De Wijzen uit het oosten
... wij hebben gezien zijn ster in het oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.
Mattheüs 2 : 2b
De geschiedenis van de Wijzen uit het oosten is een heel aparte bladzijde uit de evangeliën. Deze mannen worden, als meteoren, even zichtbaar, om daarna weer spoorloos te verdwijnen. Ze zijn afgezanten van onbekende miljoenen, die toch vertegenwoordigd willen zijn bij de kribbe des Heren. Alles is raadselachtig aan hen; het land vanwaar ze kwamen, hun aantal, hun namen, wij weten er niets van. Maar met dat al is het een heerlijke bladzijde aan 't begin van het Evangelie. Ze staan daar toch maar, deze figuren die komen uit het donker, waarin de heidenen zoeken en tasten (vgl. Hand. 17 : 27). Geen engel heeft hen toegesproken. En toch worden ook zij in de lichtkring van Jezus getrokken. Het geheimzinnige schijnsel van een ster is daarvoor voldoende. De Wijzen behoren tot de verrassingen uit de bijbel. Hun aankomst te Bethlehem is moedgevend.
Wij rekenen gaarne. Van de inwoners der aarde trekken wij de heidenen af. Dan de mohammedanen en nog anderen, tot wij de christenen overhouden. Maar dan gaan wij door met aftrekken. Onze geestelijke familie is klein. Wij gevoelen ons slechts met weinigen op ons gemak. En dan berekenen wij de kansen der kerk. De kerstening der wereld lijkt een onmogelijke taak, als het dempen van de zee. Soms bekruipt ons de vrees dat onze geestelijke familie zal uitsterven. Daar staan nu bij de kribbe de Wijzen uit het oosten. Ze komen van Jeruzalem. Maar de schriftgeleerden hebben geen tijd gehad hen eerst tot jodengenoten te maken. Dat is maar goed ook. Ze zouden in het kunstig gesponnen web van menseninzettingen gevangen zijn. Nu doen ze als Simson met de poorten van Gaza (Richt. 16 : 3). Ze nemen Wet en Profeten op hun rug en gaan er mee naar Bethlehem. Ongecatechiseerd komen ze tot het licht.
God heeft sommige directe methoden, die de onze niet kunnen zijn. Laten we daarvan nog veel goeds verwachten als wij bezig zijn de moed te verliezen. Gods familie is groot.