Het Woord is vlees geworden
Johannes is de theoloog onder de evangelisten, die vraagt naar de verborgenheden achter de openbaring Gods in Jezus Christus. Mattheüs, Markus en Lukas weten daar ook wel van, maar zij hebben toch meer de verhalende trant, terwijl Johannes, het gehele Evangelie door, naar de diepte afsteekt.
Zo is het al dadelijk bij het begin, waar Mattheüs en Lukas de afstamming van Jezus naar het vlees boekstaven en uitvoerig de begeleidende omstandigheden van zijn geboorte meedelen. Johannes echter heeft van dit alles niets, maar geeft in zijn verheven proloog alleen de zin van dit heilig gebeuren aan de gemeente te verstaan. Hij verdiept er zich in dat het Woord, dat God was en door hetwelk alle dingen gemaakt zijn, niet maar een voorwerp is van diepe bespiegelingen door enkele uitgelezen geesten en filosofen, maar dat ook gewone gemeenteleden, zelfs de allereenvoudigsten, daarvan kennis kunnen hebben, als zij Hem door een oprecht geloof aanhangen. Want dit is het verschil tussen de leer der verlichte heidenen van die dagen en de prediking in de christelijke gemeente, dat de eersten wel schone dingen weten te zeggen over het Woord, maar dat de gemene man daar niets aan heeft. Dat is pas het geval in de kerken, waarin de leer van het Woord, de Logos, voor iedereen verstaanbaar is. Want het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (Joh. 1 : 14). Wij kennen het niet in het afgetrokkene, als wij ons van de mensen afzonderen en stil in gepeins nederzitten, maar wij kennen het zoals wij elkander kennen, zo dikwijls als wij in de huiselijke kring of in de maatschappij elkaar ontmoeten. De gemeente heeft van het Woord een historische kennis, omdat het vlees is geworden; het heeft onder ons rondgewandeld; het heeft geleden en is gestorven. De gemeente kent het Woord zoals Abraham, Isaäk en Jakob het gekend hebben, die ermee hebben gegeten en gedronken, ermee hebben omgegaan of geworsteld. In zulk een kennis zijn wij niet alleen met ons verstand, maar met ons hele bestaan betrokken, zodat de omgang met het vleesgeworden Woord de leden der gemeente tot nieuwe mensen maakt.
Dit is het eerste, wat onze kerstvreugde wakker roept. Wij verblijden ons erover; wij vieren feest, omdat het Woord Gods zich op de meest verborgene, meest intieme wijze in ons leven gemengd heeft. Het is niet in de hemel gebleven om van bovenaf als een donder ons toe te spreken. Het is niet op een afstand blijven staan om ons tot een voorbeeld te strekken. Neen, het Woord is vlees geworden. Het is geworden als één van ons. Jezus Christus is geboren, geworden uit een vrouw.
Dat dit geschied is, dat God is geopenbaard in het vlees, wordt in Paulus' eerste brief aan Timotheüs een grote verborgenheid genoemd (1 Tim. 3 : 16). Wanneer wij daarin zouden willen indringen met eigen middelen, zouden wij de heerlijkheid van deze openbaring geweld aandoen. De gemeente heeft zich te houden aan wat de Schrift daarvan laat zien en deze uitspraken zo te verbinden dat de ene de andere niet opheft, of aan haar volle betekenis iets afdoet. De mening des Geestes is te vol van inhoud dan dat wij die in onze formules zouden kunnen samenvatten. Wij kunnen de delen slechts een voor een tot ons laten spreken. Doen wij dat niet, dan horen wij niet meer het vleesgeworden Woord, dat God tot ons spreekt, maar dan denken wij een begrip dat wij onszelf vormen.
De bedoeling van het dogma is nu juist, dit te voorkomen. Men verwijt aan deze kerkelijke uitspraken vaak dat zij het wijsgerige denken op de bijbelse uitspraken hebben losgelaten. In werkelijkheid is het juist andersom. Het dogma zoekt de vrede, het evenwicht tussen de bijbelse uitspraken te bewaren en weert naar alle zijden af wat daarmee in strijd is. Het wil ervoor waken dat het Woord ook Woord blijft, als het vlees geworden is.
