O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Kinderen der opstandingGestalte en GeestBeteuterde christenen →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 2: De getuigen van Gods gestalte · p. 336–338

De weg der opstanding

En niet alleen (hierin) roemen wij, maar ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is.

Romeinen 5: 3-5 (Vert. NBG.)

Onze tekstwoorden tekenen ons de gesteldheid van de christenstand na de opstanding van Jezus. En die opstanding weerspiegelt zich daarin tot op zekere hoogte. Men ziet daaruit als 't ware van binnen uit, hoe deze zich voltrokken heeft. De dood heeft het leven niet kunnen overwinnen. Hij heeft het omgekeerde uitgewerkt van wat hij bedoelde. Hij heeft de verdrukte in de volharding gedreven en van daar in de beproefdheid en van daar weer in de hoop en daarmee in de armen Gods.

Men kan de tekst ook van achteren naar voren lezen; dan ziet men waarom de dood hier zelf doodliep. Als reden wordt hier opgegeven, dat de liefde Gods in het hart was uitgestort door de Heilige Geest. Daarom kon de hoop niet beschaamd worden. De dood is op God zelf doodgelopen. En dan moet men nog verder teruggaan. Dan blijkt daaruit ook, wat dat voor een beproefdheid was, die de hoop uitwerkte. Het is een zijn en een blijven in de weg Gods; een niet-afwijken ter rechter- of ter linkerzijde; een zich ter beschikking stellen aan Hem en daardoor Hem geheel achter zich hebben, zodat deze weg niet dood kan lopen, zelfs niet in de dood. - En ook komen wij dan te weten hoe het gesteld is met de volharding, die tot zulk een beproefdheid leidt. Dat is geen karaktereigenschap, zoals ook de beproefdheid niet, met Brouwer, als karaktertrouw dient weergegeven te worden. Deze volharding is, wat men noemt, een theologische deugd. Zij is een fase, ja een instrument in een werk Gods, dat uitloopt op de overwinning van de dood. - En zo zien wij dan eindelijk ook, waarom er geroemd kan worden in de verdrukking. Van achteren komende, zien wij nu dat God er in het begin al was. Dit is geen roem van iemand die bezig is zich nog maar alleen aan te gorden voor de strijd en die er daarom aan herinnerd moet worden, dat hij de zege nog niet in handen heeft (1 Kon. 20 : 11). Neen, deze roem ontleent zijn grond aan de wetenschap, dat de verdrukking reeds een glimp is van de komende overwinning Gods. Het kruis is reeds het begin van de opstanding. Het is een Pyrrhusoverwinning van de dood. Zo geven ons dan onze tekstwoorden de inwendige geschiedenis der opstanding te zien. Zij beschrijven echter ook, wat wij de weerspiegeling daarvan in de christenstand noemden. Ik denk daarbij het eerst aan de beproefdheid, waarvan hier sprake was. Wij vinden deze deugd op merkwaardige wijze zichtbaar voorgesteld in de kring dergenen die, bij de eerste christenheid, aan de avondmaalstafel zijn gezeten en die daar soms met de algemene naam van oudsten worden aangeduid. Dat slaat dan niet in de eerste plaats op de leeftijd, maar op de beproefdheid. Het zijn degenen, die de verdrukking hebben leren kennen, het kruis hebben verdragen. En die daaronder volhard hebben in hun geloof en alzo tot een zekere gevestigde stand zijn gekomen. Zij hadden het recht om aan de tafel te zitten en behartigden de belangen der gemeente. Zij oefenden de tucht uit onder de leden en bestuurden de verdere aangelegenheden. Tot hen behoorden o.a. in de eerste plaats degenen, die in vervolging en levensgevaar in bijzondere zin de titel van getuigen (martelaren) hadden verdiend. Maar ook weduwen, die waarlijk weduwen waren (1 Tim. 5: 3, 5). Aan zulke beproefden schrijft Paulus in verband met de kerkelijke tucht (2 Kor. 2 : 9). En aan de gemeente te Filippi beveelt hij Timotheüs aan als zulk een beproefde (2 : 22).

