O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De Wijzen uit het oostenGedrukte preken en overdenkingenHet Woord is vlees geworden →

Verzamelde Werken, deel 7 · Gedrukte preken en overdenkingen · p. 490–496

Preek over Jesaja 57: 15

Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij die, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make de geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden

Jesaja 57 : 15

In de profetieën van Jesaja komt de majesteit Gods sterk naar voren. De hoogheid en de verhevenheid Gods. De wereld heet daar een druppel aan een emmer en een stofje aan een weegschaal (Jes. 40 : 15). De eeuwen, die door onze geschiedenis gevuld worden, doen de oceaan van Gods eeuwigheid niet voller worden. En de wil Gods drukt zo zwaar op de weegschaal van het gebeuren, dat het mensenwerk daarbij vergeleken niet meer betekent dan een stofje. Maar vooral is het de heiligheid Gods, die Jesaja predikt. Dat is ook geen wonder. Door deze deugd van God is hij tot een profeet geworden. Het Trishagion der hemelse serafs, dat hij hoorde bij zijn roeping, is hem levenslang bijgebleven. Deze deugden Gods mogen in de gemeente nooit vergeten worden. De kerk is geroepen om ze te verkondigen, omdat God ons uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht (1 Petr. 2 : 9). Wij zijn schepselen en Hij is de Schepper. Wij hebben onze bestemming niet in onszelf, maar zijn er om God te eren. Ook als wij met God gemeenzaam zijn, dan betekent dat toch niet dat wij familiaar tegenover Hem mogen zijn. Als Hij onze Vader heet, dan blijft het toch God de Vader.

Eerbiedig zijn is daarom een van de eerste dingen, die een kind van God moet leren. De knieën te buigen en de handen te vouwen. Het jongere geslacht mag dat nooit vergeten. Verstaat het nog even goed de heilige kunst van bukken en buigen als grootvader en grootmoeder? Soms lijkt dit niet het geval te zijn. Maar misschien schijnt dit maar zo. Wij vragen alleen maar. En bij de eerbied hoort de tucht. Zij mag uit de gemeente, uit het gezin niet verdwijnen. De grens tussen gemeente en wereld mag niet verflauwen. De vraag naar het geoorloofde mag niet ophouden. Is het besef daarvan nog levendig? Men zou het soms moeten betwijfelen. Maar ook nu kunnen wij ons daarin vergissen.

Hoe dit ook moge zijn, wij worden als gemeente opgeroepen om met de heilige engelen mee te doen en Gods naam te heiligen. Welk een eer voor zondige mensen, gevallen kinderen van Adam! Want welk een verschil is er tussen de gedienstige geesten die, zoals de kerkvader Augustinus zegt, tegelijk met hun natuur, de genade hebben ontvangen, en ons. Immers wij dragen de naam van heiligen slechts als een geschenk. Bijbelheiligen zijn Tamar, Rachab, David. Hun zonden staan geboekt op het heilig blad. - Hoe zullen wij de kunst leren om met de engelen mee te doen in het heiligen van Gods naam? Hoe zullen wij ooit eerbiedig kunnen worden, zoals het behoort? Hier ligt het grote gevaar voor ons geloofsleven. De grootste hinderpaal om zalig te worden. Wanneer wij op dit punt het Woord Gods niet recht verstaan, zullen wij verloren gaan. Het ABC van het Evangelie moet de Heilige Geest ons leren.

Het gevaar waarop ik doelde, bestaat hierin, dat wij zullen proberen uit de verte met de engelen mee te doen en vergeten dat God zijn naam hier ook op aarde geheiligd wil hebben. Wij zouden het dan kunnen leren, zoals men een kunst leert; zoals men mooi kan leren zingen, zouden wij kunnen trachten mooi te leren bidden; God op indrukwekkende wijze, zonder een kruis op ons te nemen, te eren. Wij zouden het er een heel eind in kunnen brengen en de mensen hebben het op allerlei wijze op die manier geprobeerd. Zij zochten dan een houding te vinden, waarin zij hun leven trachtten te vergeestelijken, zodat zij meer op engelen gingen lijken dan op werkelijke mensen. Het klooster is één van zulke pogingen; maar er zijn er veel meer op allerhande wijze. Het kenmerk van al die manieren is een ontvluchten van het kruis. Jezus heeft dat niet gewild. Toen Hij op de tinne des tempels stond in de verzoeking en Golgotha kon zien liggen, heeft Hij geweigerd om op de wijze van een engel van de tempel naar beneden te dalen (Mt. 4 : 5 vv.). Hij heeft de Via Dolorosa gekozen.

