Christelijke gezindheid
Dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was.
Filippenzen 2 : 5
Toen de rijke jongeling tot Jezus kwam met de vraag, wat hij doen moest om het eeuwige leven te beërven, gaf deze hem een antwoord, dat in z'n eenvoud nogal verbluffend was (vgl. Mt. 19 : 16 vv.). De ondervrager had gerekend op een aanwijzing tot zalig leven, die niet alledaags zou zijn; integendeel, zeer buitengewoon. Daartoe was hij er toch niet op uitgetrokken om te horen wat hij al lang wist. Als Jezus hem dan aanraadt de geboden te onderhouden, dan kan hij nog niet geloven, dat de Tien geboden bedoeld zijn. Verwonderd vraagt hij: Welke? Nadat de Heer daarop met haast irriterende duidelijkheid en uitvoerigheid al de geboden van de tweede tafel een voor een heeft opgezegd, verklaart de jonge man in geprikkelde stemming, dat dat alles hem meer dan bekend is. Dat heeft hij op de catechisatie al geleerd. - Ik geloof niet dat hij bedoelt te zeggen, dat hij nooit tegen die geboden gezondigd heeft, zoals wij hem vaak in de schoenen schuiven. Maar hij meent ermee dat hij die godsdienst van jongsaf wel kent. Hij is uitgegaan om nieuwe religie te zoeken.
Het komt mij voor, dat het woord van Paulus, dat wij boven deze overdenking schreven, eveneens zulk een ontnuchterende inhoud heeft. Het gaat ook in de gemeente, waaraan de apostel schrijft, zoals overal elders in de wereld, om de rechte gezindheid. Om zulke gevoelens, die de beste mogen heten en die dan alom in 't rond kunnen worden aangeprezen. Men wedijvert daarin en zoekt elkaar voorbij te komen. Er ontwikkelt zich in de jonge gemeente reeds een zeker partijwezen. Paulus zelf kan daar vrij goed tegen. Hij vindt het niet zo erg wanneer Christus van tijd tot tijd met een wat scherp accent, half tegen zijn persoon gericht, gepredikt wordt. Als Hij maar gepredikt wordt. Maar niet allen zijn zo royaal als hij; en in de gemeente schijnt daaraan wel iets te ontbreken. Althans de apostel vermaant z'n leerlingen om eensgezind te zijn, dezelfde liefde te hebben, van één gemoed en van één gevoelen te zijn.
Daarbij is wel één ding zeer opmerkelijk. En dat is, dat Paulus er zich van onthoudt om ten opzichte van de verschillende gevoelens uitspraak te doen. Omtrent het leerstellig gehalte daarvan laat hij zich niet uit. Ik stel mij voor, dat er ook te Filippi velen zullen geweest zijn, wie het er zeer bijzonder om te doen was, nieuwe religie te hebben en te prediken. Ook toen leefde men in een tijd van begeerte naar nieuwe gevoelens. De Tagore's dier dagen werden met open armen ontvangen. Paulus had zelf van die geestesgesteldheid geprofiteerd en ze had hem menigmaal een open deur verschaft. Zelfs te Athene, geblaseerd als men er was, waren nog enkelen naar hem komen luisteren, in de hoop dat het wat nieuws zou zijn.
Zo zullen ook te Filippi sommige jonge christenen vooral onder die titel Paulus' prediking hebben aangenomen. Hoe pikanter Paulus' leer werd toegespitst, hoe mooier ze 't vonden. Dit gevaar bestond vooral omdat de apostel over 't gehele zendingsveld meer of minder moest concurreren met de Joodse propaganda. IJverige leerlingen, die hem daarbij wilden helpen, konden dan gemakkelijk te ver gaan. Dan kwam het tot een tegen elkaar opbieden in godsdienstig radicalisme. En wie daarin 't hoogste bod had gedaan, kon uit de hoogte gaan neerzien op wie hij meende dat bij hem achterbleef. Zo kreeg men een hele toonladder van gevoelens, waartussen Paulus nu uitspraak zou moeten doen. Degenen die het meest paulinisch waren, zullen gedacht hebben dat hij hun partij zou kiezen. De apostel doet echter heel anders. Wanneer hij de ware christelijke gezindheid moet aanwijzen tussen al het geroep van: dit is mijn gevoelen en dat is mijn gevoelen, dan vermaant hij: Dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was. Nu, daar waren ze 't allen wel over eens. Ze waren immers christenen. Ik stel mij echter voor, dat vele lezers, toen ze aan deze passage van de brief gekomen waren, precies een gezicht gezet zullen hebben als de rijke jongeling, toen Jezus hem de geboden van de tweede tafel opzei: Was dat nu een oplossing van de interessante kwesties, waarover ze zich zo druk hadden gemaakt?
