De broodvraag
Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat.
Mattheüs 4 : 4 (Vert. NBG.)
Toen Jezus in de Jordaan gedoopt was en de Heilige Geest op Hem was nedergedaald, werd Hij door die Geest naar de woestijn geleid, om daar door de duivel verzocht te worden. Jezus begint, waar Israël ook begonnen is en waar het zijn wet en figuren ontvangen heeft: in de woestijn. Daar is ook het Evangelie geboren en daar heeft Jezus de eerste vage omtrekken van het Koninkrijk der hemelen voor zich zien opdoemen. De veertig dagen, die Hij er doorbrengt, zijn aangepast aan de veertig jaren, die Israël er moest ronddolen (Num. 14 : 34). En evenals dat oude volk doorleefde Hij deze ervaring in de vorm van een verzoeking. De Geest wil weten wat er in zijn hart is (Deut. 8 : 2).
Hoe die verzoeking zich precies aan Jezus heeft voorgedaan, zullen wij wel nooit weten. Het heeft geen zin daarop verder in te gaan. Liever wil ik er op wijzen, dat de parallel tussen Israëls verzoeking in de woestijn en die van Jezus ook doorgaat ten opzichte van elke bekoring in het bijzonder. De antwoorden van Jezus vindt men alle drie bijeen in het boek Deuteronomium (8 : 3; 6 : 13, 16). Dit is van betekenis voor het recht verstaan van de woorden, die boven deze meditatie staan uitgeschreven.
Het volk Israël was veertig jaar lang in de woestijn zonder brood. Dat was de straf voor hun ongeloof, toen zij het beloofde land konden binnentrekken. Nu moesten zij leren uit des Heren hand te eten. Het land, overvloeiende van melk en honig, hadden ze verbeurd. God gaf hun nu in de woestijn elke dag het manna dat zij rondom hun tenten gestrooid vonden. De verzoeking bestond dan hierin, dat zij zelf voor de gewone spijze zouden proberen te zorgen.
En telkens bezwijken ze daarvoor.
Daarom houdt Mozes hun voor, dat God hen doet honger lijden, opdat zij zouden weten, "dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des Heren uitgaat" (Deut. 8 : 3 Vert. NBG.).
Deze zelfde verzoeking ondergaat Jezus nu weer in de woestijn. Voor Hem gaat het om zijn ambtsvervulling. De Geest des Heren is nu op Hem. Welke toekomst zal Hij zijn volk bereiden? Hoe staat het in het koninkrijk Gods met de broodvraag, die zo fundamenteel is voor het menselijk leven? Is het zo vreemd, dat dit het eerste is, waaromtrent de Geest Jezus laat verzoeken? Wat hebben de veertig dagen van vasten opgeleverd? Heeft Jezus een program voor het Koninkrijk der hemelen, zoals Mohammed er later een had? Een visioen van een met melk en honig verzadigd Israël, dat zijn zinnelijkheid eindelijk zal kunnen uitleven in tussen hemel en aarde hangende tuinen?
Maar Jezus is zonder iets daarvan uit de veertig dagen weer te voorschijn gekomen. Gods blote hand had niets van dit alles te zien gegeven. God was arm en Jezus had honger, toen Hij bij Hem vandaan kwam. Zal Hij nu zichzelf helpen en met dat wonderbrood tot Israël gaan? Dat is de grote verzoeking.
Hij is daarvoor niet bezweken. Daar klinkt het eerste verlossende woord uit zijn mond, dat Israël aan de wereld moet leren: "Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat." Dat is het sociale program, waarmee Jezus uitkomt. ⚑Als men goed toeziet merkt men, dat er in dat opzicht geen onderscheid is tussen Oud en Nieuw Testament. Beide gaan uit van de woestijn. Jezus herhaalt eenvoudig de woorden van Mozes, als de broodvraag ter sprake komt. Mozes is op dit punt niet meer aardsgezind dan Hij. En Jezus is niet zo hemelsgezind, dat Hij die vraag over het hoofd zou zien. Zij staat bij Hem zelfs voorop; hier in de verzoeking, maar evengoed in het Onze Vader, in de laatste drie beden als de noden des levens aan de beurt komen. Tussen die beden en de verzoekingen bestaat een merkwaardige overeenkomst. Door de laatste heeft Jezus de eerste leren bidden. Daarom kan men deze beden pas recht gebruiken, als men de macht der verzoekingen kent. Maar ook omgekeerd werpen de beden een licht op de aard der verzoekingen.
Wat is dat voor brood, waarom Jezus ons leert bidden in de vierde bede? Meestal noemen wij het dagelijks brood. Maar daarmee is niet het eigenlijke gezegd. Het betekent het brood voor morgen. Het is het brood der toekomst; het brood van het komende Koninkrijk. Daarom roept ook die vrouw uit het evangelie van Lukas uit: "Zalig is hij die brood eet in het koninkrijk Gods" (14 : 15).
Wanneer Jezus met lege handen uit de veertig dagen te voorschijn komt, als het blijkt dat Hij een arme Vader heeft en dat Hij geen plaats zal hebben om het hoofd neer te leggen (Matth. 8 : 20), dan is de verzoeking daar. Zal Hij zelf handelen of zal Hij wachten op het brood van morgen? Het brood dat niet uit zijn eigen mond uitgaat, als Hij zal zeggen dat de stenen brood worden, maar dat uit de mond des Vaders zal uitgaan; het brood dat men eet in het koninkrijk Gods.
Jezus heeft besloten het oude Godswoord van Mozes als zijn sociaal program af te kondigen. Daarmee heeft Hij een ontzaglijke last van het mensdom afgenomen. Dat is zijn eerste ambtsvervulling geweest. De vrijheid en de vreugde die daardoor ontsloten zijn voor ons geslacht, zijn onmetelijk. Nu kan Hij voortaan tot zijn discipelen zeggen: "Weest niet bezorgd wat gij eten of wat gij drinken zult, want al deze dingen zoeken de heidenen. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst zijn Koninkrijk" (Matth. 6 : 31 vv.). Brood eten in dat Koninkrijk, dat is zaligheid.
Hoe ernstig men de broodvraag en de sociale vragen ook moge opvatten, men mag ze nooit ernstiger nemen dan Jezus, toen de Geest Hem beproefde in de woestijn. Er zijn nog andere dingen, die uit Gods mond uitgaan dan alleen brood! Het leven mag geen trieste voedering worden aan een trog. In Gods Koninkrijk wil het in de eerste plaats een blij convivium zijn, waarbij ieder zijn bijzondere gave van God ontvangt, die hij aan zijn disgenoten met vreugde mededeelt.