Gods heiligheid is een praktische deugd. Zij komt naar ons toe in ons aardse leven en daar krijgen wij er genoeg moeite mee. Hem uit de verte te heiligen, wordt niet van ons gevraagd. Wij behoeven in de hemel niet op te klimmen en kunnen het ook niet. Wij zijn zondige mensen. God komt tot ons in Christus. En dan begint onze ergernis. Dan merken wij dat het heiligen van Gods naam geen kunst is, die men leren kan. Men moet heilig zijn om het te kunnen. Een houding van heiligheid aan te nemen is niet alleen onvoldoende: God vindt het een gruwel.

Daarom komt God in ons leven met de praktijk van zijn heiligheid en dan begint onze ergernis. Want Hij is zo anders dan wij. Wij hebben er zoveel moeite mee om Hem God te laten blijven. Daarom ligt het hele Evangelie impliciet al in het eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben (Ex. 20 : 3). Wij moeten toelaten, dat God zichzelf blijft als Hij in ons leven komt. Ons heiligen van zijn naam bestaat hierin dat wij ons aan Hem niet ergeren. Wij moeten Hem God laten zijn en Hem plaats inruimen in ons leven. Wij kunnen gerust op onze plaats blijven; God komt wel tot ons. Daarmee hebben wij onze moeite. Maar als wij het toelaten zijn alle moeilijkheden opgelost tot de dood toe. Want Hij is niet een God der doden, maar der levenden (Mt. 22 : 32). Als gij Hem maar God laat zijn in uw leven.

Maar het eerste waaraan wij merken dat God komt, is de ergernis. Want God is niet alleen anders, maar Hij denkt ook anders. En wij hadden altijd ook gedacht en dan was Gods gedachte hoger. En met die hogere gedachten bleef Hij niet in de hemel, maar zette alles om ons heen in onrust. En dan was de ergernis aan de gang. En God wil ook anders en Hij heeft ons toch ook een wil ingeschapen. Wat een pijn en smart als die twee willen niet overeenkomen.

Deze ergernis is zo groot dat zij de mensen in drieën verdeelt: goddelozen, heidenen en christenen. De eersten stellen hun eigen praktijk tegenover die van God. Zij laten God terzijde. God is toch in de hemel, zeggen zij, en wij zijn op de aarde. De engelen zullen er wel voor zorgen, dat zijn naam geheiligd wordt. Hij is anders dan wij: welnu, wij zijn anders dan Hij. De hemel is voor Hem, de aarde voor ons. Hij is heilig en wij zijn juist geen heiligen. Als wij toch een druppel aan de emmer zijn en een stofje aan de weegschaal, dan zullen wij 't van onze kant ook maar niet te zwaar opnemen. - De wereld is vol van deze praktische goddeloosheid.

