O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Rome als stad van PaulusGestalte en GeestComprehensiveness →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel IV · Boek 1: Paulus komt en Petrus gaat – Hervormde overpeinzingen · p. 444–447

Bisschop en presbyter

In het vorige hoofdstuk heb ik enkele aanhalingen gedaan van rooms-katholieke zijde om mijn uitlatingen over het wezen en de toekomst van die zijde en van het daar geldende pauselijk systeem enige meerdere dichtheid bij te brengen. Thans wil ik datzelfde doen door het maken van enkele opmerkingen over de kerkgeschiedenis in de laatste eeuwen voor de Reformatie. De overgang van de bisschop naar de presbyter is niet maar enkel een dialectische en ideële. En wanneer hij door toedoen van Calvijn voltrokken wordt, dan is dat niet zonder meer een exegetische uitkomst. Zo licht en in het ledige draait het rad der kerkhistorie niet, als het een volle tand moet worden verzet. Het wordt dan van een werkelijke, in die tijd aanwezige bisschop op een wezenlijke, in die tijd voorradige presbyter gezet.

Het verwondert mij steeds, dat men daarmee in de discussies over kerkorde en liturgie zo weinig rekening houdt. Hier is van toepassing wat ik vroeger heb opgemerkt over het indirecte in de afleiding uit de Heilige Schrift, als het gaat over orde en dienst. Fundamentalisme - zo merkte ik op - moest hier vooral geweerd. De structuur-verbanden lagen hier heel duidelijk in de historische lijn.

Wanneer men, voor kerkorde, over een tijdeloze bisschop gaat praten of over liturgie, zonder daarbij te letten op het verschil tussen de dom te Keulen en het kleinste dorpskerkje, dan geeft dat uitkomsten van twijfelachtige waarde. De bisschoppen in de oude kerk waren theologen, vaak zeer grote, zoals Athanasius en Augustinus. De oorsprong van hun ambt was een charismatische. Men heeft bij hen gesproken van een "ambtelijke geestelijke gave".138 Deze geestelijke gave wil men nu door handoplegging zien overgebracht op een opvolger. De successie zou daardoor dan een geestelijk karakter krijgen.

Nu wil echter het geval, dat het episcopaat in de middeleeuwen dat geestelijke karakter bijna geheel verloren heeft. Sedert de twaalfde eeuw hielden de bisschoppen op theologen te zijn en in verband daarmee werd het preken voor hen ook hoe langer hoe meer een ongewoon werk. Deze middeleeuwse bisschoppen werden aanvankelijk, in het feodale stelsel, een soort kerkvorsten. Zij hadden de opperste leiding van hun diocees; alleen enkele kerkelijke handelingen zoals de confirmatie, de consecratie en de ordinatie bleven hun voorbehouden. Maar behalve deze laatste drie meer magische verrichtingen ontging het echt-geestelijke hoe langer hoe meer aan hun arbeid.

Dit werd niet beter toen, na de bekende strijd over de investituur, de kerk haar rechten had heroverd en de pauselijke macht tot volle ontplooiing kwam. Door de ontwikkeling van het canonieke recht werd de kerk de eerste moderne staat in Europa. De verhoudingen werden steeds meer in de juridische sfeer getrokken en in die sfeer ontstond een uitgebreide ambtenarenstand, in dit geval een clerus. De bepalingen van het canonieke recht hadden bijna zonder uitzondering betrekking op die clerus en leken vielen daarbuiten. Hadden deze laatsten in ]sommige gevallen op de diocesale synodes nog contact met de bisschop en kwamen daar ook nog geestelijke dingen ter sprake, zo werd tegen het eind der middeleeuwen op zulke vergaderingen bijna uitsluitend gehandeld over clericale aangelegenheden en verloren leken hun belangstelling voor deze bijeenkomsten.

Zo kwam het te gebeuren, dat in de staat het verkeer tussen overheid en volk nog persoonlijker en geestelijken bleef dan tussen het episcopaat en de gemeente in de kerk. De bisschop werd bijna geheel een administrateur, die zich tenslotte ook voor de kerkelijke handelingen, die hem nog gebleven waren, liet vervangen. Bij de eigenlijke zielzorg was hij niet meer betrokken. En zo was dan het verval van theoloog en zielzorgen tot administrateur en bureaucraat, waarvoor Augustinus reeds zo bang was, thans een feit geworden.

Dit is de werkelijke, in de dagen der Reformatie aanwezige bisschop, waarop ik in het begin van dit artikel doelde. Wij moeten nu op zoek gaan naar de wezenlijke, in die tijd voorradige presbyter, die ik daarnaast noemde.