Daartoe is allereerst nodig, dat wij de evangeliën, zoals die ons gegeven zijn, tot ons laten spreken. Het zijn slechts fragmenten. De evangeliën bevatten geen levensgeschiedenis van Jezus, maar delen de heilsgeschiedenis mee. Elk stuk van deze heilsgeschiedenis staat daar door een beschikking Gods en is vooraf door de profeten aangewezen en verduidelijkt. Het is daar niet komen te staan door een historische of biologische of zielkundige noodzakelijkheid, zodat wij, zoals een Renan en anderen dat probeerden te doen, de draad van Jezus' leven op het spoor zouden kunnen komen en er een roman van maken, maar het gebeurt opdat de verborgen raad en wil van God aangaande onze zaligheid vervuld zou worden. Het leven van Jezus is een projectie van de raad Gods op het doek der geschiedenis. Hij moest geboren worden. Hij moest lijden en sterven. Hij moest opstaan ten derden dage. Op elk van deze punten wordt een deel van de mening des Geestes geopenbaard en breekt het Woord door de geschiedenis heen, om tot ons te komen. Het Woord, ook als het vlees geworden is, blijft Woord. Dat het vlees en bloed heeft aangenomen, in de kribbe gelegen heeft, dient daartoe, om des te beter Woord te kunnen zijn. De Christus wilde God met ons zijn. God wilde in onze plaats gaan staan, onze plaats bekleden. En daarom is Hij geboren uit een vrouw.
Hoeveel dichter God daardoor bij ons gekomen is, hoeveel duidelijker Hij op die wijze tot ons gesproken heeft, daarvan is de prediking der christelijke kerk het sprekend bewijs. Deze is specifiek onderscheiden van alle andere middelen om ons de kennis Gods bij te brengen. Wanneer de mensheid het spoor der vleeswording des Woords uit het oog verliest, gaat zij haar ondergang tegemoet. Zij moet van de openbaring leven.
Er is ook een weg der menselijke ontdekking. Van het vuur tot de atoombom. Wij weten dat dit niet de weg der zaligheid is. In een kerk zonder geloof, hoop en liefde gaan ook de zogenaamde wijsgerige deugden, de wijsheid, de standvastigheid, de matigheid, de gerechtigheid verloren. Hoe zullen de twaalf artikelen der evolutie er komen uit te zien, als de Twaalf artikelen waarin Christus' vernietiging en vernedering een zo grote plaats innemen, werden terzijde gelegd, als de prediking niet meer wordt geloofd? Ons geslacht kent reeds en heeft van vele zijden horen aanprijzen deze leerstukken der onbarmhartigheid, waardoor de prediking van het goddelijk medelijden zou moeten worden vervangen.
Daarom moest Christus geboren worden. Maar dit moeten is er één volgens Gods vrijmachtige wil en zijn goeddunken, evenals bij de schepping. Het is niet zo dat Jezus eerst op natuurlijke wijze geboren is en dat God toen op de zoon van Jozef en Maria het oog heeft geslagen om hem tot een Here en Christus te maken. Dan zou het Woord niet vlees geworden zijn, maar het vlees zou Woord geworden zijn. De geboorte van Jezus Christus is een even groot wonder als zijn opstanding uit de doden. Hij is, zoals onze Heidelbergse catechismus zegt, bij zijn geboorte waarachtig en eeuwig God gebleven. Wanneer dan ook de apostel Paulus schrijft, dat de Zoon "krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon Gods naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden" (Rom. 1 : 4), dan wil dat niet zeggen, dat Hij door zijn opstanding deze waardigheid heeft ontvangen. Hij was het van eeuwigheid en bleef het bij zijn geboorte en ook bij zijn opstanding. In 1 Timotheüs 3 : 16 heet het allebei een verborgenheid; zowel de rechtvaardiging in de Geest, de opstanding, als de openbaring in het vlees, de geboorte. Deze heilsfeiten hebben beide een even bijzondere plaats in de geschiedenis. Zij behoren tot de heilsgeschiedenis, waarin de feiten op andere wijze samenhangen dan in de gewone historie. Het historische bewijs is voor beide even zwak en even sterk. Slechts enkele aanbidders waren er bij de kribbe en even zo weinig getuigen van de opstanding. Enkele herders en enkele visserslieden moeten volstaan om het in de kerk waar te maken. Maar ook in beide gevallen valt hun getuigenis samen met dat van engelen uit de hemel en zijn deze verborgenheden gepredikt in de wereld (1 Tim. 3 : 16).