Zoals het nu met de beproefdheid staat, zo ook met de andere in onze tekstwoorden genoemde deugden. Wij kunnen dat hier niet verder nagaan. Het was er mij slechts om te doen te laten zien, dat de woorden van Paulus geen retoriek zijn; geen asianisme (een uitbundig redebeleid), waarvan sommige classici hem, bijv. naar aanleiding van 1 Kor. 13, wel eens beschuldigd hebben.

Dat zulke plaatsen een zeer reële ondergrond en achtergrond hebben, enerzijds in het paasevangelie en anderzijds in het christelijk ethos, de geloofs- en levensorde der eerste christenen, - daarvan moeten wij ons steeds bewust zijn, als wij Paulus' brieven lezen. Wij verstaan ze niet, als wij daarvan abstraheren en aan de woorden een betekenis geven, die ontleend is aan een andere orde, buiten de bijbel om.

Dit is te eerder mogelijk, omdat er in ons werelddeel, naast en soms ook in de kerk, een overigens respectabele zedelijkheid gangbaar is geworden, die enige gelijkenis vertoont met de christelijke. Ik bedoel die van de Stoa. Ook hier werd de tegenspoed positief gewaardeerd. Een Latijnse versregel zegt, dat de goden het houden met een overwinnende partij, de stoïcijn Cato met een verliezende.73 Het eerste deel van deze regel herinnert ons aan het goed-Nederlandse spreekwoord: Helpt u zelf, zo helpt u God. Voor de andere helft zou er in onze volksmond eveneens wel iets overeenkomstigs zijn aan te wijzen. Deze zedelijkheid ziet met een zekere meewarige hoogheid neer op God en zijn werk. Zij triomfeert in de hardheid van het leven en meent daarmee zelf gereed te kunnen komen.

Zo zouden wij sommige drastische voorbeelden kunnen geven van mogelijkheden in de politiek, om naast onze tekstwoorden parallellen te trekken die, hoe bruikbaar ook op dat terrein, toch een ander gehalte verraden. Ik waag het er hier een enkele neer te schrijven. Zij zou aldus kunnen luiden: De bezetting werkt verzet uit, en het verzet doorbraak en de doorbraak hoop. Durven wij nu de parallel nog verder doortrekken en zeggen, dat die hoop niet beschaamt? En durven wij daarachter het laatste gedeelte van onze tekstwoorden invullen?

Hier hapert iets. Hier stokt iets. We beginnen verlegen te worden. Wij raken beklemd. Wat hapert hier? Wat stokt hier? Dat moet het paasevangelie ons zeggen. Er is meer in het Evangelie dan bij ons. Altijd meer. De beproefdheid van Christus, zijn goddelijk verdragen van het kruis en zijn goddelijk verachten van de schande (Hebr. 12 : 2) was al dadelijk meer dan de beproefdheid van de martelaren en de weduwen aan de avondmaalstafel. Maar deze laatste beproefdheid weerspiegelde toch nog sterk de gang van Jezus langs de weg der opstanding. - Hoe sterk echter zal dit spiegelbeeld verwrongen worden, als de volharding een natuurlijke hardheid krijgt en er een stoïsche voorkeur voor de verdrukking ontstaat. Als de doorbraak een vooropgezet plan wordt. Deze afwijking van de weg der opstanding verraadt zich altijd weer in het vervliegen van de hoop en nog vreselijker in het verkouden van de liefde Gods in de harten. Het is met ons christelijk ethos een hachelijk geval.

Dit nu is het paasevangelie. Jezus heeft zichzelf niet geholpen. Hij heeft zelfs Gods hulp afgewezen (Matth. 26 : 53). En toch heeft de Vader Hem er door geleid, de grote doorbraak van de Geest tegemoet.

Eindnoten

  1. 73

    "Victrix causa deis placuit, sed victa Catoni", Lucanus, Pharsalia 1, 128.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Kinderen der opstandingGestalte en GeestBeteuterde christenen →