De misdeelden
Maar Abraham zeide: Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost en gij lijdt smarten.
Lukas 16 : 25 (St.V.)
Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden.
Johannes 9 : 3 (Vert. NBG.)
Onder de schare, die Jezus bij zijn omwandeling volgde, bevond zich een bijzondere groep die, zo mogelijk, nog meer in het Evangelie thuishoort dan de schare-in-haar-geheel. Jezus noemt ze zelf: de blinden, de kreupelen, de melaatsen, de doven.
Hun aanwezigheid moet tegenover Johannes de Doper als bewijs dienen, dat Hij degene is, die komen zou (Matth. 11 : 5). Zij vormen een elite uit de schare; de kern van de apostolische gemeente volgens de evangeliën. Onder hen wordt de ontmoeting van God en zijn volk op het blijdst gevierd. Het zijn de nooddruftigen en de ellendigen uit de psalmen, die nu een Helper krijgen (Ps. 72).
Deze blinden, kreupelen, doven, melaatsen vatten wij heel vaak samen als de kranken, voor wie deze medicijnmeester gekomen is. Wij denken dan aan hun herstel en houden de zaak daarmee voor afgedaan. De tekstwoorden uit Lukas en Johannes, die boven deze meditatie staan, kunnen ons echter indachtig maken, dat daarmee niet alles gezegd is. Lazarus' melaatsheid en de blindheid van de jonge man uit Johannes 9 hadden nog achtergronden, die hen in wezenlijker verhouding tot het Evangelie deden staan. Jezus zag een regelrechte betrekking tussen die melaatsheid hier op aarde en de zaligheid in de hemel. En evenzo zag Hij die blindheid als een gelegenheid voor het werken Gods. Het waren allebei geen toevallige krankheden, maar noodwendige voorwaarden voor de komst van het Koninkrijk der hemelen.
Ik heb deze groep de misdeelden genoemd. Voor een deel zouden zij ook mismaakten kunnen heten. Zij zijn bij de uitdeling van Gods gaven te kort gekomen. Maar dat was geen toeval. Het is opzettelijk gebeurd, met een bepaalde bedoeling. Het klinkt zo hard, mismaakt te zijn. Alsof God bij zijn scheppingswerk even absent was en zich vergiste. Het omgekeerde is het geval. Volgens het Evangelie heeft God aan die scheppingen bijzondere aandacht besteed. Deze mensen zijn meer opzettelijk geschapen dan de anderen. Zij vormen inderdaad een elite, een keur voor Gods koninkrijk. Zij zijn in letterlijke zin voor het Evangelie geschapen. Zij zijn nog weer zeer bijzonder de schare, die bij Jezus hoort en waaronder Hij zijn apostelen uitzendt. Wie in hun geval verkeert heeft als 't ware van nature een plaats in Jezus' koninkrijk, zoals die melaatse en die blinde. Lazarus kwam niet in Abrahams schoot, omdat hij toevallig een gelovige was, maar omdat hij noodwendig melaats was. Kijk! daar gaat één uit deze uitverkoren schare. Een kreupele vrouw. Om haar gelaat speelt een vleug van goedheid; een onderpand reeds van haar hemelse erfenis (Ef. 1: 14) en een tegengift tegen haar gebrek. Er is een kennelijk verband tussen deze beide. - Zie! hoe zij haar hoofd omhoog heft, telkenmale als zij de voet uit de diepte trekt. Het is een liturgische gang, waarmee zij de 130e psalm, het lied De Profundis opvoert. Zij hoort zekerlijk thuis in deze wereld, dit Koninkrijk der hemelen, waarin de dingen geschieden moesten, omdat ze geschreven stonden. Die oude stemmen, die in het Evangelie, in het leven en het lijden van Jezus in vervulling gaan en tot werkelijkheid worden, doen dat ook in haar leven. Ook bij deze kreupele is het lied tot leven en lijden geworden en worden deze daarom straks weer tot een lied. Dat lied heeft Jezus zelf gezongen, toen Hij deze mensen, deze misdeelden zalig sprak en hen als de burgers van zijn koninkrijk aanwees (Matth. 5 : 3-9).
Zij zijn degenen, die bij Jezus horen, met Hem geboren uit de profetie. God doet ze met Hem optrekken door de dood tot het leven.
"Zij hadden geen voorkomen of luister, dat wij naar hen zouden omzien, geen uiterlijk, dat wij hen zouden begeren. Veracht en van de mensen verlaten, mensen van smarten en gemeenzaam met krankheid, als degenen voor wie men het gelaat omhult, veracht, en wij telden hen voor niets.
Maar, onze krankheden hadden zij op zich genomen, onze smarten, zij hebben ze getorst.
Wij hielden hen voor geplaagden, ⚑voor van God geslagenen en vernederden, terwijl zij doorwond waren om onze misdrijven, verbrijzeld om onze ongerechtigheden; de kastijding, die wij verdiend hadden, was op hen, en door hunne striemen is ons genezing geworden."
(naar Jesaja 53 : 2-5, Leidse Vert.)
Zo ziet de schepping er uit, als wij haar zoeken in het klein formaat van het Evangelie. In dit brandpunt van Gods werken vindt men de diepste zin van zijn pottenbakkerswerk (Rom. 9 : 20 v.). Niet de 'vaten ter ere', doch die 'ter onere' heeft God uitverkoren. Zij zijn het die met Jezus op aarde 'omwandelen'. - In dit koor van de apostolische kerk, het heilige der heiligen van het Evangelie, is een dicht gedrang van mensen en geesten "alzo dat alle degenen, die enige kwalen hadden, Hem overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken. En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zoon Gods" (Mark. 3: 10 v.). God had satan een felle greep op deze schare toegelaten. Maar juist daardoor kregen zij een duidelijke gelijkvormigheid met zijn Zoon "om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen" (Jak. 1 : 18 Vert. NBG.).