De geboorte van Jezus, zijn komst in het vlees, is even bovennatuurlijk als zijn opstanding. Beide malen is er sprake van het eeuwige Woord Gods, dat door de vaste samenhang van zonde en dood heen breekt, om ons aan te spreken. Beide malen vraagt onze catechismus: Wat nuttigheid bekomt gij daardoor? of: Wat nut u dat? En de eerste keer antwoordt hij dat Christus door de heilige ontvangenis en geboorte onze Middelaar is en met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde bedekt, en de andere keer, dat door zijn opstanding de dood overwonnen wordt. Door de bovennatuurlijke geboorte van Jezus spreekt dus het eeuwige Woord ons vrij van de erfzonde; door de opstanding van de geestelijke en lichamelijke dood.
Van deze beide hoekpijlers van het Evangelie kunnen wij er dus niet één wegnemen, zonder dat dit het geheel doet wankelen. Wanneer de geboorte van Jezus een gebeurtenis was in een levensgeschiedenis; als Kerstmis de viering was van een verjaardag van Jezus, zoals de nieuwjaarsdag dat in het burgerlijk jaar in zekere zin is, omdat wij onze jaartelling rekenen van Christus' geboorte af, ja, dan zou het van weinig invloed zijn op het geheel, als wij daaraan een minder gewichtige betekenis gaven. Het volle leven van de Heer kon dan toch wel brengen wat in zijn geboorte nog niet lag opgesloten. Dat zou een meer natuurlijke weg des heils geweest zijn. Meer in de gewone lijn van geboren worden, toenemen, opwassen en sterven. Maar met de wonderbare geboorte zou dan ook de opstanding van Jezus buiten het historisch beloop van het Evangelie komen te vallen. Zij zou een onbegrepen aanhangsel zijn bij een leven van Jezus, waarvan men de zin ook zoveel mogelijk zou moeten ontledigen. Zoals de lichamelijke functies van man en vrouw de geboorte van Jezus zouden verklaren, zo zouden de psychische functies van de mannen en vrouwen die getuigen waren van de opstanding, ter verklaring daarvan moeten dienen. Men weet hoe dikwijls deze uitlegging dan ook inderdaad is beproefd. Het Woord zou dan niet werkelijk vlees geworden zijn, niet in onze gevallen staat zijn ingekomen, maar het zou een verschijning geweest zijn in de onwezenlijke zin van het woord, een geest in heidense zin. Geen Geest en daarom ook geen vlees. Dit nu ontkent Jezus ten sterkste, na zijn opstanding, als Hij zijn handen en voeten aan de discipelen toont en iets eet voor hun ogen.
Omgekeerd moet nu ook van dit vlees, dat in de kribbe ligt, beleden worden, dat het Geest is, vol van genade en waarheid en waard om aangebeden te worden. Niet deze mens is vlees geworden, maar het Woord is vlees geworden. Het Woord dat in den beginne was. Dat bij God was en dat God was. Deze God wordt geopenbaard in het vlees (1 Tim. 3 : 16). Daarop moeten wij wel letten, dat het een openbaring Gods is. God wacht niet op de geboorte van dit kindeke om zich dan later aan dat kind te openbaren, maar de geboorte is ook zelf een openbaring. Dat dit zou geschieden en moest geschieden, was onder het Oude Testament aan de profeten bekendgemaakt, zoals het lijden van de Christus in Jesaja 53 was verkondigd. Het was een stuk van de heilsraad der heilige Drieëenheid en nu, in de kerstnacht, wordt het tot werkelijkheid. Niet de geboorte op zichzelf is het heilsfeit, maar dat het deze bijzondere geboorte is, waarnaar de profeten hebben uitgezien. Vlees, ontvangen van de Geest, een menselijke natuur die door de Zoon Gods wordt aangenomen, waarbij Hij zelf God is en blijft.