Maar er zijn velen, die het daarbij niet willen laten. Zij willen wel rekening houden met Gods majesteit en heiligheid. Zij willen graag met de engelen meedoen. Zij willen graag van hun ergernis af zijn, van hun gevoel van verbrijzeling en vernedering, dat over hen komt, als God met zijn heiligheid in ons leven komt, zodat het anders wordt dan wij dachten en wilden. Zij willen trachten God weer in de hemel terug te brengen en Hem te dienen, alsof Hij daar thuis hoort en niet op de aarde. En dan zullen zij Hem daar uit de verte dienen, zoals de engelen het van nabij doen. Ze proberen hier een sfeer van heiligheid om zich heen te scheppen en te doen of zij in de hemel wonen. De zonde en de dood willen zij daarbij enige tijd vergeten en het kruis laten liggen. Men zoekt dan iets op te richten of in te richten om daardoor in letterlijke of figuurlijke zin wat dichter bij de hemel te wezen. Bijvoorbeeld een altaar te bouwen; dat is wat hoger dan de begane grond. Men kan daar dan iets op leggen en God zal het er misschien af nemen, als het Hem welgevallig is. Of een eredienst inrichten, waarin men heiligheid om zich heen voelt komen. Zo meent men God iets te kunnen geven, in plaats van in het gewone leven al maar door zijn ere te roven. Of men denkt wat voor Hem te kunnen doen in gewijde houding, zodat het gevoel van zonde in en om ons vermindert, in plaats van dat wij in het werk van iedere dag de zonde meerder maken. Alles om maar af te komen van het gevoel van verbrijzeling en vernedering, dat het leven over ons brengt en dat zo moeilijk is om te dragen.

Dit is het heidendom en de wereld is er even vol van, zo niet voller dan van de goddeloosheid. Het is een opgerichte heiligheid, waardoor men God op zijn plaats in de hemel wil laten en houden door zichzelf een beetje uit de zonde en de dood op te richten. Heidendom kan er schoon en verleidelijk uitzien. Het wil God de moeite besparen om zijn rust en glorie te verlaten en tot ons te komen in onze nood en onze ellende. Wanneer er geen Evangelie nodig was, had Jezus niet op aarde behoeven te komen. - leder weet hoe moeilijk deze heidense zuurdesem uit ons leven wordt uitgezuiverd. Hoe graag de mensen iets oprichten en inrichten, om zichzelf daarmee een weinig uit de zonde en de dood te verheffen. Het geeft hun al dadelijk een air van gewichtigheid en heiligheid. Men komt daarvan altijd onder de indruk, als men een rechte oprichter ontmoet. Hij heeft een niet te ontveinzen sfeer van eigengerechtigheid om zich heen. Zo weldadig het is een ware christen te ontmoeten, zo lastig en pijnlijk is het meestal iemand tegen te komen, die met deze zuurdesem is aangestoken.

Een christen is als zodanig lid van de kerk, meer niet. En de kerk hebben wij niet opgericht. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen, die er trots op was, dat hij gedoopt was. Hoe zou het ook, als men bedenkt dat het betekent: met Christus begraven te worden in de dood. Belijdenis doen geeft evenmin een gevoel van meerderheid of gewichtigheid. En aan het Avondmaal moeten wij als zondaars komen. Wij klimmen dan niet boven onze gewone staat uit, maar gaan zitten juist zoals wij zijn. En als wij heengaan hebben wij alleen te danken, niet te roemen. En toch, hoe moeilijk is het ook nog om als kerklid een eenvoudig en oprecht christen te zijn. Het heidendom zoekt altijd een voeg tussen Christus en zijn gemeente. In de Handelingen der Apostelen lezen wij dat dit altijd zo geweest is. Soms moet Paulus Petrus bestraffen, de ene apostel de andere. En hoe zal het dan wel met ons zijn? Wij zingen ook wel graag onze zorgen weg, zonder dat zij werkelijk weggenomen worden. Dat betekent dan dat wij er onszelf een beetje uit oprichten, terwijl God er ons uit moet opnemen. - Zo doen wij ook wel met onze zonden. Wij hebben wel graag een opgewekte eredienst, zonder dat wij daarbij altijd verzekerd worden dat onze zonden vergeven zijn. Wij gebruiken de dienst dan om te ontvluchten aan het gevoel van verbrijzeling en vernedering, dat het leven ons brengt. Voor de werkelijkheid komt dan een stemming, een sfeer, die wij spoedig genoeg weer moeten verlaten, zonder dat wij de nieuwe mens hebben aangedaan.

