O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← IsraelGestalte en GeestDe eerstelingen →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 2: De apostel des Geestes · p. 420–422

De Joden

Indien gij u nu Jood laat noemen ...

Romeinen 2: 17 (Vert. NBG.)

In de dagen van ouds bestonden er in Palestina twee kleine koninkrijkjes: Israël en Juda; Israël meer naar het noorden, Juda in het zuiden. Het eerste bewaarde in het bijzonder de overleveringen omtrent vader Jakob (Joh. 4 : 12); het andere die aangaande vader Abraham (Joh. 8 : 39). Israël is in de nevelen der geschiedenis verdwenen; Juda echter is gebleven tot op deze dag. De hele wereld kent de Joden uit eigen aanschouwing. Er is geen volk, dat zich zo op onze planeet heeft uitgestoeld. Deze tegenstelling van Israël en de Joden is een mysterie. Zij doet de gedachten van een mens zich in hem vermenigvuldigen. Het lijkt wel of er een geheimzinnig verband bestaat tussen het verdwijnen van Israël en het uitstoelen van de Joden. Alsof deze laatsten te vaster geworteld hebben in hun aardse bestaan, naarmate de eersten meer spoorloos zijn geworden. De vermenging met en de oplossing onder de gojim werd hun schrikbeeld overdag en hun nachtmerrie in de droom.

Door dit blijven, dit altijd en overal blijven, zijn de Joden ten opzichte van het mensenleven een merkwaardige plaats gaan innemen. Men komt in verleiding hen in dat opzicht te vergelijken met kienhout, dat in de bodem niet anders gedaan heeft dan zich bevlijtigen op eigen bestaan en voortbestaan. Maar deze gedachte moeten wij afwijzen. De Joden zijn nooit antiek geworden, zoals de Grieken en Romeinen. De oudheid, die hun eigen is, heeft meer van oorspronkelijkheid. Abraham is hun vader (Joh. 8 : 39), maar Adam is het in zekere zin ook, meer en anders dan bij de andere mensen. Dit is het volk van Genesis, van het begin.

Men moet dit weer niet chronologisch verstaan, maar structureel. Van alle Joden geldt enigszins, wat Jezus van zichzelf zeide: "Eer Abraham was, ben Ik" (Joh. 8 : 58). De Joden vertegenwoordigen enige grondtrekken van menselijkheid, zekere transcendentale voorwaarden voor de humaniteit, waartegenover al het andere pas in de tweede plaats komt. Zij laten de mens zien in de eerste en voornaamste verhouding waarin hij staat en bestaat: zijn verhouding tot God. In zekere zin is de Jood (weer met Jezus) "de eerstgeborene der ganse schepping" (Kol. 1 : 15). En de Jood staat in die grondverhouding met uitsluiting van vele andere betrekkingen. Hoeveel rijker staat, onder dit gezichtspunt, de Griek in het leven. De Jood is de wortel-mens, voor wie blad en bloesem betrekkelijk bijkomstige verschijningen zijn. De wet, die hij dag en nacht overpeinst, is hem zoeter dan honing (Ps. 19 : 11). Het is dan ook niet toevallig, dat Paulus in Romeinen 11 telkens spreekt over de wortel en de takken. Het wezen van het Jodendom geeft daartoe aanleiding.

In dit ambt van eerstgeborene is de Jood in zekere zin onschendbaar. Zijn menselijkheid bestaat, om zo te zeggen, onmiddellijk, bij de gratie Gods, terwijl de Griek het schone en het goede van zijn humaniteit zelf moet opwerpen. De Jood is daarom tot op zekere hoogte ook taboe; het is verboden en ook gevaarlijk hem aan te raken. Daardoor ontstaat rondom de Joden die mysterieuze spanning, die ieder uit de geschiedenis en nog beter uit de jongste ervaring kent. In het krachtveld, waarin die spanning optreedt, is de wereld wel het minst in evenwicht. Het vonkt daar onophoudelijk, alsof de mensheid nog in wording was. - Als eerstgeborene is de Jood steeds beveiligd en toch altijd in gevaar. De grondlijnen der humaniteit kunnen niet verloren gaan, maar wanneer zij een vast bestand verlangen om zichzelfs wille, ontwaakt de tegenstand. De geest komt dan tegen de wet in verzet.

Deze antinomie in de geschiedenis van het Jodendom valt telkens weer op. In het getto was men betrekkelijk veiliger dan in de stad. De Jood stond buiten de onderlinge veten der gojim. Een stad kon verwoest worden, zonder dat de Jodenwijk daarin deelde. - Maar omgekeerd ook kon de haat van de gojim hen uitzonderlijk zoeken. En wat dat betekent, is aan ons geslacht weer op vreselijke wijze openbaar geworden.

Paulus vraagt ergens (Rom. 3 : 1), wat dan het voordeel van de Jood is. En dan noemt hij allereerst dit, dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd. Behoort daar nu ook toe, dat de Joden de blijvers zijn in de geschiedenis? Was Juda tegenover Israël in het voordeel? - De profeet zegt wel, dat het Woord Gods bestaat tot in eeuwigheid, maar hij zegt er niet bij, dat dit ook van degenen geldt, aan wie dat Woord is toebetrouwd (Jes. 40 : 8). Moet men niet degenen, door wier striemen ons genezing geworden is (Jes. 53 : 5), zoeken onder degenen, die zijn 'afgesneden uit het land der levenden' (Jes. 53 : 8)? Is Israël niet zulk een lijdende knecht des Heren geweest? Heeft Jezus als Jood geleden of als Israëliet? En heeft Paulus als Benjaminiet zijn apostolaat vervuld, of noemt hij zichzelf in Romeinen 11 : 1 opzettelijk een Israëliet?

Israël komt soms, al werd het in de historie spoorloos, op mysterieuze wijze naar voren tegenover de Joden. Dat gebeurt o.a. in Romeinen 9-11, waar Paulus, die bijna altijd van Joden spreekt, ineens op Israël overschakelt. Het is ook het geval, nu de Joden weer een eigen staat hebben gesticht.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← IsraelGestalte en GeestDe eerstelingen →