O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Het mensenlevenGestalte en GeestHet bloed →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel 1 · Boek 1: Over de toppen des levens · p. 190–192

De droom

Zie, daar komt deze meesterdromer aan.

Genesis 37 : 19 (St.V.)

De droom is - wat ik zou willen noemen - een lastig onderwerp. Hij beslaat ongeveer een derde van ons leven en toch denken wij meestal zeer geringschattend over hem en stellen hem ver achter bij wat er op andere tijden in en om ons waakt. Aan wat in de droom tot ons komt, hechten wij niet veel waarde. Wij hebben zelfs grote moeite er een klein deel van vast te houden in ons bewustzijn. Wij denken er zelden aan, dat het grootste deel der schepping niet anders doet dan dromen. Het plantenrijk helemaal en het dierenrijk half. Alleen wij, mensen, zijn een belangrijk deel van ons leven wat wij noemen - helemaal wakker.

In de bijbel staat de droom ook vrijwel ter zijde. Zoals de engelen van boven, waar alles altijd wakker is, zo komen de dromers van beneden, waar alles slaapt, zich mengen in de openbaring Gods. Het zijn merkwaardigerwijze twee Jozefs, één in het Oude en één in het Nieuwe Testament, die er de bekende dragers van zijn (Gen. 37 vv. en Matth. 1 : 20 vv. en 2 : 13 vv.).

In het boek Genesis is een vrij groot en zeer bijzonder gedeelte aan de meester-dromer gewijd. Het draagt een karakter, dat zich kennelijk onderscheidt van al het andere. Men zou kunnen zeggen, dat het minder Israëlitisch is en meer algemeen-religieus. Men wordt minder dan elders in het boek Genesis aan de verwantschap met Babel herinnerd en denkt bij de lezing onwillekeurig meer aan die met Egypte en Perzië. Deze verhalen herinneren ons soms aan wat Herodotus en Xenophon van hun helden vertellen. Men heeft ze, in onderscheiding van oudere Israëlitische overleveringen, een novelle genoemd, waarin niet meer, zoals bij Abraham en Jakob, de directe verschijning Gods in het leven en zijn zichtbaar ingrijpen op de voorgrond staan, maar waarin de voorzienigheid Gods op meer bedekte wijze regeert. De dromen zouden dan het middel zijn, waardoor God van die regering kennis geeft (Bousset).6⌫ - Inderdaad doet dit gedeelte van Genesis meer modern aan. Men zou het bijna een psychologische roman kunnen noemen. Allerlei gemoedstoestanden worden levendig beschreven.

Wij zullen dus goed doen, als wij de droom in de openbaring Gods niet in het middelpunt plaatsen. Het belangrijkste van die openbaring heeft plaats, als God de dragers daarvan ontmoet, wanneer zij volkomen wakker zijn. Dat geldt in de eerste plaats van Jezus in de evangeliën. De grootst denkbare tegenstelling tot de droom is het Evangelie. Nooit zal de gemeente wakker worden met de gedachte: het was maar een droom. Nooit in zijn leven is iemand klaarder wakker, dan wanneer hij zich bekeert en het Evangelie gelooft (Mark. 1 : 15). Dit is de werkelijkheid Gods en daarom zegt de Schrift: "Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten" (Ef. 5 : 14).

Maar evenmin mogen wij over het hoofd zien, dat God er ook aan gedacht heeft, "dat het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods" (Rom. 8 : 19). En dat ook wij zelf nog "zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen" (vs. 23). God weet wel, dat een groot deel van zijn maaksel als 't ware in een droomtoestand verkeert en nog ontwaken moet. En Hij rekent daarmee.

Er bestaat een zekere overgang tussen droom en werkelijkheid, die voor ons tot de raadselachtigheden van het leven behoort; letterlijk tot de nachtzijde daarvan. Het kan ons soms voorkomen, alsof ons lot, onze toekomst, veel meer onmiddellijk samenhangt met, wat men noemt, ons subliminaal bewustzijn dan met onze klare voorstellingen. Het lijkt dan wel, dat onze voorgevoelens, onze dromen meer van de werkelijkheid van ons leven te weten komen dan onze dagelijkse ervaringen en ons denken en geloven. Droom en lot schijnen dan éénzelfde ding te zijn en het leven neemt zo een magisch karakter aan; het schuift op ons toe en vreet zich in het gareel van ons bestaan tot het er met ons vandoor gaat, zoals de wolf deed met baron Von Münchhausen.7⌫ Op zulke ogenblikken raken wij geneigd meer op ons instinct dan op ons geloof te vertrouwen. In sommige tijden heeft het instinct, het geloof van de nachtzijde van het leven, de rol van het levende geloof overgenomen. De mensen gingen dan met God om op de manier van de planten en dieren. Het Romeinse heidendom is in zo'n droom ondergegaan. Ook wij hebben in de Tweede Wereldoorlog zoiets meegemaakt, toen droom en lot de leidsterren der mensen schenen te zijn geworden. Toen men de Geest Gods verachtte om in een subliminale vitaliteit, in de ziel die wij met de dromende schepping gemeen hebben, het één-en-al te zoeken.

Deze kant gaat de bijbel niet uit, wanneer hij de 'novelle' van Jozef invoegt in het boek Genesis. Het is de geschiedenis van de twaalf stammen Israëls - het volk, dat van alle het minst in dromen gewandeld heeft en het meest met profeten te doen heeft gehad - die door deze novelle wordt voorbereid. Dat kan men lezen in Genesis 49, de zegen van vader Jakob, waarmee deze vertelling wordt afgesloten en bekroond. Deze aartsvader droomde niet, maar was klaarwakker, toen hij op zijn sterfbed de toekomst van Israël, van iedere stam daarvan, zich voor zijn ogen zag ontrollen, tot David, tot Christus toe. Men kan zeggen, dat hij toen ontwaakte uit de Jozefsdromen, uit zijn Racheldroom, waarin zijn latere levensjaren bevangen waren. Toen zag hij het: "Juda, gij zijt het, u zullen uw broeders loven" (Gen. 49 : 8). Niet de dromen van Jozef (37 : 5-9), maar de profetie van Jakob zal uitkomen. ⚑Wanneer dit uiteindelijk geschiedt en Jezus geboren wordt, komen Jozefs dromen, merkwaardigerwijze, toch even om de hoek kijken. Het Oosten (Matth. 2 : 1-12) en Egypte (13-15) spelen mee bij die geboorte. Ook in ons leven, zelfs in het Evangelie, mag de droom soms als dienstknecht der profetie God dienen.

Eindnoten

  1. 6

    Vindplaats onbekend.↩

  2. 7

    Vgl. G. A. Bürger, Wunderbare Reisen zu Wasser und zu Lande, Feldzüge und lustige A benteuer des Freiherrn von Münchhausen, Leipzig 1943, p. 6. Het gaat hier, dadelijk aan het begin van de vertelling, om de wolf die tijdens de rit met de slede naar St. Petersburg het paard opvreet ("dass der Wolf sich beinahe über und über in das Pferd hineingefressen hatte"), vervolgens het paard als een foedraal afwerpt en de plaats van het trekdier inneemt.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Het mensenlevenGestalte en GeestHet bloed →