Dat is echter niet Gods bedoeling. Hij is een Heer der werkelijkheid, Schepper des hemels en der aarde. Hij is de Vader van onze Heer Jezus Christus, die de blinden, doven, kreupelen, van de duivel bezetenen en de doden helpt door zijn Zoon. Hij doet meer dan stemming maken. Hij is de Herschepper en Hij vergeeft de zonden, zodat wij macht ontvangen zijn kinderen genaamd te worden (vgl. Joh. 1 : 12). Het Evangelie is een wereld vol werkelijkheid en er is vergelijkenderwijs weinig stemming in. "Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook", zegt Jezus (Joh. 5 : 17). Wij mogen het zakelijke in het Evangelie niet door het mooie, het rustige, zelfs niet door het stichtelijke vervangen. Het Evangelie is van boven naar beneden gericht en niet omgekeerd. Gods heiligheid is een praktische deugd en zij zal ons altijd ergeren of werkelijk zalig maken. Er zal altijd iets door geschieden in ons leven. - Dat wordt ook reeds betekend door de Israëlitische eredienst. Wanneer deze te veel wordt een beschouwende heiligheid, een dienen van God uit de verte, een zichzelf uit de zonde oprichten van de mens, dan laat God door de profeten zeggen dat Hij hun verbodsdagen niet mag rieken; dat Hij zat is van hun brandoffers; dat Hij ze haat en zij ze van Hem weg moeten doen (vgl. Am. 5 : 21 vv.). Hier juist loopt de grens tussen het Oude Testament en het heidendom.

Maar heeft Jezus ons dan zelf in het Onze Vader (Mt. 6 : 9-13) niet geleerd ons te verheffen tot onze Vader, die in de hemelen is en zijn naam te heiligen? Ligt daarin niet een uitnodiging om met de engelen mede te doen? Het lijkt maar zo. Want op die eerste bede volgt dadelijk de tweede, die haar bedoeling verduidelijkt: Uw Koninkrijk kome. Het moet komen op aarde, want in de hemel is het al. De richting van het Onze Vader blijkt al spoedig van boven naar beneden te zijn. De derde bede maakt dat woordelijk duidelijk: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde. En dan komen na de rijksbeden, de persoonlijke. Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is al zo zakelijk en eenvoudig mogelijk. Hier zijn wij midden in de beslommeringen van ons dagelijks leven. Maar daar gaat het gebed niet mee verder: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Wanneer dit recht gebeden wil zijn, dan moet de verbrijzeling des harten er wezen, die wij zo gaarne zouden ontvlieden. - En dan tenslotte: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Hier zijn wij op de zool van het leven aangekomen. Onze vernedering is midden tussen de omleidingen des duivels zo duidelijk, dat de zin van het heiligen van Gods naam niet meer twijfelachtig kan zijn. - Onze eredienst met de engelen samen is lelijk gekanteld. Daar zijn wij uit onze eigengemaakte hemel gevallen. De nood was nog niet weg; de zonde nog niet vergeven. De duivel was nog de overste der wereld. Er ligt niet veel op ons altaar om God aan te bieden. Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Amen. Dat is de slotsom van het hele gebed.

Zo leren het ook onze tekstwoorden: Want alzo zegt de Here, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij die, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make de geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden. - Zulk een verbrijzeld hart, zulk een nederige geest is het enige dat wij Gode ten offer kunnen brengen. Het is de enige stemming, die er in onze eredienst past; de enige heiligheid, die wij daar als kleed mogen aantrekken. En wanneer dat het geval is, dan is het geen stemming meer in de gewone zin van het woord. Het is een zakelijke gesteldheid; de keerzijde van Gods aanwezigheid en van de werking van zijn Geest; een teken van zijn inwoning. Het is een aanwijzing, dat zijn hulp nabij is en dat Gods heerlijkheid onze zonden bedekt. Want wie zou zich dan nog zelf uit zijn zonde en dood willen oprichten? God maakt de geest der nederigen levend en zo doet Hij ook het hart der verbrijzelden.