Het gevoelen van Jezus Christus. Werkelijk geen nieuwe religie voor een christelijke gemeente. Geen poging om hysterische zielen te prikkelen. Menigeen onzer zal hier wel herinnering bewaren aan een ogenblik uit het leven in het ouderlijk huis, wanneer jeugdige opgewondenheid en overmoed in het aanraken van levensvragen een hoogtepunt hadden bereikt en een der ouders het nodig oordeelde tussenbeide te komen. Als er dan ineens een eeuwigheidswoord in de discussie viel, kon het stil worden. Men was wat geërgerd, dat zulk een vanzelfsprekende waarheid het pikante geestelijke toernooi kwam verstoren. En toch gaf het rust, na enige ogenblikken van spanning. Het bracht geestelijke nuchterheid terug. Zo ook Paulus' woord aan de gemeente te Filippi. - Allereerst plaatst hij niet tussen de verschillende gevoelens z'n eigen gevoelen. Maar dan ook - welk een gevoelen is dat, waar hij mee aankomt. Hoe stil maakt het als onder die drukke opinies van jonge gemeenteleden plotseling dat gevoelen van Jezus Christus optreedt. Ineens krijgt ook het woord een andere betekenis. Het betekent niet meer mening tegenover mening. Het heeft niet meer die rumoerige, strijdvaardige klank, die wij er allen in kennen, als wij het op hoge toon over onze beginselen hebben.
Jaren geleden kwam een welbekend, oud collectantje uit Gelderland in gesprek met een zeer beslist en beginselvast voorstander van verenigingen op christelijke grondslag ergens in het noorden van ons land. De voorstander informeerde of de zaak, waarvoor de collectant aanklopte, op goede grond stond. Het oude mannetje antwoordde, zonder dat hij daarmede beoogde een handigheid te bewerkstelligen of een gevatheid te plaatsen, maar uit de diepte van z'n eeuwigheidsbewustzijn, in alle eenvoudigheid: "Grond, grond, die is niets waard, die spoelt zo maar weg. Op de rots moet ge staan." Ineens ontstond de bewuste verlegenheid, nu aan de zijde van de voorstander. Hij moest zich thans trachten te redden en vroeg of z'n gast niet geloofde, dat hij ook op de rotsgrond stond. Waarop de Geldersman met een: "k Heup 't", dit gesprek afbrak.
Dat gevoelen, hetwelk ook in Christus Jezus was. Het is niet gemakkelijk zich de diepe indruk, die dit woord maakt, volkomen te realiseren. Paulus legt nader uit, waartoe dat gevoelen de Godszoon geleid heeft. Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, maar heeft zichzelve vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is de mensen gelijk geworden; en in de gedaante gevonden als een mens, heeft Hij zichzelve vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises (Fil. 2 : 6 vv.). - Daarin kwam dat gevoelen uit. Hier zien wij de Zoon Gods de trappen van de hemelladder afstijgen tot de smartendiepten der hel. Maar de hartebrand, die achter dit vernietigingsdrama gloeit, daar blijven we even stom en stil af als Mozes bij de brandende braambos.
Die brand durven we nauwelijks meer een gevoelen noemen. Hoe moeten onze stemmingen dan heten? Wij spreken van onze politieke, onze wetenschappelijke, onze kerkelijke, onze zedelijke gevoelens of beginselen. In de nabijheid van Paulus' woord durven wij er niet meer van reppen. Men heeft vaak de opmerking gemaakt, dat Jezus geen autoriteit is op wetenschappelijk of politiek gebied. Het kan wel waar zijn. Maar dat is, vergeef mij de uitdrukking, geen compliment voor die terreinen van menselijk geestesleven, en het doet niets af aan Jezus' invloed op al wat uit God en tot God is; dat is de hele schepping. Wanneer wij van zijn gezag iets uitsluiten, dan doen wij Hem onrecht. Al wat Jezus gedaan heeft is 'in geen hoek geschied' (Hand. 26 : 26). Ook niet in een hoek van ons geestesleven, bijvoorbeeld ons zedelijk leven, waarin wij Hem soms opsluiten.
