De Trooster
Indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen.
Johannes 16 : 7 (Vert. NBG.)
De woorden van Jezus, die hierboven staan uitgeschreven, worden door ons dikwijls niet in hun volle betekenis verstaan. Met de oude Hiëronymus van Alphen, de bekende kinderdichter van een vroegere eeuw, denken wij nog vaak: "Och was Jezus nog op aarde."74 Toch staat het in onze tekstwoorden zo duidelijk mogelijk, dat het voor ons beter is, dat Jezus van de aarde is weggegaan.
Er staat ook bij, waarom dat beter is. Was Jezus gebleven, dan zou de Trooster niet gekomen zijn. Wij zouden God in zijn laatste en voor ons beslissende hoedanigheid niet hebben leren kennen. Wij zouden wel geweten hebben van de Schepper, van de Wetgever, van de Verlosser, maar niet van de Trooster. En op dat laatste komt het nu juist aan. Door de Heilige Geest worden de werken Gods voor ons pas tot waarheid. Daarom zegt Jezus ook, dat Hij ons in al de waarheid zal leiden (Joh. 16 : 13).
Er bestaat een merkwaardig verschil tussen scheppen en verlossen enerzijds en troosten andererzijds. Althans zolang wij de werken des Vaders en des Zoons ons niet laten uitleggen door de Heilige Geest. Schepping betekent dan, dat wij begonnen zijn iets te zijn. Eerst waren wij niets en toen waren wij iets. En als wij welgeschapen zijn, willen wij ook wel graag weten wat wij zijn. Wij hebben armen en benen, handen en voeten. Wij voelen heel geen behoefte ons daarover te laten troosten. Integendeel, wij zijn trots op dat alles.
Dat wij ook reden hebben om trots te zijn op onze inwendige mens, daaromtrent zijn wij weliswaar minder zeker. Het hart, van waar uit de "uitgangen des levens" zijn (Spr. 4 : 23), is een heel ander ding dan de hand of de voet. Hoe dat hart gesteld is, weten wij niet zo goed te zeggen. Hand en voet zijn nog wel ongerept. Onze vingers zijn compleet. Maar ons hart? Kan dat ook zo trots zijn op wat het is, als onze hand? Is alles daar ook nog compleet? Is daar niet veel verloren gegaan? Is dat hart eigenlijk wel geschapen in dezelfde zin als de hand en de voet? Kan men van het hart ook zeggen, dat het er is? Of is het er alleen maar als het getroost wordt?
Zoals het met de schepping is, zo staat het nu ook met de verlossing. Jezus zegt het zelf in onze tekstwoorden: "Indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen." Maw.: de verlossing moet wijken voor de vertroosting. Wat verlossing is, verstaan wij pas goed, als de Heilige Geest het ons zegt. Zeker, wij zijn verlost door Jezus Christus. Verlost van de dood, van de verdoemenis, van de helse pijnen. Maar wil dat nu zeggen, dat alles nu weer hersteld is tot de toestand, waarin het geschapen was? Bestaat de roem der verlosten in datgene, wat zij door Christus zijn? Men heeft het soms zo gezegd. Men roemde er dan in, dat er sedert Jezus' opstanding weer ware mensen op aarde waren, genezen van hun val.
Men zag zijn eigen bestaan dan als in het verlengde van de geboorte van Jezus, de tweede Adam. De verlossing is dan wel een groter verborgenheid dan de schepping, maar zij werkt dan toch ook nog in zekere zin door voortplanting en afstamming. De nadruk valt op de positieve eigenschappen van het verlost-zijn.
Het Evangelie zelve geeft daartoe echter geen aanleiding. Het bestaat reeds veel meer in de vorm van vertroosting. Dat moet ook wel, want hand en voet hebben hier veel minder betekenis dan bij de schepping. Wanneer zij ons ergeren, dwz. als zij een hindernis zouden vormen voor onze verlossing, dan moeten wij ze afhouwen, zegt Jezus (Matth. 18 : 8).
Wanneer bij de verlossing de vraag gesteld wordt, wie wij zijn, dan is in de evangeliën het antwoord niet positief. Er komen geen heiligen tot Jezus. Zacheüs, in wiens huis Jezus inkomt, zou op die vraag moeten antwoorden: Ik ben een tollenaar, een afvallige van Israël. Jezus echter keert het om en noemt hem een zoon Abrahams (Luk. 19 : 9). - Wanneer de vrouw met de albasten fles, die Jezus zalfde, het antwoord zou moeten geven, dan zou het moeten luiden: Ik ben een 'magdalène'.75 Jezus echter neemt haar tot zijn bruid in het Evangelie. Overal waar dat gepredikt zal worden, zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden (Matth. 26 : 13). - En wat zou de moordenaar aan het kruis moeten antwoorden? Wie is hij? Het is beter dat Jezus het zegt dan dat hij het zelf doet. Jezus zegt hem een plaats in het paradijs toe (Luk. 23 : 43).
Op zulk een wijze wil Jezus de verlossing hebben toegepast. De vraag is niet, wie zij zijn, maar wat Jezus van hen denkt en hoe Hij hen noemt. En zo wil Jezus dat het Evangelie zal gepredikt worden. Van binnen uit, van hun hart uit, waaruit de uitgangen des levens zijn, moeten de mensen geschapen worden. De Trooster moet komen en daarom zal Jezus zelf weggaan. Er zijn te velen om Hem heen, die op Hem proberen te lijken, zoals de Joden op Abraham. Zij willen zitten, de een aan zijn rechterhand en de ander aan zijn linkerhand in zijn Koninkrijk (Matth. 20 :21). Daardoor worden anderen verhinderd te komen. Aan dat gedrang om Hem heen moet een einde komen. Zacheüs, de vrouw met de albasten fles, de moordenaar aan het kruis laten ons zien, hoe Jezus ruimte maakt om zich heen. Hij doorbreekt de kringen, die zich om Hem heen vormen. Anders kan de Trooster niet komen.
De Heilige Geest doet niet anders dan doorbreken. Wij vragen daarom, als wij die Geest aanroepen. Rondom Jezus kunnen zich ook nu nog kringen vormen. Iedere eredienst doet dat min of meer. Maar de Heilige Geest blijft volkomen vrij in zijn werkingen en bewegingen. "De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt en waar hij henengaat; alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is" (Joh. 3 : 8).