Dit is de eerste van de voetstappen, waarmee de Zoon Gods, naar het Evangelie, in ons leven komt. Wanneer het Nieuwe Testament een leven van Jezus gaf, zou het ons na de geboorte een ontwikkeling van kind tot man hebben verhaald, van de besnijdenis tot de Doop, van de voorstelling in de Tempel tot het openbaar optreden van Jezus. Wij zouden Hem hebben zien opwassen tot Messias. Over deze dertig jaren zwijgen echter de evangeliën bijna helemaal. Wij horen alleen dat Hij toenam in genade bij God en de mensen (Lk. 2 : 52). Dan komt, na de vleeswording, na de vernietiging waardoor Hij de mensen gelijk geworden is, de tweede schrede, de vernedering (Fil. 2 : 7 v.), toen Hij met tollenaren en zondaren door Johannes in de Jordaan werd gedoopt. Voortaan is zijn leven aan tollenaren en zondaren gewijd, aan armen en bezetenen. Ook hier geldt weer, dat Hij dit doen moest. Het was een staat, waarin Hij volgens het goddelijk heilsplan moest komen, zoals Hij in het vlees gekomen was. Tot Johannes zegt Hij: Want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen (Mt. 3 : 15). Het is een ambtsdaad, die samenhangt met de vleeswording. En daarna komt, als zijn ure gekomen is, de diepste vernedering, tot de dood, ja, de dood des kruises (Fil. 2 : 8). Dan wordt de profetie vervuld, dat Hij met de misdadigers is gerekend (Mk. 15 : 28).
Er is voortgang in dit werk Gods van de geboorte naar de Doop en van de Doop naar het kruis, maar het is niet de ontwikkeling van een levensgeschiedenis, maar het voortschrijden in een heilsgeschiedenis. Steeds dieper daalt het goddelijk welbehagen, waarvan de engelen zongen in de kerstnacht, in het menselijk leven; steeds duidelijker drukt het goddelijk Woord zich uit in het vlees; steeds klaarder straalt de liefde Gods tot zondaren, tot bij de opstanding de vernietigde zich opricht en de nederige, als een Herder het lam, met zich omhoog draagt.
De vleeswording des Woords is dus geen blijvende en voortgaande indaling van God in het mensenleven, zoals men het soms voorstelt en zoals Rome dat leert. Wij vieren op het Kerstfeest niet het onduidelijke begin van een proces, dat zich dan later in de kerk moet voltrekken. Neen, als het Woord vlees wordt, dan spreekt dat Woord daarmee dadelijk een klare en verstaanbare taal. Zoals er een evangelie des Kruises is en een evangelie der Opstanding, zo is er ook een evangelie der Geboorte, dat een eigen inhoud heeft. Zo breekt de Heilige Geest het Brood dat uit de hemel is neergedaald en deelt het uit aan de gemeente. En ofschoon er verband is tussen deze dingen en het één brood is, zo moet men toch, zoals ook de kerkvader Augustinus het noemt, een zekere bedeling of verdeling, een orde des heils aannemen, zoals wij ook spreken van de Oude en de Nieuwe Bedeling.