Wanneer dat gevoelen, hetwelk in Christus Jezus was, ons toeschijnt buiten dit of dat levensterrein te liggen, dan komt dat hierdoor, dat de kwaliteit van dat gevoelen boven elk levensgebied uitgaat. Evengoed boven dat van ons kerkelijk en zedelijk leven. Jezus is niet in meerdere mate zedelijkheidsapostel geweest dan politiek zeloot. Evenmin als Hij de omverwerping bedoelde van de Joodse staat, beoogde Hij de afschaffing van de wet van Mozes. En omgekeerd voelen de politieke leidslieden des volks even goed de spanning rondom zijn persoon als de wetgeleerden. De nieuwe wijn doet allerwege de oude lederzakken bersten (vgl. Mt. 9 : 17).
En zo blijft het. Wij hebben een periode achter ons liggen, waarin het christelijk beginsel voor velen ongeveer gelijkluidend begon te worden met een politiek beginsel. De antithese tussen christen en niet-christen is nergens scherper gesteld. ⚑Veel scherper dan in het zedelijk leven, waar, in vergelijking met het eerste, eerder van een vernauwing der grenzen gesproken zou kunnen worden. Wat blijft er van over, als we even ons Paulus-woord als toetssteen bijbrengen? Enige jaren geleden haalde een bekend politiek dagblad met trots de uiting aan van een beroemd Duitser, die van de politieke partij door dat dagblad vertegenwoordigd gezegd had, dat het onder deze mensen zich verder liet leven. Deze loftuiting op een politiek gevoelen brengen wij nu in de nabijheid van dat gevoelen, hetwelk ook in Christus Jezus was. Dat laatste leidt niet in de richting van verder leven, maar regelrecht naar het kruis. Deze snelle hellevaart doet elk politiek beginsel, waarbij het behoud van het leven gesteld wordt boven z'n verlies, verbleken tot zuiver egoïsme.
Maar een maatschappelijk beginsel dan misschien, dat gevoelen van Jezus Christus? Het zal moeilijk zijn vol te houden. Zeker, wij hebben vele spreuken van Jezus, die in Hem een sociaal hervormer hebben doen zien. En in alle eeuwen hebben de zoekers van sociale gerechtigheid zich op Hem beroepen. Maar voor Jezus, hoe vaak Hij ook het geven van aalmoes aanbeveelt, staan toch de armen op het tweede plan: De armen hebt gij altijd met u (Mt. 26 : 11). Tenslotte is ook weer het Evangelie met z'n moordenaar aan 't kruis en z'n Galilese lichtekooien een onsociaal verschijnsel.
Zo komen wij dan tot het kerkelijke, de sociale kring, waar, althans zo hoort het, de zondaar geen stoornis wekt, maar waar hij met open armen ontvangen wordt. Waar, evenals in de hemel, blijdschap is over een zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig, die de bekering niet van node hebben (Lk. 15 : 7). Hebben we hier misschien de wereld van harttonen bereikt, die bestaan kan voor Paulus' woord? Hier schijnt althans het woord gevoelen meer thuis te behoren. Naar de beroemde bepaling van een der grootste theologen is de vroomheid geen weten en geen handelen, maar een bepaling van het gevoel. Brengt ons de kerk, met haar lied, haar gebed, haar preek, niet geheel in de gezochte sfeer? Is de christelijke gezindheid, die we hebben te zoeken, niet samengesteld uit het geloof, de overgave, de berusting, het schuldgevoel, die in de kerk worden gewekt? - Ik betwijfel of we nog bij het punt zijn aangekomen, dat we zoeken. Vooral wanneer we de rustende gevoelens der vroomheid naar voren brengen. Steken ze in hun behoudzucht niet te zeer af tegen de roekeloze dwaasheid van de Zoon Gods, die arm werd daar Hij rijk was? Die alles wat Hij bezat stuk voor stuk aflegde, z'n goddelijke prerogatieven prijsgaf? Zullen wij van de vrome, die verzekerd is van z'n eeuwig behoud, zonder meer kunnen zeggen, dat hij het gevoelen bezit, dat Paulus hier bedoelt? De dwaasheid des kruises houdt meer in. Wel zoeken velen hierin de specifiek-christelijke gezindheid. Het Piëtisme maakt ook zeer gemakkelijk de indruk van in zeer bijzondere zin christelijk te zijn. Daar, in die kringen, wordt zoveel opgemerkt van de evangelische vertedering des gemoeds, van de zachtmoedigheid, die Jezus zalig prijst, van het in praktijk brengen van Jezus' woord, dat het een mens niet baat, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade aan zijn ziel (Mt. 16 : 26). Deze gevoelswereld lijkt wel het eigenlijke tehuis voor de christen. En vooral in deze kringen zelf heeft men grote moeite om als broeder en zuster in Christus te erkennen, wie van dezelfde bevindingen niet weet mee te spreken.