Gods majesteit en heiligheid worden gezien in de hemel; Hij woont in de hoogte en in het heilige, waar de serafs hun aangezicht met hun vleugelen bedekken. Maar Hij woont ook bij de nederigen van geest en de verbrijzelden van hart. En dan komen zijn majesteit en heiligheid op het schoonst uit, als Hij hen levend maakt. De engelen weten dat ook. Zij roepen het 'driemaal-heilig' uit voor Gods troon. Maar als er een zondaar zich bekeert en als God leven gunt aan zijn geest, dan buigen zij zich ten hemelvenster uit om daarvan getuige te zijn en er is grote blijdschap in de hemel (vgl. Lk. 15 : 10). Zij weten, dat dan de naam Gods geheiligd wordt. Zij weten hoe Jezus het Onze Vader bedoelt. - Was het anders, dan zouden wij er niet veel aan hebben. Nu vieren wij de rechte eredienst midden in de nood en de ellende van ons leven. Al dieper daalt zijn majesteit en steeds lager woont zijn heiligheid. Tot zij bij u zijn, tot het u raakt. Christus heeft zichzelve vernietigd en vernederd, ofschoon Hij in de gestaltenis Gods zijnde geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn. Hij heeft de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen en, in de gedaante gevonden van een mens, heeft Hij zichzelve vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises (Fil. 2 : 6 vv.).

Steeds dieper daalde zijn majesteit, steeds lager woonde zijn heiligheid tot Hij daar woonde, waar ook ons lichaam verbrijzeld wordt in de dood. En midden in die dood houdt Hij eredienst met ons, in het Heilig Avondmaal. Daar valt niets op te richten of in te richten. Neemt, eet, heet het daar. Dit is mijn lichaam, dat voor u verbroken wordt. En desgelijks de drinkbeker, het Nieuwe Testament in zijn bloed, dat voor ons vergoten wordt (Mt. 26 : 26 vv.). Hier wordt afgebroken en uitgegoten. En zo is Christus met ons tot aan het einde der wereld. Dit gevoelen zij in u, zegt de apostel, hetwelk ook in Christus Jezus was (Fil. 2 : 5).

Zo is onze God. Hebben de goddelozen gelijk, als zij zeggen, dat God in de hoogte woont en dat wij hier beneden ons maar moeten zoeken te redden? Of de heidenen, die zelf het heilige om zich heen proberen te scheppen om zo wat dichter bij de hemel te komen? Wie dat meent, komt bedrogen uit. Met dat zoeken en tasten, zoals Paulus het noemt (Hand. 17 : 27), zullen zij Hem niet vinden. God heeft ons gevonden, zoals een herder het verloren schaap, in diepten verzonken van leed en ellende. Hij is de Redder, de Goël, de Zondenvernieler. Hij is de God der liefde en der barmhartigheid. Hij woont gaarne in de geest der nederigen en in het hart der verbrijzelden. Daarom kan God de wereld nooit verliezen. Wij zouden Hem wel kunnen verliezen. Als wij ons verheffen uit onze werkelijke staat en in de conditie van de heilige engelen trachten te komen, als wij een nagemaakte heiligheid proberen om ons heen te scheppen en tot de Heer in de hemel zoeken op te klimmen, dan zouden wij Hem daar niet vinden. Hij zou er juist niet zijn omdat Hij was uitgegaan om ons te zoeken. En Hij zou ons vinden daar, waar wij behoorden te zijn en te blijven.

Het is een grote troost in leven en in sterven, dat de wereld nooit zo kan worden dat zij onze Vader, die in de hemelen is, zou ontvallen. Hoe dieper wij zinken, hoe dieper God daalt. Zo houden wij onze God. Neen, steeds meer zal zijn naam geheiligd worden. Want Hij woont in de hoogte en in het heilige, maar nog zekerder en liever in de geest der nederigen en in het hart der verbrijzelden. En die nederigheid betekent geen stemming, het is geen sfeer, zelfs geen zedelijke toestand. Het is de bittere werkelijkheid, het vernederd-zijn, dat wij zelf niet scheppen of zouden willen beleven, maar dat er is van Godswege; omdat Hij zich daarin een woning maakt. En zo is ook het verbrijzelde hart geen zielestaat, die wij, misschien met veel moeite, trachten te wekken, maar het is de toestand van het hart als het stuk gestoten is tegen de wereld en het leven. Amen.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De Wijzen uit het oostenGedrukte preken en overdenkingenHet Woord is vlees geworden →