O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Ben ik het?Gedrukte preken en overdenkingenIk ben niet →

Verzamelde Werken, deel 7 · Gedrukte preken en overdenkingen · Vier overdenkingen in de lijdenstijd · p. 475–477

Ik ben het

Johannes 18 : 4-6

De woorden, die boven de overdenking staan, luiden juist andersom als die van de vorige week. Toen mediteerden we over de vraag van de discipelen: Ben ik het? Nu denken we na over Jezus' woord in Gethsemané: Ik ben het. Maar niet alleen de volgorde van de woorden is anders, ook de inhoud van het ene schijnt van geheel andere aard dan die van het andere. De vraag van Jezus' discipelen, die rondom de tafel vloog, bracht ons in een wereld van verwarring, onzekerheid en zielsangst. Daar waren mensen die in de avond niet schenen te weten wat ze in de morgen zouden doen. Vrienden, die onzeker waren of ze in één nacht tot verraders zouden kunnen worden. Een Petrus, die vraagt of hij over enkele uren een Judas zal zijn. Hier - volgens Johannes 18 : 4-6 - horen we dezelfde woorden, maar in andere volgorde. En ineens zijn we verplaatst in een heel andere sfeer. We komen onder de indruk van majesteit en kracht en zekerheid. Jezus weet alles wat over Hem komen zoude, zo verzekert ons de evangelist (vs. 4). De lijdensweg ligt voor z'n geest open tot het einde toe. Hij ziet de drinkbeker ingeschonken, ten boorde toe gevuld. Hij ziet het kruis opgericht op Golgotha. En het graf waarin Hij zal nederdalen. Hier is een werk Gods, dat moet worden volbracht. Hier zijn bange woorden Gods, die moeten worden vervuld.

Woorden van verlatenheid en versmachting, die waargemaakt moeten worden. Hier wordt iemand gezocht, die in de duisterste nacht durft te gaan, die de wereld gekend heeft of zal kennen. Een nacht nog donkerder dan die voor de eerste dag, of voor de eerste zonsopgang. Een nacht, waarin 'Gods vriendelijk aangezicht' geen 'vrolijkheid en licht' meer schenkt aan 'oprechte harten'. Een nacht, die de zon verduistert midden op de dag. Men zoekt iemand om hem in die duisternis te leiden. En dan horen wij, op de vraag wie het is, die majestueuze, goddelijke woorden: Ik ben het (vs. 5). En voor dat woord gingen ze achterwaarts en vielen ter aarde (vs. 6).

Goddelijke majesteit en onveranderlijkheid komen ons hier tegen. Hier spreekt de Heiland der wereld, die geen stap terug doet als alle schapen om Hem heen verstrooid worden. Hij gaat z'n leven afleggen voor degenen, die de Vader Hem gegeven heeft. Het is nodig, dat we die goddelijkheid en die kracht en die onveranderlijke rust, die we in die drie woorden: Ik ben het beluisteren, op ons hart laten inwerken, opdat we goed weten, dat onze zaligheid niet in handen is gesteld van een veranderlijk mens of zelfs van een engel of geest, maar dat God zelf de verlossing onzer ziel werkt en de vernietiging van zonde en dood in handen houdt. Voor Hem en voor niemand anders gaan ze achterwaarts en vallen ter aarde. Maar voor de Heiland zullen ze niet bestaan en geen nacht kan er komen, zo donker en dicht, of Hij gaat ons voor. En geen strijd zo zwaar en zo bovenmenselijk moeilijk of Hij behoudt de overhand. Het Evangelie predikt ons, dat God voor ons intreedt en ons leidt tot het eeuwige licht.

Wanneer we dit inzien hebben we echter de volle troost van het Evangelie nog niet. Wij zijn nog geen kinderen Gods als we met degenen, die Jezus zochten in die lijdensnacht, achterwaarts gaan en ter aarde vallen; als we een overweldigende indruk krijgen van de goddelijke majesteit van de Heiland der wereld. Judas staat er ook bij en hij gaat mede ter aarde. Maar hij doet het niet, zoals die vierentwintig ouderlingen uit het boek der Openbaring, die het Lam aanbidden en hun kronen voor Hem nederwerpen (vgl. Op. 4 : 10). Om zo ter aarde te kunnen vallen is nog een andere indruk van de Heiland nodig.

Achter Jezus staan de elven. Voor hen is het dat Hij dat woord: Ik ben het uitspreekt. Hij stelt zich in hun plaats. Voor hen betekenen die woorden niet slechts goddelijke majesteit, maar ook plaatsbekledende liefde. Ze horen ze niet in de eerste plaats tegenover zich om ervan ter aarde te gaan, maar bovenal in het binnenste hunner ziel, zodat ze versterkt worden naar de inwendige mens. Als ze die woorden horen, begrijpen ze pas de angst hunner ziel in de paaszaal toen ze het op de rij af gevraagd hadden: Ben ik het? Dat is de enige, de laatste, de beste vraag, die een zondig en sterfelijk mens kan stellen in de grote ure der wereld, de Heilandsure, als de Herder geslagen wordt en de schapen verstrooid (vgl. Mt. 26 : 31). Als God tegen de mens is en alle machten der duisternis schijnen losgebroken. Wie durft dan, als de angst der hel u alle troost doet missen en de ziel gekneld ligt in banden van de dood, wie durft dan die drie woorden, op eigen risico, in zulk een volgorde te zetten, dat ze geen vraag, maar een vastigheid uitdrukken? Wie durft in de beslissende uren van leven en sterven, van nood en dood, zelf het vraagteken weg te nemen en de woorden om te zetten tot een onbevreesd: Ik ben het? De discipelen hebben het in de paasnacht niet gedurfd en dat is een van die raadselen, waarin wij de waarheid en goddelijkheid van het Evangelie ontdekken. Achter die angstige vraag in de nacht, waarin Jezus verraden werd, schuilt een zielkunde, die niet van deze wereld is, maar die haar verklaring slechts vindt onder het kruis.

Nu horen ze de bevestiging, de vastheid, de zekerheid uit een andere mond dan hun eigen. Jezus stelt zich voor hen en in hun plaats. Hij laat boze machten vallen, opdat zij staande kunnen blijven. Hij gaat daar staan, waar zij allen stonden, midden in 'de angst en het gericht' (vgl. Jes. 53 : 8). Midden in die vreselijke, laatste mensenvraag: Ben ik het? Hij neemt zelf die vraag op 'in 't binnenst ingewand', en draagt ze op naar Golgotha als een zielekruis, veel zwaarder dan het lichaamskruis, dat Simon van Cyrene nog van Hem kon overnemen. En daar, in het middenste kruiswoord, wordt die vraag als de diepste klacht, die ooit op deze aarde oprees, voldragen en in Gods oor geroepen. Maar als Jezus zich in de plaats der zijnen stelt, midden in hun moeite, dan overwint Hij van binnen uit hun nood en Hij zet die vreselijke vraag, in dodelijkst tijdgewricht gesteld, om in een Heilandswoord, een woord van de goede Herder, van goddelijke overwinning. Wat wij zelf niet kunnen zeggen, dat horen we nu uit zijn mond. En zo klinkt het ons tegen, niet als een Woord van God, ver van ons en ver boven ons, een God tegenover ons, voor wie we vol schrik ter aarde vallen. Neen, midden uit onze nood en onze twijfel, uit onze onzekerheid, uit onze laatste angst, die Christus in zich heeft opgenomen, binnen in ons, spreekt nu de Geest van Christus het vaste en veilige: Ik ben het.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Ben ik het?Gedrukte preken en overdenkingenIk ben niet →