediking, die helder naar voren moet komen, als de vermeerdering der misdaad en de machteloosheid van recht en wet onze rechtlijnige godskennis in verwarring dreigen te brengen. Wij weten niet, wat dit God te stellen geeft. Recht en wet zijn voor Hem het laatste niet. De laatste Adam is vol van genade en waarheid (Joh. 1 : 14). Maar weten wij, wat het God kost om de voeten vast te stellen in de zich vermeerderende misdaad en dan steeds overvloediger genade te geven? Hebben wij er enig besef van, wat het zeggen wil, God te zijn van een wereld, waar dagelijks zoveel bijkomt? Kunnen wij ons ook indenken, hoe groot zijn trouw en liefde moeten zijn, als Hij van de eerste naar de laatste Adam wil geraken?

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← KerkordeGestalte en GeestDe zonde →