Wat wil dan in het bijzonder de openbaring des Woords in het vlees zeggen? Wat is meer bepaald de reden van onze vreugde op het Kerstfeest? Het is dit, dat, zoals Augustinus dat zegt van de doop en de dood, de geboorte van Jezus Christus niet als een te betreuren noodzakelijkheid, maar vrijwillig en uit medelijden is geschied. De noodlottige voortplanting der zonde, die de kerk de erfzonde noemt, werd hier door dat goddelijk medelijden doorbroken. Christus werd heilig, onnozel (onschuldig), onbesmet geboren. Reeds hier ging Hij in onze plaats staan en niet pas bij het kruis. Een bekende wijsgeer heeft gezegd dat ieder kind schreiend ter wereld komt, omdat op het geboren worden de doodstraf staat. Het geschrei van het kerstkindeke kan deze betekenis alleen gehad hebben, voorzover het onze dood geldt, wegens onze zonde. De Zoon Gods heeft, zo leert de christelijke kerk, de menselijke natuur aangenomen. De complete menselijke natuur; niet alleen ons lichaam, maar ook onze geestelijke natuur. In de vleeswording des Woords ligt geen verminking van die menselijke natuur opgesloten. De wonderbare geboorte echter, de ontvangenis van de Heilige Geest en de geboorte uit de maagd Maria houdt in, dat hier niet een bepaalde mens wordt uitverkoren om vergoddelijkt te worden, maar dat de Zoon Gods zelf van de aanvang af ons leven op zich neemt. Hijzelf wordt van den beginne af het eigen middelpunt van die menselijke natuur. Christus is niet één van ons geworden, maar als één van ons. Hij is ons gelijk geworden, uitgenomen de zonde. In deze ene menselijke natuur is het de Zoon Gods, die de persoon vormt van deze natuur. In de geboorte neemt Hij die natuur aan uit medelijden, uit welbehagen in mensen, uit liefde.
Daarom is in de moeder van Jezus, zoals het ook bij ons moet zijn in de wedergeboorte, het geloof de kracht der ontvangenis door de Heilige Geest. "Mij geschiede naar uw woord", zo antwoordt zij op de aankondiging van de engel (Lk. 1 : 38). Dit moeten wij bij het horen van het Kerstevangelie goed in gedachtenis houden. De zijde waarvan wij dit geheimenis moeten benaderen, is die van het geloof. Het geloof in de wonderbare geboorte van Jezus is van dezelfde orde als het geloof aan de verzoening door het kruis. God is een Geest en als de Zoon Gods geopenbaard wordt in het vlees, is en blijft Hij toch waarachtig en eeuwig God en Geest. Het middel waardoor wij het nut en de troost van Kerstmis aannemen, is hetzelfde als waarmee wij het verzoenend sterven van Jezus voor onszelf aanvaarden. Het is bij het Kerstfeest geen wijsgerige bespiegeling. Ook het dogma der kerk bedoelt niet anders dan de vrede op aarde, de volle troost van de profetieën en de getuigenissen der apostelen voor de gemeente te behouden. Het wil aan de kerk niet laten ontroven, dat het Woord vlees geworden is; dat Christus door het geloof van Maria ontvangen is. Dat zingen wij nog steeds in de adventsweken: "Hoe zal ik U ontvangen?" En dan volgt de bede: "Dat ons Uw Geest verlichte." Ontvangen van of door de Heilige Geest, dat kan in de kerstprediking niet worden gemist.
Dat de zonde een erfelijk gebrek is, dat in de mens allerlei zonden voortbrengt en genoegzaam is om het menselijk geslacht te verdoemen (veroordelen), zoals onze geloofsbelijdenis zegt, dat leert ons het leven heden met zijn schrikkelijke lessen. Eén oase is er in de geschiedenis, waar een bron van levend water ontspringt. Deze geboorte alleen is uit de Heilige Geest en alleen hier ontspringt de zonde daaruit niet als een opwellend water, gelijk uit een onzalige fontein. Deze geboorte is uit God, die een overvloedige fontein is van alle goed.
De geboorte van Jezus kan alleen voorwerp des geloofs zijn, een geloofsartikel, als het deze wonderbare geboorte is. Maar dan ligt daarin ook een heerlijke belofte. De genade zal steeds overvloediger zijn dan de zonde. Op die plaats, waar de zonde opwelt, is de Zoon Gods naar de raad Gods ingegaan in ons leven. Voor ons is Hij tot zonde gemaakt, ofschoon zelf zonder zonde (2 Kor. 5 : 21). Deze staat der vernietiging heeft Hij aangenomen. En voor dit werk van vrijwillige ontlediging en goddelijk medelijden dankt Hem de gemeente ook weer op dit Kerstfeest.