Beteuterde christenen
Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?
Handelingen 1 : 6 (Vert. NBG.)
Het is kort voor Jezus' hemelvaart, dat de discipelen deze vraag tot de Heer richten. Zij voelen het al aankomen, dat Hij hen spoedig zal verlaten en nu is er nog niets gebeurd van wat zij zo vurig gehoopt hadden: de komst van het Koninkrijk onder Israël. De Emmaüsgangers hadden het ook gezegd, dat zij in de hoop leefden, dat Jezus het was, die Israël verlossen zou (Luk. 24 : 21).
Hoe zij zich dat precies voorstelden, is moeilijk te zeggen. Maar zeker is, dat ook de anderen, evenals die Emmaüsgangers, daarbij niet voldoende rekening hielden met alles, wat de profeten gesproken hadden (Luk. ⚑24 : 25). Zij zagen over het hoofd, welk een grote plaats het lijden daarin bekleedde. Wanneer zij dachten of spraken over dat koninkrijk of koningschap Gods, dan zwollen hun harten van vreugde en verwachting. Het ging hun, zoals het vele latere christenen ging, als zij het zo druk konden hebben over het koninkrijk Gods. Vooral in Angelsaksische landen hadden de woorden 'the Kingdom of God' zulk een min of meer gezwollen klank. Daarmee werd alles aangeduid wat op een nabije verlossing heenwees. En de arbeid in de 'wijngaard des Heren' stelde men zich het liefste voor met de zon bijna in het nest en de schelling in het naaste verschiet (Luk. 20 : 9). Aan de uren in die wijngaard, dat de dag zwaar was en de zon hoog stond, terwijl de schelling nog verre was, dacht men minder. Men sprak te lichtvaardig over 'koninkrijk' en 'wijngaard'. Iedere moederszoon, die 'met de bijbel' op het pad ging, achtte zich een stedehouder van Koning Jezus en een arbeider in zijn wijngaard.
Het valt niet te miskennen, dat daarachter in vele gevallen, en ook wel achter dit christendom in zijn geheel, een beminnelijk enthousiasme en een weldadig optimisme scholen, die wij nu vaak pijnlijk missen. Maar de lichtvaardigheid, waarover ik sprak, valt er, van onze meer eschatologische tijd uit gezien, te duidelijk aan te ontdekken, dan dat wij ze, zonder meer, zouden terugverlangen. In die tijd had het Koninkrijk een te menselijke vorm aangenomen. De arbeid in de wijngaard werd te zeer een geestelijke sport. Het Evangelie werd te veel tot christendom, een eigengemaakte vorm van dat Evangelie. En een christen heette men al spoedig, als men geen Jood en geen heiden was.
Misschien hebben wij er in de twintigste eeuw iets meer van verstaan, dat de komst van Gods koningschap de borst niet altijd doet zwellen, maar het hart soms ook doet ineenkrimpen. Jezus geeft dan ook geen regelrecht antwoord op de vraag van de discipelen. Hij zegt: Dat moet ge maar aan de Vader overlaten. Die gaat daarover. Wat gij te doen hebt is, de Heilige Geest ontvangen en mijn getuigen zijn te Jeruzalem en verder tot het uiterste der aarde (vs. 8). En dat getuige-zijn zal voor velen van hen betekenen: martelaar-zijn. Getuige en martelaar wordt in de christenheid door hetzelfde woord betekend.
Zo krijgt het koningschap Gods ook een beklemmende zin. Een christen is, om te beginnen, een beteuterd mens. Het koningschap Gods wordt in het teken van de hemelvaart gesteld. Jezus verlaat de zijnen. Hij moest lijden en Hij heeft nu geleden. Nu moeten zij lijden; zijn getuigen zijn.
Zij zullen moeten leren, dat Hij een nederige God is. Ook zijn regering ziet er nederig uit. Van een zitten aan zijn rechter- en linkerhand, op tronen, is geen sprake (Mark. 10 : 35-45). Daartoe behoort ook, dat zij Hem niet meer zullen zien. Hij is een verborgen God, zonder uiterlijke schittering. Hun enige heerlijkheid zal de Heilige Geest zijn. De gaven des Geestes (1 Kor. ⚑12) en de vruchten des Geestes (Gal. 5: 22). Die gaven maken ook niet opgeblazen (1 Kor. 13 : 4); de minste is de meeste, de liefde. En zo is het ook met de vruchten, de liefde staat voorop.
Men kan zeggen dat onze eeuw bijzonderlijk in het teken van de Hemelvaart staat. Waarom hebt Gij ons verlaten? denkt de gemeente. En die gemeente is groter dan men meent. Dit is ook een geloofsbelijdenis. Maar het is er een van beteuterde christenen; twintigste-eeuwse gelovigen. Minder zelfverzekerd dan die van een vorige eeuw en aan andere tekenen kenbaar; een meer verborgen gemeente.
Is er een wijngaard des Heren en kan men er in werken? Valt er, met een hele dag werken, nog wel een schelling te verdienen? Waarom werkt Jezus er zelf niet meer in? - Twijfelmoedige vragen! Het antwoord komt van de Geest. Het zijn gaven en vruchten. Hier en daar als in een gaard, een tuin; overal. Ik heb veertigjaar lang een tuin gehad; maar ik heb de zon ook nooit zelf in mijn tuin zien arbeiden. En toch kiemde en botte en groeide en bloeide het altijd en overal. - Zo is de gemeente, in het verborgen, vaak zonder het te weten, "als een bruid, die voor haar man versierd is" (Openb. 21 : 2).