Toch - ik herhaal het - Paulus' woord houdt meer in. Morele vakantiedagen heeft men, met een niet kwade bedoeling, de tijden genoemd, waarin het hart rust in het volmaakte. Wij kunnen niet nalaten om na deze uitdrukking van William James,' nog eens af te schrijven het verhaal van Christus' kruistocht, zoals Paulus dat geeft: Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn, maar heeft zichzelve vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende en is de mensen gelijk geworden; en in de gedaante gevonden als een mens, heeft Hij zichzelve vernederd, - gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises. Is dat een morele vakantiedag geweest? En hebben wij op onze morele vakantiedagen dat gevoelen, hetwelk ook in Christus Jezus was?
Zo worden wij naar het handelende leven teruggedreven. En blijft tenslotte de vraag over of het gevoelen van Christus Jezus een zedelijk beginsel is. Of Paulus de Filippenzen eenvoudig van het woord tot de daad heeft willen roepen. Of hij heeft willen zeggen: Wat baat al dat redeneren over, of het opwekken van gevoelens? Doe wat Jezus Christus deed, die een groot werk volbracht. Verklaart dat de verlegenheid, die ons tegenover dat woord bevangt? Maar neen, ook een moraal kan op het gevoelen, dat in Christus Jezus was, niet gebouwd worden. Kan Christus' hellevaart ons ten voorbeeld zijn? En kunnen wij het Hem nadoen? Paulus zegt ergens, dat hij in zijn lijden de overblijfselen der verdrukkingen van Christus vervult (Kol. 1 : 24). Maar dat is niet meer dan wanneer iemand spaanders raapt achter een kolonist, die zich een weg baant door een woud. Een eigenlijke navolging van Christus bestaat er niet. Deze geschiedenis van vernietiging en vernedering is geen moraal in de gewone zin van het woord. De kwaliteit van het gevoelen, dat in Christus Jezus was, gaat ook boven onze zedelijke sfeer uit. Deze snelle vernietiging van Christus' heerlijkheid, z'n geperst worden totdat het volbracht zij (Lk. 12 : 50), staat alleen en met geheel eigen karakter in het rijk des geestes. Daarom kan op het Evangelie in de eigenlijke zin geen staat of maatschappij, maar evenmin een kerk of zede gegrond worden. Dat blijkt altijd weer, zo dikwijls wij trachten het te normaliseren. Kan men de pogingen daartoe wel anders beschouwen dan dat daardoor steeds weer het vuur wordt uitgeblust, dat Jezus op de aarde geworpen heeft? Krijgen wij niet telkens de indruk, dat Christus begraven wordt in onze dogmatieken en in onze kerken? Begraven in een braaf leven, ja zelfs in de filantropie?
Dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was. Hoe langer wij naar dit woord luisteren, hoe verlegener en stiller het ons zal maken. Alle reden om luid te roepen en 'met beginselen te zwaaien' valt weg. En toch vindt Paulus het niet geheel onpraktisch om er de gemeente naar te verwijzen. Hij hoopt, dat daardoor allerlei schijngevoelens en minder gewenste stemmingen zullen verdwijnen. Hij verwacht, dat het kan dienen een sterke, zuivere grondtoon op te wekken, waarin zonder verdere moeite alle dissonanten zich zullen gevangen geven. Het Evangelie wekt met z'n aangrijpend geweld een gezindheid in het hart, die het beginsel is van een nieuw leven, dat in de orde der tegenwoordige wereld slechts zeer ten dele kan uitkomen. Zoals het noorderlicht alle magneten doet schommelen, zo wekt ook het gevoelen, dat in Jezus Christus was, onrust in de harten. - De manier waarop Paulus deze onrust zoekt op te wekken is zeer merkwaardig. Wij hebben voor onze geloofsleer de beschrijving van Christus' werk het kortst in de Twaalf artikelen. Dit is de vorm waarin de hele christenheid van jongsaf het Evangelie wordt ingeprent. Het loont de moeite om naast die opsomming van feiten in ons Credo eens te leggen de uitbeelding van Christus' daden, zoals de apostel ze hier geeft. Ik zal die verzen hier nu niet ten derden male afschrijven. Ieder kent ze van buiten, de verzen van vernietiging en vernedering. Maar wanneer wij dan die beide reeksen vergelijken, dan treft ons het verschil. Bij Paulus komt ook uit het gevoelen, dat in Christus Jezus was. Onwillekeurig vragen wij ons af of het niet beter was, dat de christenheid in die vorm met een korte formulering van het Evangelie in aanraking werd gebracht. Want zo is alles er op aangelegd ook in ons hart een gevoelen op te wekken. Dan is er geen uitwendige betrekking. Niet aan de ene zijde een uitwendig werk van Christus, dat dan moet worden toegepast zo goed en zo kwaad 't gaat, maar er is één gevoelsbodem, waarin het werken van het Goddelijk hart zich voortplant tot ook in ons de eerste harttonen het nieuwe leven, dat uit God geboren is, aankondigen.
Deze toepassing van het Evangelie is de ware en wekt de echte christelijke gezindheid. Ze is het wondere werk des Heiligen Geestes, die in de verborgen kameren des harten ritselingen van leven wekt. - Paulus maakt in Filippenzen 2 ook enkele moraliserende toepassingen van Christus' gevoelen. Hij vermaant: Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelve. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is (Fil. 2 : 3 v.). Het zal ons opvallen hoe deze spreuken in het verband, waarin ze staan, iets mats hebben. Hoe sterk staat daarnaast het lied der vernietiging en vernedering. Hier voelt men, zo ergens, het onderscheid tussen een echte preek en een zedepreek.
De ware toepassing staat in de Filippenzen-brief ook op een andere plaats. Men vindt haar in het derde hoofdstuk, waar we de pendant, de tegenhanger vinden van Christus' kruisvaart. Als Paulus zegt: Hoewel ik heb dat ik ook in het vlees betrouwen mocht, besneden ten achtsten dage, uit het geslacht Israëls, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar de ijver een vervolger der gemeente, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. Ja gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijn Here, om wiens wil ik alle die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn (Fil. 3 : 4-8).
In deze woorden heeft Paulus z'n eigen vernietiging en vernedering uitgezegd, z'n eigen kruisvaart beschreven. Hier speuren we dat gevoelen, hetwelk ook in Christus Jezus was. Hier is niets overgebleven van de matheid van een zedepreek, en het met enige moeite gevondene van een toepassing. Hier is de apostel weer geheel zichzelf en breekt al de kracht van z'n christelijke gezindheid uit. Met evenveel vrijmoedigheid durft hij in vers 15, als hij uitgezongen heeft, dit zijn eigen gevoelen aan de gemeente aanprijzen als daarstraks het gevoelen van Jezus Christus. Niet, dat er geen onderscheid zou zijn. Ieder, die met de apostel een zin voor proporties heeft, voelt dat direct. Maar, bij zijn dienen van God in de Geest (vgl. Fil. 3 : 3), weet hij z'n gevoelen van één kwaliteit met dat van Christus.
Er staat in dat vijftiende vers nog iets zeer merkwaardigs bij. Als Paulus, na zichzelf tot een exempel gesteld te hebben, gezegd heeft: Zovelen als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen, dan voegt hij er bij: en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren. Ik geloof niet, dat de schrijver hier een kleine ruimte voor onenigheid openlaat, om des lieven vredes wil. Ook niet, dat hij meent, dat alle verscheidenheid straks vanzelf zal ophouden. Integendeel, als ik de apostel goed versta, dan wil hij zeggen, dat in dat gevoelen, hetwelk in Christus Jezus was, ruimte genoeg is voor verschillende levenshoudingen. Hoe het wezen zal in bijzonderheden, dat zal God openbaren, al is de geestesbodem, waarin het wassen zal, dezelfde.
