De achtergronden van Pasen
Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel? De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus.
1 Korinthiërs 15 : 55-57 (Vert. NBG.)
De beide eerste regels van onze tekstwoorden zijn ontleend aan de profetieën van Hosea (13 : 14). Bij die profeet staat echter niet tweemaal: dood, maar wordt het dichterlijk parallellisme in acht genomen; naast de dood wordt de onderwereld aangesproken. In de Statenvertaling gebeurde dat bij Paulus ook. De nieuwere vertalingen volgen meestal zulke handschriften, waarin de aanspraak aan de onderwereld of het graf verdwenen is en daarmee dus ook het parallellisme. Deze lezing is minder fraai dan de eerste.
Verder verdient het opmerking, dat deze verzen van Hosea zeer vrij zijn aangehaald. Bij de profeet roept God de dood en de onderwereld tegen Israël in het geweer. Hier - bij Paulus - wordt de nederlaag van die machten verkondigd. Er zijn meer voorbeelden van zulk een manier van citeren in het Nieuwe Testament, vooral bij Paulus. Men zou het een liturgische aanhaling kunnen noemen, in onderscheiding van een homiletische. De eerste geschiedt meer op de klank af, terwijl de laatste scherper op de oorspronkelijke zin let. Ofschoon wij meestal aan de homiletische de voorkeur geven, bestaat er ook onder ons nog wel verschil in dat opzicht. Ik herinner de lezer aan een pennestrijd tussen Barth en Niebuhr, geruime tijd geleden, waarin Barth in de Angelsaksische aanhalingen uit de bijbel laakte, dat zij te zeer op de klank af plaatsvonden.66⌫ Intussen gaat de apostel voort met de vrije behandeling van zijn tekst. Van het parallellisme daarin maakt hij een tegenstelling. De prikkel blijft voor de dood behouden, maar de overwinning neemt hij in beslag voor Jezus Christus, zodat er van het oorspronkelijke bij Hosea eigenlijk niets meer overblijft. Want ook de woorden 'overwinning' en 'prikkel' kwamen tenslotte in de Hebreeuwse tekst niet voor. Paulus vond het laatste in de Septuagint en het eerste misschien ook.
Zo zien wij, hoe merkwaardig de verhouding tussen een oudtestamentische profeet en een nieuwtestamentische apostel soms kan worden en wat de uitlegging der Schrift door de Heilige Geest bijwijlen voor zonderlinge wegen gaat. Het geestelijk verstaan is nog niet zulk een eenvoudige zaak. Of wij, met onze moderne nauwkeurigheid, het prettig vinden of niet, de wonderlijkheden die wij in Paulus' exegese van Hosea's profetie opmerkten, vallen ook onder de tegenstelling van letter en Geest. De inspiratie verloopt niet altijd volgens de regels der literaire orde, maar maakt ook gebruik van de verschrijvingen der kopiisten en de fouten der overzetters. Zonder deze vrijheid des Geestes zou het Evangelie nooit gepredikt zijn geworden.
Daarvan hebben wij hier een treffend bewijs vóór ons. Nergens bij Paulus zal wel vrijer - men zou bijna zeggen - slordiger met het Oude Testament zijn omgegaan dan in onze tekstwoorden. En wat is het resultaat? Dat in deze verzen oud en nieuw, wet en evangelie, zonde en genade, dood en leven tegenover elkaar worden geplaatst zó scherp en zó klaar, als de apostel dat alleen op de hoogtepunten van zijn prediking vermag te doen. Wij hebben hier reeds in kort bestek, wat Paulus in Romeinen 7 en 8 in den brede heeft uitgewerkt. De dood met zijn prikkel, de zonde, en de zonde met haar zenuw, de wet. En daartegenover het leven met zijn element, de vrijheid des Geestes, en de vrijheid met haar Heer, Jezus Christus.
Dit laatste kan men de formule van het christelijk leven noemen, zoals Paulus dat verkondigt in zijn brieven. Zijn paasevangelie krijgt daardoor een breder aspect. Het blijft zich niet rondom het graf bewegen en zoekt de levenden niet bij de doden. Jezus ontmoet Paulus heel ergens anders, als hij bezig is te ijveren voor de wet en daarmee voor de zonde en daarmee voor de dood. Dan viert Paulus Pasen. - De apostel blijft ook niet staan bij het lichaam of bij de vreugden daarvan. Er is in zijn prediking niets van een mohammedaanse hemel. Wel wil hij niet ontkleed of naakt bevonden worden. Maar het moeten zijn "klederen des heils" (Jes. 61 : 10), die de Heer hem aantrekt. Het zal een lichaam zijn, maar dan "een geestelijk lichaam" (1 Kor. 15 : 44). Een strenge scheiding tussen vlees en geest in platonische zin, of tussen denking en uitgebreidheid in cartesiaanse zin, wordt hier niet gemaakt.
Wie achter de dood gluurt, ontdekt daar de zonde en daarachter de wet. En wie achter het leven speurt, vindt daar de Heilige Geest en daarachter Jezus Christus. Dat zijn de achtergronden die aan Pasen reliëf geven.
Sommigen willen iets anders van Pasen, iets meer, naar zij menen. Een fijne natuurlijkheid, die als een hemelse ozon de atmosfeer zou bezwangeren en in oud-christelijke instellingen schier tastbaar aanwezig zou zijn. Dood en leven zouden hier in antieke zin twee mysteriën moeten heten en als zodanig tegen elkaar over staan. Achter de dood zou men dan iets anders moeten zoeken dan de zonde en de wet en achter het leven mysterieuzer machten dan de Heilige Geest en Jezus Christus. Want deze vier zijn in de gemeente meer bekend dan enig ander ding en vormen dus geen mysterie.