De bede om genade
Lukas 18 : 9-14
Evenals in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter, is ook hier weer sprake van twee mensen. Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden. Maar de verhouding is heel anders dan daar ginds. Daar was het een onrechtvaardige, aan wie God een voorbeeld neemt; hier is het een rechtvaardige, van wie God zich met weerzin afkeert. - Die rechter bekommerde zich om God niet en stoorde zich aan geen mens. Deze Farizeeër doet niet anders dan zich om God bekommeren en zich aan de mensen storen. Hij vast tweemaal per week om beter aan God te kunnen denken en hij geeft tienden van al zijn inkomsten om zo alles met God te delen. En wanneer hij vast, toont hij een somber gelaat; hij wast zijn aangezicht niet en zalft zijn hoofdhaar niet, om de mensen te laten zien dat hij vast (Matth. 6 : 16).
Zo'n eenvoudige zaak is die rechtvaardigheid Gods echter niet. Bij de onrechtvaardige rechter leek zij op een vonk, die door het harde staal uit een vuursteen geslagen wordt. Heel even licht zij op, om dan weer voor lang, misschien voor immer, te doven. Maar God heeft haar gezien en Hij heeft het recht lief en legt het ten grondslag aan zijn eigen regiment. - Bij de Farizeeër is de rechtvaardigheid een walmend vuur, op vaste tijden gevoed door de toeworp van goeddunken en eigendunk. Zij is een Kaïnsofferande, die God niet wil aanzien (Gen. 4: 5). - Gods recht is geen menselijk maaksel. De bekommering om God en het zich-storen aan de mensen kunnen licht tot een karikatuur worden van wat zij behoren te zijn. Men kan een onrechtvaardige, zoals de rechter uit de gelijkenis, niet als een fotografisch negatief behandelen. Het portret laat dan een Farizeeër zien. Wie precies het tegendeel probeert te doen, maakt het niet veel beter.
De figuur, die Jezus ons in de gelijkenis laat zien en die de rechtvaardigheid Gods werkelijk deelachtig wordt, is een geheel andere. Men kan hem ook een negatief noemen. Tegenover het vasten en de tienden van de Farizeeër heeft hij niets te stellen. Zelfs het staan, dat hij met zijn tegenspeler gemeen heeft, is negatief. De Farizeeër gedraagt zich als een die in het huis des Heren geplant is (Ps. 92: 14). Het verleden deelwoord, waarmede zijn houding in de voorhof in de Griekse tekst wordt weergegeven, drukt dat ook uit. Hij is daar gaan staan. Het deelwoord, dat de houding van de tollenaar beschrijft, houdt niet meer in dan een staan-zonder-meer. En daarvan wordt dan nog iets afgedaan door de bijvoeging, dat het van verre was. Zijn staan is bijna een vlucht. - Ook het zich-om-God-bekommeren is negatief geworden, het kan bekommering heten. En evenzo het zich-storen aan de mensen, dat in schuwheid is overgegaan.
En toch begint hier het beeld op te komen van een rechtvaardige, zoals God die wil. Jezus wil ons dat beeld leren herkennen door de tegenstelling met dat andere, dat Hij er tegenover plaatst. Hier, bij de tollenaar, komt plaats voor dat wondere recht Gods, waarvan de half gramstorige, half medelijdende opwelling van de onrechtvaardige rechter een blinkje had te zien gegeven. Deze tollenaar neemt het God niet uit handen. Hij gaat niet op de plaats van het gericht staan, zoals de Farizeeër, die zijn eigen verdiensten en aanspraken formuleert. Neen, hij gaat daar staan, waar de weduwe stond in de andere gelijkenis. Hij doet een bede, een bede om recht.
Maar dat recht heeft nu een andere naam gekregen; het heet genade. Die genade, die zoveel hoger en heerlijker is dan wat wij vaak recht noemen, dat het wel schijnt dat hier afstand wordt gedaan van het recht. Terwijl de Farizeeër nog bezig is met dat eigen recht, terwijl hij zijn zaak bepleit, neen bewijst, door zijn vasten en tienden voor God uit te spreiden; terwijl hij niets te vragen heeft, maar alleen te declareren, doet de tollenaar een beroep op Gods recht.
"Uw goedheid, Heer, is hemelhoog;
Uw waarheid tot de wolkenboog;
Uw recht is als Gods bergen."27⌫
Genade is ook recht. Maar het is het hoogste recht, als alle andere rechtsmiddelen zijn uitgeput of falen. Genade is geen correctie van het recht in onduidelijke gevallen of om ongewenste complicaties van een vonnis te voorkomen. Niet het mindere recht is absoluut, maar dit hogere, dat genade heet. Gratie is een vrije, aan zichzelve de redenen ontlenende uitspraak, waardoor de loop van wat wij recht noemen, wordt gestuit en in zijn banen teruggewezen.
Op dat recht Gods doet de tollenaar een beroep; en niet tevergeefs. Want, zegt Jezus, deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug (Vert. NBG.). De oordelen Gods blijven niet formeel; zij beperken zich niet tot uitspraken, zonder zich dan verder te bekommeren om wat daaruit volgt. Gods genade is het enige scheppende principe, dat voor de toekomst der wereld hoop geeft. Het formele recht is steriel. Gij kunt duizendmaal gelijk hebben en toch met dat gelijk niets dan onheil stichten. Het recht, dat leven schenkt, moet de barmhartigheid tot ziel hebben; het moet tevens genade zijn. Dat genade daarom niet ophoudt recht te zijn, kan ieder, die Jezus' onderwijs volgt, uit deze gelijkenis aflezen. Gods Geest getuigt met onze geest, dat God geen onrecht doet, als Hij deze boetvaardige bidder aanneemt en de eigendunkelijke Farizeeër laat staan. Wanneer God hem genadig is en als hij gerechtvaardigd naar huis terugkeert, heeft God hem tevens recht gedaan. Aan dat recht Gods had hij zich toevertrouwd en hij is niet beschaamd geworden. Alleen schuldvergeving bevredigt volkomen het rechtsgevoel. Iedere andere rechtspraak doet om zich heen de Farizeeërs opveren, staande in die 'ik dank u'-houding, waarin Jezus hen getekend heeft. Alleen de genade leert de ziel te buigen en het lichaam te knielen. Zij leert God te aanbidden, omdat zijn recht niet verderft, maar het leven geeft. Omdat de rechter van hemel en aarde tevens de schepper is, die door zijn oordelen de harten samenvoegt tot de vreze van zijn naam.