Met dat laatste is de meest wezenlijke karaktertrek der christelijke gezindheid getekend. Wanneer wij, in afwijking van de meeste uitleggers, Paulus' woorden op die wijze lezen, dan komt het geheel in één toon te staan. Het gevoelen, dat in Jezus Christus was, Paulus' eigen gezindheid en die welke God in de gemeenteleden zal openbaren, zijn van één kwaliteit. Het zijn alle Godsopenbaringen. God is geopenbaard in het vlees. Het heeft God behaagd zijn Zoon in Paulus te openbaren. En dat, wat Paulus van de gemeenteleden verlangt, ook dat zal God openbaren. De apostel verlangt niet dat ze hem precies na zullen doen. Indien gij iets anderszins gevoelt, zegt hij. Maar hij wil dat het gevoelen, dat hun leven zal dragen en drijven, van één kwaliteit zij met dat, hetwelk in Jezus Christus was en dat, hetwelk in hemzelf is.
Zo komt in de christelijke gezindheid alles op de kwaliteit aan. Te veel hebben wij het gezocht in gelijke mening, gelijke levenstoon, gelijke manier van doen, zelfs in gelijke belangen. Wij hebben in het gevoelen der anderen onze eigen opvatting willen terugvinden; onze eigen stemming weerkaatst; ons zelf gekopieerd willen zien; onze eigen wensen vervuld. Wij zijn daarin zo verhard, dat we van Paulus' machtige oproep in de Filippenzen-brief, z'n prediking van Godsopenbaring, een tamme zedepreek maken, waarin, omdat 't nu eenmaal moet, een kleine speelruimte wordt overgelaten voor verscheidenheid, maar waarin toch allen onder één hoed gevangen worden. Wij horen niet meer: de ander anderszins, waarmee aan God ruimte wordt gelaten.
Wanneer we voor deze fout weer meer oog krijgen, zullen wij tegelijk ontdekken, waarom voor geen enkel levensterrein de normale christelijke gezindheid te vinden is. Die gezindheid gaat met die van Christus en Paulus boven het leven uit. Het Evangelie is niet ten grondslag gelegd aan deze wereld, zodat wij daarop nu rustig zouden kunnen bouwen totdat alles gereed is. Het Evangelie is ingeslagen in de wereld. Dat is ook de naaste indruk, die de lezing der evangeliën op ons maakt. Een snelle, felle indaling van hemelvuur. Dat is de kwaliteit van Christus Jezus' gevoelen. Paulus' leven maakt ook die indruk. Hij heeft Jezus niet nagepreekt en niet nagedaan. Maar de kwaliteit van zijn gevoelen is dezelfde. Het is vuur van het hemelse altaar. Het komt er minder op aan of wij nu weer op onze beurt kopieën zullen zijn van de apostel Paulus. Het zou trouwens niet meevallen, als we het wilden beproeven. Maar gesteld dat het kon, dan zou Paulus de eerste zijn om te zeggen: de ander anderszins. Voor onze christelijke gezindheid is het niet in de eerste plaats nodig, dat wij kunnen zeggen tot welke christelijke partij wij behoren, of met welke christelijke belijdenis wij 't eens zijn. Deze dingen mogen hun betekenis hebben in enig opzicht, ter beantwoording van de vraag naar ons christelijk gevoelen zijn zij onvoldoende.
Wij keren tot ons uitgangspunt terug. Velen, ook in onze dagen, zoeken nieuwe religie. Het vreemde, het verre trekt hen aan. Christelijke prediking schijnt hun voor onze tijd niet meer geschikt. En daartegenover leeft ook thans nog de Joodse propaganda; het hangen aan tempel en wet. Mij komt het voor dat te midden van dat alles de verwijzing naar het gevoelen, dat in Christus Jezus was, niets van haar betekenis verloren heeft. Nieuw is deze religie niet. En toch maakt ze alle dingen nieuw.