Boek 1: Gods gestalte
Advent
Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; dat zal u de kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.
Genesis 3 : 15 (Vert. NBG.)
Deze plaats wordt wel eens de moederbelofte genoemd, omdat zij de eerste adventstekst in de bijbel is. De kerk heeft haar zo gelezen, dat zij zou slaan op Jezus, geworden uit een vrouw (Gal. 4: 4). Men kan deze woorden natuurlijk ook wel lezen als een spreuk uit de natuurlijke historie van mensen en dieren. Maar ook al zouden ze daarvoor eens gediend hebben, dan moeten zij toch, nu zij eenmaal in het Oude Testament zijn opgenomen, meer betekenen. Aan de regel, die de kerkvader Augustinus heeft opgesteld, dat het Nieuwe Testament verborgen is in het Oude,14⌫ kan eigenlijk niets, dat in dat laatste voorkomt, zich onttrekken. Het boek Genesis is door de Israëlitische kerk reeds bedoeld als heilsgeschiedenis. De eerste beloften van God aan de vaderen staan er in vermeld. Het is geen kroniek zonder meer, maar het dient als achtergrond van de beschrijving van Israëls uittocht uit Egypte. Abraham zocht ook reeds een vaderland (Hebr. 11 : 14). En dat heeft Israël in de woestijn weer gedaan en dat is het blijven doen en doet het nog. Maar in het Nieuwe Testament staat dit verborgene open (Augustinus).15⌫ Het wordt er verklaard. Daar wordt het beloofde land, het hemelse vaderland, getoond (Hebr. 11 : 16). Wij bidden nu: Onze Vader, die in de hemelen zijt.
Zo staat het nu ook met de slang en de vrouw in Genesis 3. Het verhaal moet een zin hebben, die pas uit het Nieuwe Testament volkomen kan worden verstaan.
Ander materiaal heeft de oudtestamentische kerk niet opgenomen. Het boek Genesis zou niet canoniek zijn, het zou aan de regel der kerk niet voldoen, als dit wel het geval was. De slang maakt scheiding tussen de Schepper en de mensen. Zij is het symbool van de zondeval. Zij is de eerste die storing brengt in Gods werk; de eerste die er van ter zijde tussen komt met iets waarop, om zo te zeggen, God en de mensen niet gerekend hadden. ⚑Daarom kan ook pas hier, in Genesis 3, van de moederbelofte gesproken worden. Eerst tegenover de slang kunnen de eerste schaduwen van Jezus' komst zich in de bijbel aftekenen.
Men kan wel proberen Jezus van huis uit een plaats in de schepping te geven. Of een gelijkenis aan te wijzen tussen Hem en de naar Gods beeld geschapen mens. Maar dan krijgen wij toch het beeld niet te zien, dat de evangeliën ons van Hem tekenen. Daar zien wij Jezus het best uitkomen tegenover tollenaren en zondaren. Om hen zalig te maken is Hij op aarde gekomen (Joh. 3 : 16).
In de moederbelofte krijgen wij nog niet veel van Jezus te zien. Zijn aangezicht, vol van genade en waarheid (Joh. 1 : 14), blijft ons nog verborgen. Alleen zijn hiel wordt ons nog maar getoond; de verzenen, waarmee Hij de kop van de slang vermorzelt. Maar wij herkennen Hem toch daaraan, zoals ik eens een academievriend herkende aan zijn hiel, die op een hoek van de straat nog juist zichtbaar was, nadat ik hem in jaren niet had gezien. Deze hiel van Jezus uit het boek Genesis neemt het reeds op voor een zondige vrouw, zoals zijn vinger dat zal doen in het Evangelie (Joh. 8 : 1 -11). Deze hiel maakt scheiding tussen de vrouw en haar zonde; zij vertrapt de zonde, waarbij zij zelve het slachtoffer wordt, maar de vrouw laat Hij heengaan met een: "Zó veroordeel ik u ook niet; ga henen en zondig niet meer" (Joh. 8 : 11).
Wij zien in onze verbeelding, als de moederbelofte is uitgesproken, de slang geruisloos wegschuifelen, zoals de aanklagers uit het verhaal van Johannes; die door Jezus zelfs niet worden aangekeken. Maar Eva blijft staan, "in 't midden" (Joh. 8 : 9), en God zal haar aangezien hebben, zoals Jezus het die andere vrouw deed, en in haar de moeder gezien hebben van het beloofde zaad. Zij, die het onderscheid tussen goed en kwaad zo goed weten (Gen. 3 : 5; Joh. 8 : 5), waar het anderen geldt, moeten kruipen in het stof, waaruit zij genomen zijn. Maar die de zonde dragen in hun eigen lichaam, zoals Eva (Gen. 3 : 16) en zoals Jezus later zelf, die mogen opstaan en staan en gaan om niet meer te zondigen (Joh. 8 : 11). Er bestaat geen rechte evenredigheid tussen Adam en Christus. Men mag niet zeggen: Adam is geschapen, nu zal Christus straks wel komen. Christus is geen schepsel, in geen enkele, al is het ook nog zo verhevene zin. Hij is de Zoon, van hetzelfde wezen als de Vader. Wie Hij is kan men niet aan de mens zien en wie de mens is, kan men niet aan Hem zien. Pas toen de mens gevallen was, werd er voor het eerst iets van Christus merkbaar. Toen de zonde, op onverklaarbare wijze, in de wereld gekomen was, toen pas is ook zijn komen, zijn advent, begonnen.
Wie die komst wil verklaren, kan haar alleen uit de zonde afleiden. De motieven, die Hem in de wereld hebben gebracht, liggen in de schepping niet besloten. Zij zijn van een andere orde. Barmhartigheid, medelijden met onze zwakheden (Hebr. 4 : 15), vergeving, genade, vertroosting, dat zijn de goddelijke redenen, waarom Hij is begonnen te komen. Toen de zonde gekomen was, heeft de Zoon gedacht: Dan kom Ik ook! Zo is - zegt Paulus - Gods goedheid "veel meer overvloedig geworden" (Rom. 5 : 20). Jezus' hiel is barmhartiger dan Adams hart. Daarvan getuigt elke bladzijde der evangeliën.