De nederige God
En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften op Hem betrekking had.
Lukas 24: 25-27 (Vert. NBG.)
Onze tekstwoorden komen voor in het bekende verhaal over de Emmaüsgangers, twee van Jezus' volgelingen, die op de namiddag van de dag der opstanding op weg waren naar 'n dorp, Emmaüs genaamd. Zij spraken onderweg met elkaar over de dingen die te Jeruzalem hadden plaatsgehad. Over Jezus' kruisiging en begrafenis. - Daar voegt Jezus zelf zich plotseling bij hen en vraagt naar het onderwerp van hun gesprek. Maar zij herkennen Hem niet. Verdrietig over deze verstoring van hun droevig onderhoud, vraagt een van hen, Kleopas geheten, of de onbekende dan de enige vreemdeling in Jeruzalem is en van het daar pas gebeurde niets afweet. En dan vertellen zij Hem van hun hoop en teleurstelling met betrekking tot Jezus. Zij hadden verwacht dat Hij Israël zou verlossen, maar nu was het al de derde dag sinds zijn begrafenis. Alleen liepen er onder Jezus' aanhangers enige vage geruchten over een ledig graf, over een verschijning van engelen, die zeiden dat Jezus leefde. Dat waren verhalen van vrouwen. Enkele discipelen hadden het graf inderdaad leeg bevonden, maar hadden Hem niet gezien. Dan neemt Hij, over wie zij spraken, zelf het woord. Wat Hij zeide, leest men boven deze meditatie.
Wat Jezus hier aan de beide jongeren wil leren, is een samenvatting van wat er staat geschreven en van wat er is geschied. Wat de profeten gesproken hebben, dat is in het Evangelie gebeurd. En bij beide gaat het om Jezus, om de Christus. Jezus is waarlijk geen vreemdeling in Jeruzalem. Als er iemand is, die daar thuis hoort, dan is Hij het. De Schriften hadden op Hem betrekking. Wie de profeten goed gelezen had, die behoefde door het kruis niet geschokt te worden in zijn geloof. Maar men moest alles aannemen, wat zij gesproken hadden. Ook wanneer men het niet verstond en ook als men er zich aan ergerde, dan moest men het toch geloven op gezag van deze mannen Gods, die het konden weten. Dat geloof vorderde weliswaar van verstand en hart zeer veel, meer dan wat men onder 'geloven' of 'geloven aan' dikwijls verstaat. Het was een geloof als dat van Abraham, tegen hoop op hoop (Rom. 4: 18). Abraham en Sara hadden de dood al in de leden, maar dat kon Abraham bemerken zonder dat zijn geloof verflauwde, omdat hij wist dat hij te doen had met een God, die de doden levend maakt. Abraham zou toch een vader van vele volken worden (vs. 19). Zo hadden Jezus' discipelen ook op het gezag van het profetische woord moeten geloven. Maar daar hadden zij verstand en hart niet toe kunnen krijgen. Zij waren onverstandig en traag van hart geweest!
Dat geloof-tegen-hoop-op-hoop, dat de duisternissen voor het verstand en de ergernissen voor het hart, die Schrift en geschiedenis opleveren, overwint, is het Credo der eerste christenen geworden. Wanneer Paulus later, op zijn eerste zendingsreis, langs de eerste christelijke zendingsgemeenten, die hij gesticht had, terugreist, dan scherpt hij hun in: "dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan" (Hand. 14 : 22). Dat was het schibboleth tegenover de Joden. De Christus moest lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan. Dat stond ook al bij Mozes en bij al de profeten. De Joden konden het in hun eigen boeken lezen. Maar zij waren onverstandig en traag van hart.
Het is ook onder christenen onderling nog vaak een verschilpunt, waarop de geesten uiteengaan. Wanneer Calvijn onze tekstwoorden verklaart, merkt hij op dat onder de menigte dergenen, die met pracht en praal Christus als koning prediken en Hem met goddelijke lofredenen verheffen, er nauwelijks één op de tien is, die zich bewust is, dat de genade tot ons komt door zijn dood.61 Wij zijn zo geneigd het heil op de een of andere wijze te verwachten als een voortzetting van het natuurlijke leven. Dat het uit de dood te voorschijn zou komen, gaat in tegen alles wat verstand en hart ons zeggen. Wij kunnen ons niet voorstellen dat God het Woord, het beginsel, zijn Zoon, door wie alle dingen geworden zijn (Joh. 1 :3), zich zou hebben laten vernietigen en vernederen tot de dood des kruises (Fil. 2 : 7 v.). Wij menen, dat er in de schepping genoeg kracht en heerlijkheid gevonden worden om het Koninkrijk te vullen en te versieren. Dat er een gebroken God nodig zou zijn om deze schone, maar tegelijk vreselijke wereld te redden, dat kunnen vlees en bloed, verstand en hart, ons niet openbaren (Matth. 16 : 17). Dat moeten wij geloven op gezag van de profeten; anders zijn wij onverstandigen en tragen van hart. Hetzij wij de genade opvatten als een kracht of als een gezindheid Gods, het zal deze gebroken kracht en deze vernederde gezindheid Gods moeten zijn, waardoor wij met Jezus verheerlijkt worden. Opstanding uit de doden is in deze wereld onmogelijk, daar hebben ons verstand en hart gelijk aan. Maar als God zich laat breken en begraven, kan een mens dan niet opstaan uit de doden? Kan dat ook niet? Ja, zo moest het, zegt Jezus. Dat is het paasevangelie. Wees dan niet onverstandig en niet traag van hart!