O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De wonderbare geboorteGestalte en GeestHet Woord is vlees geworden →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 1: Gods gestalte · p. 241–243

De kribbe

En dit zij u het teken: Gij zult het Kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe.

Lukas 2: 12 (Vert. NBG.)

De kribbe is wel het centrum van het kerstevangelie. Al het andere, de boodschap van de engel aan de herders en ook de engelenzang, kan men nog tot de aankondiging rekenen, de annuntiatio. Maar het kindeke in de kribbe is het Evangelie zelf, de vervulling, de werkelijkheid. Daarom wijzen de engelen en de sterren de eerste gelovigen ook daarheen. Dit is de plaats, waar de Vader wordt aangebeden in geest en in waarheid (Joh. 4 : 23). Hier is - om het met de woorden van een kerkvader te zeggen - hier is God al nederig18⌫ en hier kunnen wij het leren.

Toen de engel aan de herders verkondigde, dat hun heden geboren was de Heiland, namelijk Christus de Here, in de stad van David (vs. 11 Vert. NBG.), toen dachten zij waarschijnlijk wel, dat die blijde gebeurtenis in Jeruzalem had plaatsgehad. Dat heet ook de stad Davids. De wijzen uit het oosten gingen daar dan ook eerst heen (Matth. 2). - De herders hebben verder misschien wel verwacht, dat deze openbaring van de verborgenheid der godzaligheid (1 Tim. 3 : 16) uit de tempel zou plaatshebben; mogelijk wel van de heiligste en meest mysterieuze plek uit, uit het heilige der heiligen.

Maar neen, niets van dat alles is het geval. De stad Davids is hier niet de plaats, die David tot zijn koninklijke residentie koos, die hij bouwde en vanwaar zijn roem uitstraalde, maar heel eenvoudig, het onaanzienlijke stedeke, waar hij geboren werd en waar hij, evenals de herders uit Lukas 2, de schapen van zijn vader weidde. - En de Heiland verschijnt niet in de wereld vanuit de verborgenste kamer in het huis zijns Vaders, doch gaat van het begin af op de weg der mensen. De binnenplaats van een karavanserai, een kribbe, voor de ogen van iedere toevallige reiziger, dat is de plaats, waar de Heiland der wereld voor het eerst zichtbaar wordt.

Dat dit alles zo is, zo tegen iedere verwachting in, dat noemt de engel in onze tekstwoorden een teken. Ik geloof, dat daarmee meer bedoeld is dan het geven van een aanwijzing of een bewijs van betrouwbaarheid. Het lijkt mij op één lijn te liggen met het woord van de evangelist Johannes: "het Woord is vlees geworden" (1 : 14). Dat is het echte, christelijke teken voor de komst en de werking van God in de wereld. Bij de heidenen was het juist andersom. Daar was het en is het nog zo, dat men aan een openbaring van het goddelijke gelooft, als levenloze dingen zich vanzelf gaan bewegen of wanneer mensen uitzinnig worden. Schijnt een schepsel zo boven zijn natuur uit te gaan, dan noemt men dat een teken en ziet daarin een bewijs voor Gods tegenwoordigheid. Zulke schepselen noemt men heilig. - In het Evangelie is het juist andersom. Wanneer Jezus in een kribbe ligt; als de Heiland der wereld als een kind geboren wordt; als God de menselijke natuur aanneemt en zijn eigen natuur vernietigt (Fil. 2 : 7), dan noemt de engel dat een teken. Heidendom bestaat hierin, dat het schepsel boven zijn eigen natuur zoekt uit te gaan. Het Evangelie daarentegen leert ons, hoe God andersom doet. Niet het bovennatuurlijke kan ons redden, maar de genade, die tot ons nederdaalt. De engel bedoelt hetzelfde als de kerkvader, die ik aanhaalde: God is al nederig en wij moeten het leren. Hier is de oefenschool der genade.

Daar ligt dan dit kindeke ten aanschouwen van de gaande en de komende man. Zulk een Heiland heeft God aan Israël gegeven en door Israël aan ons. - En dat is zo gebleven. Als Hij straks zijn ambt aanvaardt, zal de rechtvaardigheid, die Hij uit de hemel heeft meegebracht, bestemd worden voor diezelfde gaande en komende man. Niet voor de Farizeeër met zijn vaste plaats, maar voor de tollenaar, die even de kerk komt binnenlopen (Luk. 18 : 9-14). - En Hij zal tot een zondige man ingaan om te herbergen ook een tollenaar - die aan de weg in een boom geklommen was om Hem te kunnen zien (Luk. 19 : 1-10). Hij zal Lazarus een plaats in de hemel beloven, die als bedelaar ergens voor de poort van een rijke man lag (Luk. 16 : 19-31).

Zo is het kind, waarvoor geen plaats was in de herberg en dat derhalve, in doeken gewonden, op de binnenplaats in een kribbe lag. Niet dit is de troost van het kerstevangelie, dat daar een mens in een kribbe lag zonder meer, zodat wij ons vereerd zouden moeten gevoelen, dat God onze natuur heeft aangenomen, omdat die natuur daardoor wordt verhoogd. Het is juist andersom. Wij mogen niet, langs de omweg van het Evangelie weer heidenen worden. De heerlijkheid van dit Evangelie en de bijzonderheid van Israëls Heiland zijn deze, dat God de menselijke natuur in dit kindeke vernedert (Fil. 2 : 8), naar beneden drukt, tot zonde maakt (2 Kor. 5 : 21), zodat tollenaren en zondaren door Hem kunnen worden gered.

Dat is het teken, dat de engel aan de herders geeft. Hij verkondigt hun grote blijdschap, die al den volke wezen zal, dat hun heden geboren is de Heiland, namelijk Christus, de Here. En om hun zekerheid te geven, dat het de ware Christus is, de Heiland der wereld, de door de profeten bedoelde, de door God gegevene, geeft hij hun de herkenningstekenen van Gods nederigheid: de doeken en de kribbe, die straks zullen worden tot de doeken en het graf.

Eindnoten

  1. 18

    Waarschijnlijk is bedoeld Augustinus, Sermo 142,6: "lam humilis Deus et adhuc superbus homo" (MPL. 38, 78 1). Het woord dient als motto in F. van der Meers Augustinus, de zielzorgen, dat Noordmans vertrouwd was.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De wonderbare geboorteGestalte en GeestHet Woord is vlees geworden →