Afscheid
En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde.
Lukas 24 : 51 (Vert. NBG.)
Het verhaal van Jezus' heengaan, zoals het eerste boek van Lukas dat geeft, is heel kort en sober. Het laatste gedeelte van vers 51, zoals de Statenvertaling het heeft, en waarin de eigenlijke hemelvaart genoemd wordt, komt in de beste handschriften niet voor en wordt in de meeste nieuwere vertalingen dan ook weggelaten. Daardoor houdt dit bericht nog meer het karakter van een afsluiting van het Evangelie. Men zou het kunnen rekenen bij de andere verhalen, die op de opstanding betrekking hebben, en het kunnen tellen bij de verschijningen, die ons in de laatste hoofdstukken der evangeliën worden medegedeeld. Daartegenover hoort dan het verhaal van de hemelvaart, gelijk dat in Handelingen gegeven wordt, reeds bij het pinksterevangelie en bij de geschiedenis van de apostolische kerk.
Zoals het Evangelie dan hier luidt, valt de nadruk op het afscheid dat Jezus van zijn discipelen neemt. En dan treft ons daarbij dadelijk, dat het een afscheid-met-blijdschap is. Meestal doet scheiden pijn. Van Paulus is ons ook een afscheid bekend, dat hij neemt van de gemeente te Efese. Daar komen tranen bij te pas, vooral omdat hij hun gezegd had, dat zij hem niet weer zouden zien.
Niets van dit alles is het geval bij Jezus' heengaan. Als wij niets van de evangeliën hadden dan deze slotverzen van Lukas, dan zou dat reeds genoeg zijn om te kunnen weten, dat het hier niet gegaan kan hebben om het einde van een aardse historie, maar dat deze dingen geschreven zijn, opdat wij zouden geloven dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat wij, gelovende, het leven zouden hebben in zijn naam (Joh. 20 : 31). Dit afscheid van Jezus vertoont gelijkenis met wat vroeger in datzelfde hoofdstuk is meegedeeld. Daar lezen wij: "En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, dat Hij het brood nam en het zegende; en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun; en hunne ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht" (Luk. 24 : 30 v.). Ook daar is sprake van zegenen en ook dan volgt op de zegen dadelijk de scheiding. Zegenen en scheiden vallen daar zelfs samen. - Zo is het ook bij het laatste heengaan. "En het geschiedde" - zo luiden onze tekstwoorden - "terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde." En beide keren, zowel bij het heengaan van de Emmaüsgangers als nu in Bethanië, is de scheiding een reden tot blijdschap en niet tot droefheid. Zij betekent een herkenning in de hoogste zin. De scheiding is tevens een verschijning, een theofanie, een reden om te roepen: mijn Heer en mijn God! (Joh. 20 : 28), of, zoals het in de eerste gemeenten heette: Jezus is Here (1 Kor. 12 : 3 Vert. NBG.).
In de Handelingen der Apostelen, in de eerste beide hoofdstukken van het tweede boek van Lukas, zal deze tweeëenheid van scheiden en verschijnen haar volle gestalte krijgen. Zij zal dan openbaar worden als de hemelvaart van Jezus en de daarmee verbonden uitstorting des Heiligen Geestes. Het wonder dezer verbinding van afscheid en blijdschap zal daarin zijn verklaring vinden. De zegen, die Jezus geeft, is immers eigenlijk reeds de Heilige Geest, die de ogen opent en de harten brandende maakt (Luk. 24 : 31 v.). Het staat er bij Johannes ook met zoveel woorden: "En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest" (20 : 22). En het scheiden onder deze zegen, het wegkomen uit hun gezicht, zoals wij het Lukas hoorden noemen, is het plaats-maken voor de Trooster, die hun alles leren zal (Joh. 14 : 26). Wat hier, bij een te menselijke lezing van de evangeliën, een psychologisch raadsel lijkt of een occult gebeuren, is in werkelijkheid niet anders dan een regel in de economie, de huishouding der goddelijke Drieëenheid. Het geschiedt in het volle licht der openbaring. En het beste bewijs daarvoor is het feit, dat het zich pas laat prediken, als het deze volle gestalte heeft gekregen. Dan pas worden de tongen los. Dan gaat het Pinksteren worden. Dan blijkt het, dat dit is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, die wij van node hebben en waarom wij moeten bidden.
Dat blijkt ook reeds in de evangeliën. Als de Emmaüsgangers Jezus herkend hebben en als Hij uit hun gezicht is weggekomen, dan keren zij, ondanks het late uur, nog naar Jeruzalem terug om het te vertellen. En als Jezus te Bethanië van de discipelen gescheiden is, dan keren zij weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. - Maar dat het Evangelie de voeten schoeit met bereidheid van het Evangelie des vredes (Ef. 6 : 15), dat blijkt toch pas goed, als de apostelen hun loop tot het einde der aarde beginnen, om het Evangelie te prediken aan alle creaturen. Dan wordt het ook pas geheel duidelijk hoe scheiden hier geen pijn, maar blijdschap kan wekken. De Heilige Geest en het bezit van de Heilige Geest zijn allereerst en allermeest kenbaar aan de vreugde die zij geven.
Hoe armelijk en hoe somber doet het iemand daartegenover aan, als men de mensen ziet terugkeren "naar de eerste beginselen der wereld en niet naar Christus" (Kol. 2 : 8). Als wij niet voorwaarts gaan "totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Ef. 4 : 13 Vert. NBG.). - Dit terugkeren heeft plaats, als wij ons de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen (Matth. 13 : 11) in de evangeliën niet door de Vader laten openbaren en niet door de Heilige Geest laten uitleggen, zoals in het pinksterevangelie geschiedt, maar er zelf mee teruggaan naar die "eerste beginselen der wereld". Naar de zielkunde en naar het occultisme. Men kent de verklaringen, die dan van het Evangelie gegeven worden. Dan komen van alle kanten de schaduwen aansluipen. Het graf herneemt dan zijn rechten en het vrezen en beven, dat er bij de discipelen was op de morgen van de opstanding, komt dan in de plaats van het geloof en de hoop. Er is uit de laatste hoofdstukken der evangeliën slechts één weg. Dat is die, welke leidt naar Handelingen 1 en 2.
Op die weg leert de gemeente het verband kennen, dat er bestaat tussen het afscheid van Jezus en de komst van de Heilige Geest.