O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← JeruzalemGestalte en GeestHet gebed om recht →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 259–261

De schare

En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren.

Markus 6: 34 (Vert. NBG.)

Jezus en de schare horen bijeen. Men zou haast kunnen zeggen, dat, als Jezus zich vertoont, de schare er ook is. Ongeveer in elk hoofdstuk van de synoptische evangeliën wordt zij dan ook enige malen genoemd. Zij volgt Jezus of zij loopt Hem vooruit, zoals in het geval van onze tekstwoorden; of zij zit om Hem heen. Soms lezen wij ook, dat de schare Hem verdringt. Door Jezus en de schare samen wordt het Evangelie opgevoerd. Zonder schare geen Evangelie.

Het aandeel, dat deze scharen in het Evangelie namen, was zeer levendig. Soms stonden zij versteld over zijn woorden (Mark. 11 : 18) of raakten buiten zichzelf over zijn werken (Matth. 12 : 23). Zij gaven tekenen van verbazing (Matth. 9 : 33) of maakten rumoer (9 : 23). Dan weer wilden zij Jezus tot koning uitroepen en namen een dreigende houding aan tegen zijn vijanden.

En Jezus van zijn kant reageert op de toestand en de houding van de schare. Hij roept haar samen of laat haar gaan; Hij is met ontferming over haar bewogen en geeft haar aanwijzingen. Een enkele keer onttrekt Hij zich stillekens aan haar en zoekt de eenzaamheid. Maar altijd is zij zijn tegenspeler, is zij de andere partij.

Dat het Evangelie in deze vorm bestaat, behoren wij goed in het oog te houden. Jezus maakt geen school, geen academie, zoals Plato er een schiep. Hij stelt ook geen kerk in, zoals Paulus dat gedaan heeft. Toch heeft het Evangelie een vorm en het is die, welke wij waarnemen als wij merken op zijn verhouding tot de schare.

Want het is onmogelijk scheiding te maken tussen Hem en haar. Ook op de weg naar Golgotha volgt zij Hem nog. "Een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem" (Luk. 23 : 27). Hoe zullen wij die vorm van het Evangelie noemen? Als het geen school is en geen kerk, wat is het dan? Hebben wij wel een naam voor de gestalte, die het werk van Jezus onder zijn handen aanneemt en heeft het Evangelie ook een figuur? Heeft Jezus' verkeer met de schare ook een structuur, een stel vaste lijnen, waaraan men het kan herkennen en waaraan men een naam kan geven?

De evangeliën laten ons daaromtrent niet in twijfel. Het staat ons nergens duidelijker beschreven dan in die merkwaardige verzen van het evangelie van Markus, waarin wij de mensen uit het hele Joodse land rondom Jezus in beweging zien én die uit Tyrus en Sidon én de onreine geesten, die er tussenin roepen dat Hij de Zoon Gods is. Jezus houdt een scheepje in de nabijheid, om daarop de wijk te kunnen nemen en een volgend ogenblik loopt Hij een berg op om uit het gedrang te zijn (Mark. 3 : 7 vv.). Wat de schare was, waarmee Jezus te doen had, kan men hier zien en de verlegenheid, waarin zij Jezus brengt, kan men hier merken. - Maar dan is het ook, dat de Heer aan zijn verhouding tot die schare een vorm geeft. "Hij stelde er twaalf" (vs. 14) en dan worden de namen van die twaalf apostelen genoemd. De vorm, die het Evangelie tegenover de schare aanneemt, is het apostolaat.

Jezus was zelf een apostel (Hebr. 3 : 1). Hij was gezonden "tot de verlorene schapen van het huis Israëls" (Matth. 15 : 24), en tot hen zendt Hij nu ook de Twaalve (Matth. 10 : 1 vv.). Het zijn die schapen zonder herder, waarover onze tekstwoorden spreken; de schare, waarover Hij met ontferming bewogen wordt.

Behalve Jezus, de schare en de apostelen moet nog het Koninkrijk der hemelen genoemd worden. Deze vier maken samen het Evangelie uit. De komst van dat Koninkrijk is de boodschap, waarmee Jezus onder de scharen optreedt en die de apostelen onder Israël moeten uitdragen.

Volgens de evangeliën van Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes heeft deze gemeenschap, die wij de schare noemen, bestaan. Niet lang. Geen tweeduizend jaar, zoals de christelijke kerk dat nu al bijna doet. Drie jaar, volgens sommigen slechts één jaar. De tijd van Jezus' omwandeling op aarde. Maar zij heeft bestaan. Een enthousiaste, langs de velden en de wegen golvende gemeente. Met als kader de twaalf apostelen, herauten van het komende Rijk.

De kerk kan niet een voortzetting heten van deze gemeenschap. Jezus, de schare, de apostelen, het Koninkrijk der hemelen hebben geen opvolgers. Jezus is ten hemel gevaren. De Joodse schare heeft haar apostolische structuur verloren en is verstrooid geworden. De apostelen uit de Handelingen der Apostelen zijn reeds niet meer de echte apostelen uit de evangeliën. Wat deze laatsten deden, zou men de Handelingen van Jezus moeten noemen. Dat is het oorspronkelijk apostolaat. En tenslotte, het Koninkrijk der hemelen heeft ook geen opvolger. De kerk is een heel andere gemeenschap.

Dit alles is er slechts éénmaal geweest. Het is op deze wereld niet vatbaar voor herhaling en alles wat zich aandient als een voortzetting daarvan draagt het merk der onechtheid duimendik op het voorhoofd. Het kan alleen maar verkondigd en afgebeden worden, zoals het zelf alleen maar bestond op de top van Jezus' prediking en gebed.

Het gaat er mee als met de wereld. De mensheid is veel ouder dan wat wij er van weten. Maar alleen die zesduizend jaren, die in de bijbel de schepping heten, hebben betekenis voor ons geloof. En zo zijn het nu ook weer binnen die schepping de drie jaren van de schare, die een eigen waarde hebben. Al de eeuwen kunnen daarmee niet vergeleken worden. Slechts éénmaal is de schepping tot zulk een schare geworden. Slechts éénmaal werden God en de wereld in een heilig twaalftal met elkaar vermenigvuldigd. En slechts éénmaal was het Koninkrijk der hemelen zo nabij.

Dit is het Evangelie en daaruit neemt de Heilige Geest zijn vertroostingen. Herhaalbaar is het niet en voortgezet wordt het ook niet. Door geen kerk en geen paus en geen sacrament en geen heiligen. Door geen dominees en geen ouderlingen en geen diakenen.

Verloren raakt het daarom niet. De schepping, de mensheid zal eens bestaan als een schare, die niemand tellen kan, met palmtakken in hun handen (Openb. 7 : 9). En deze gemeenschap zal de apostolische vorm hebben (21 : 14).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← JeruzalemGestalte en GeestHet gebed om recht →