O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Idee en werkelijkheidGestalte en GeestDe nederige God →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 2: De getuigen van Gods gestalte · p. 313–315

De nevelen van Pasen

Simon Petrus ... ging het graf binnen en zag de windsels liggen.

Johannes 20 : 6 (Vert. NBG.)

De paas-liturgie maakt de indruk, dat Jezus' verrijzenis over zijn discipelen is aangebroken als een stralende zomermorgen. Onze paasliederen groeten de "eersteling der dagen" (Gez. 21256). Zij spreken van de "dageraad met rode glans", die de hoge hemeltrans verlicht (Gez. 5457). Zij breken uit in "Halleluja's" (Gez. 212, 21558) en zingen van het "krieken van de dageraad" (6059) en van "deze schoonste aller dagen" (6759).

Naar het wezen van het feest is dat ook wel juist. Maar in de beschrijving van de werkelijkheid, zoals de evangeliën ons die geven, ligt dat alles niet zo voor de hand. Die verhalen wekken bij ons veeleer de voorstelling van nevelen en wolken, die eerst moeten opklaren, voordat de volle dag kan aanbreken. In dat opzicht zijn onze tekstwoorden zeer suggestief. Zij spreken van windsels, die het eerste waren wat Petrus van Pasen te zien kreeg. En elders is het al evenzo. Het is een steen (Lukas 24 : 2) of een vreemdeling (Lukas 24 : 18) of een engel (Matth. 28 : 5), die de jongeren te zien krijgen, maar Jezus nog niet. En de gevoelens, die daardoor bij hen gewekt worden, zijn daarmee in overeenstemming. Wij lezen van blijdschap, doch met vrees vermengd; van siddering en ontzetting (Mark. 16 : 8); van verlegenheid en schrik (Lukas 24 : 4 v.); van somberheid (vs. 17), ontsteltenis (vs. 22), tranen (Joh. 20 : 13) en twijfels (vs. 25).

En ook wanneer de zon dan straks doorbreekt, als Jezus aan hen verschijnt, dan lijkt dat Pasen nog niet op een zomerdag. De Heer verschijnt, maar is ook even plotseling weer verdwenen. "En zij herkenden Hem", zo lezen wij (Luk. 24 : 31). Maar dadelijk laat de evangelist dan volgen: "En Hij verdween uit hun midden." Het verkeer van Jezus met zijn discipelen, in de veertig dagen tussen opstanding en hemelvaart, is zeer intermitterend geweest en dat is wel het hoofdkenmerk van deze korte periode in de heilsgeschiedenis. Deze levert de zeer duidelijke bevestiging van wat Jezus vroeger tot hen gezegd had: "Het is beter voor u, dat Ik heenga" (Joh. 16 : 7). En Jezus had er toen ook bij gezegd, waarom dit beter was. Anders zou de Trooster niet kunnen komen. De komst van die Trooster zou een betere voltooiing van zijn werk op aarde zijn dan zijn eigen schichtige verschijningen op de drempel van tijd en eeuwigheid. Het doen voortduren van zijn lichamelijke omgang met zijn leerlingen lag niet in het heilsplan. Eer vormde dat lichaam thans een beletsel daarvoor. Toen Maria Magdalena Hem te voet viel, zei Jezus dat zij Hem niet mocht vasthouden. Voor het verdere verkeer met zijn vrienden moest Hij eerst opgevaren zijn naar de hemel. Bij hen blijven en bij hen wonen kon Hij alleen door de Heilige Geest.

Daarom acht ik het ook ongerechtvaardigd, wanneer men heden ten dage van die veertig dagen soms een soort tweede evangelie maakt, alsof Jezus toen een omgang met zijn discipelen gepleegd zou hebben, enigszins op dezelfde voet als tevoren.60⌫ Een omgang, waardoor Jezus als 't ware vooruitgreep op de uitstorting van de Heilige Geest en waarin zij volledig toegerust werden voor hun apostolisch ambt, zodat zij op de pinksterdag daarvoor reeds klaar waren. Het Koninkrijk der hemelen, dat Jezus gepredikt had niet alleen, maar dat ook nabij gekomen was, toen de blinden zagen, de kreupelen wandelden, de duivelen uitgeworpen werden, de doden opgewekt, de armen het Evangelie verkondigd werd, dat Koninkrijk zou in deze veertig dagen de vorm van een tafelgemeenschap hebben aangenomen. Jezus' littekenen werden dan daarbij de tekenen van zijn identiteit. En zo zou het Koninkrijk der hemelen in die veertig dagen juist tijd genoeg gehad hebben, zich in te spinnen tot een mysterie. Voor Pinksteren zou daarna geen andere betekenis meer zijn overgebleven dan die van een openbaring van deze verborgenheid voor alle volken. Voor de apostelen zelf zou het, strikt genomen, onnodig zijn geweest.

Deze voorstelling en de daarmee samenhangende verheimelijking van het Evangelie, is in strijd met het karakter van deze slothoofdstukken. Daarin is wel een zoeken en tasten naar Jezus op te merken. Een begeerte om Hem van buiten af te benaderen en aan te raken. Thomas wil dat zelfs doen met Jezus' wonden. Maar dit alles voert toch niet in de richting van de ware herkenning. Het brengt hen niet veel verder dan Petrus, toen hij de windsels zag liggen. Het behoort tot de nevelen, waarmee de paasmorgen aanbreekt en die niet volledig zullen opklaren voor de vijftigste dag vervuld wordt; tot zolang wil het met een voortgezet verkeer met Jezus niet vlotten. Er is wel telkens een benadering van de kanten af: een zweetdoek (Joh. 20 : 7), een stuk brood (Luk. 24 : 30), een stukje vis (Luk. 24 : 42), maar dan ineens, als het echt Pasen wil gaan worden, dreigt er een soort kortsluiting te ontstaan en moet Jezus afbreken. Het einde is dan ook de hemelvaart. Daarin wordt het karakter van deze veertig dagen uiteindelijk volledig tot uitdrukking gebracht. Het "houd Mij niet vast", dat Jezus tot Maria sprak, krijgt daarin zijn zichtbare vorm.

De tekenen van Jezus' verbroken lichaam en vergoten bloed kunnen dan ook pas een zakelijke betekenis krijgen in het sacrament. Wanneer het in letterlijke zin persoonlijke herkenningstekenen waren geworden en gebleven, zou dit tot afgoderij hebben geleid, zoals trouwens toch ook nog wel is gebeurd. De Heilige Geest is het, door wie wij Jezus herkennen. "Niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest" (1 Kor. 12 : 3). Daarom moeten wij de nevelen in de opstandingsverhalen laten, tot zij zich samenballen tot de wolk, die Jezus geheel onttrok aan de ogen van zijn discipelen (Hand. 1 : 9). Hun verwachting wordt dan geheel gespannen op de komst van de Trooster.

Eindnoten

  1. 56

    Liedboek- 1973; bundel- 1938: 53.↩

  2. 57

    Bundel-1938.↩

  3. 58

    Noordmans noemt hier, naast deze beide (bundel 1938: Gez. 58 en 61) ook nog Gez. 55, dat niet in het Liedboek- 1973 is opgenomen.↩

  4. 59

    Bundel-1938.↩

  5. 60

    Bedoeld zijn tendenties binnen de Liturgische Beweging.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Idee en werkelijkheidGestalte en GeestDe nederige God →