Sedert de dagen van Karel de Grote is West-Europa intensief georganiseerd op de zielzorg. Het streven is geweest om die zorg tot in de kleinste en meest verwijderde plaatsen te verwezenlijken. De sacramenten moesten overal worden bediend; maar ook het Woord overal gepredikt. In toenemende mate heeft men zich ook voor dit laatste ingespannen. En dit streven naar een algemene zielzorg is gelukt. Anticiperende kan men zeggen, dat West-Europa in de loop der middeleeuwen is overdekt met predikantsplaatsen. Overal werden dominees beroepen; zorgde de kerk er niet voor, dan hielpen de mensen zichzelf.

Ik zei, dat ik anticipeerde, toen ik sprak van dominees. Dit is inderdaad het geval. De kerk heeft bij haar zorg voor de dienst des Woords met grotere moeilijkheden te kampen gehad dan bij die voor de sacramenten. De pastoors misten veelal de nodige kennis voor het houden van een goede preek. Men hielp hen door aanbieding van modellen, die veelal aan de kerkvaders waren ontleend. Maar het preken is toch nooit het sterke punt van de toenmalige pastoors geworden. De juridische sfeer, waarin de officiële kerk was geraakt, werkte ook niet mee bij deze meer persoonlijke zijde van de zielzorg. De kerk was te zeer tot gevestigde stand gekomen om een evangelie te kunnen prediken.

Hier hebben nu de grote predikers van de bedelorden ingegrepen, een Bertold en een Eckart. Ook Tauler, die door Luther graag gelezen werd. En dan ... Luther zelf. Deze spontane doorbraak van het Woord moest in de kerk wel bedenking wekken. "De pastoors kwamen op voor het recht van hun ambt en de monnikenorden voor het recht van het werk, waarvoor zij stonden."139 Het strekt de pausen tot eer, dat zij vaak op de hand waren van de orden en dus oog bleken te hebben voor de noodzakelijkheid van deze doorbraak. Toen Luther echter met de hele Brief aan de Romeinen te voorschijn kwam, bleken zij niet op de hoogte te staan van Romes mystische bestemming.

De presbyteriale kerkorde staat in een zeker organisch verband met genoemde brief. Successie en traditie, opvolging en overlevering zijn bij Paulus van het recht op de Geest overgeschakeld. Zij volgen de lijn van de prediking en van het geloof. Deze kerkorde was, als figuur, in West-Europa ook reeds lang inheems. In een land als het Afrika van Augustinus, dat met steden was bezaaid en dat krioelde van bisschoppen, kon de successie een zekere aanschouwelijkheid hebben. Maar wanneer het episcopaat een zo brede voet krijgt in het pastoraat, als dat in noordelijker landen het geval is, gaat dat beeld verloren. Men ziet niet, waarom de Geest de zuiverjuridische weg zou moeten volgen, over absoluut administratieve figuren, buiten alle zielzorg om en buiten de prediking om en waarom Hi zou moeten mijden degenen, aan wie deze waren opgedragen, hetzij dan ambtelijk, zoals bij de pastoors, of ordelijk, zoals bij de monniken. Calvijn heeft niets anders gedaan dan deze administrateurs met hun lijsten en juridische ficties terzijde te schuiven en de Geest in zijn rechten te herstellen. Voor hem was 'een prediker iemand "uit het stof verrezen".140 Grondregel van kerkorde was, dat geen boven de ander mocht staan. Naast deze lerende presbyter kwam te Genève de regerende te staan. Hij was ook - wat ik noemde - voorradig. Wij hoorden, in het vorige hoofdstuk, Newman om leken roepen tegenover de bisschoppen. Welnu, zij hadden zich te Genève reeds tegenover het episcopaat gepresenteerd en in de presbyteriale kerkorde een plaats gekregen.

Wij zagen hoe de leken in de middeleeuwen, door de clericalisering van het kerkelijk leven, op de achtergrond waren geraakt. Uit de synodes waren zij vrijwel verdwenen. Maar zij komen, buiten de clerus om, weer naar voren. Ik noem enkele punten, waarop dit het geval was, vooral in de steden.

Zo het kiesrecht, de inrichting van wijkgemeenten, de kerkvoogdij, de armenzorg, de ziekenverpleging, het onderwijs, de rechtspraak, het opzicht over de zeden. Men ziet in deze opsomming het consistorie te Genève reeds voor zich opdoemen. Dit alles was zijdelings anti-clericaal, anti-bisschoppelijk. Het was voorradig, toen Calvijn het consistorie instelde.

Eindnoten

  1. 138

    Waarschijnlijk doelt Noordmans hier op de karakteristiek van de bisschop als 'beamteter Pneurnatiker' bij H. Lietzmann, Geschichte der alten Kirche, Berlijn 19532 p. 49: " ... dem alten ungebundenen Propheten wird hier im Bischof der beamtete Pneumatiker entgegengestellt."↩

  2. 139

    A. Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands, dl. 5, Leipzig 1920, p. 327.↩

  3. 140

    Inst. IV, 3, 1: "Homuncio quispiam e pulvere emersus."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Rome als stad van PaulusGestalte en GeestComprehensiveness →