Friedrich Schleiermacher1
Op 12 februari van dit jaar was het een eeuw geleden dat Schleiermacher, na op zijn sterfbed zelf het Heilig Avondmaal te hebben bediend, de geest gaf. Er is alle reden om dit feit te herdenken en zich de betekenis van deze 'kerkvader der negentiende eeuw' voor de aandacht te roepen. De gemeente, die daaraan mee kan doen, zal waarschijnlijk groter zijn dan ze het bij enig ander theoloog, die na hem gekomen is, zou kunnen worden. Hij is wel de laatste geweest, die de theologie in zulk een mate als een publieke aangelegenheid heeft gezien en haar dienovereenkomstig heeft behandeld, dat men zijn naam naast die van de reformatoren kon noemen.a Zijn invloed op de kerk gaat dan ook op met die van het Duitse idealisme en deelt in de terugslag, die ten opzichte van dat laatste is ingetreden. Pas een volle eeuw nadat zijn beroemde Glaubenslehre verscheen (1819-1822), heeft een catastrofale inbreuk op het bestand van het Westeuropese geestesleven daaraan een vrij plotseling einde bereid.
Wie Schleiermacher wil herdenken, kan daarom bij zijn theologie niet blijven staan. Hij is een heel ander figuur dan bijv. zijn collega's De Wette en Marheineke,2 de eerste oudtestamenticus, de tweede dogmaticus, die met hem de theologische faculteit van de in 1810 te Berlijn opgerichte universiteit bezetten. Dat waren bekwame vakmensen, maar Schleiermacher was een encyclopedische geest, die niet alleen de hele godgeleerdheid in kaart bracht, maar ook de hele universiteit als een bewerktuiging van de structuur van de geest met zijn bouwmeesterlijk denken omvatte. In dat opzicht moet hij naast Fichte en Hegel gesteld worden.
Toen Schleiermacher zijn professoraat aan de universiteit te Berlijn, waarvan hij de 'geestelijke vader' (Schenkel)3 genoemd kan worden, aanvaardde, lag zijn 'Sturm und Drang'-periode reeds enige tijd achter hem. Ik denk daarbij aan de jaren 1796-1802, gedurende welke hij predikant was bij de Charité, dwz. verbonden aan de huiskerk van een ziekenhuis te Berlijn. Hij had toen vier jaren dienst als huisleraar en een tweejarig hulppredikerschap achter zich. Hier moeten wij hem leren kennen, wanneer het ons zal gelukken het universele van Schleiermachers geest enigszins te begrijpen. Wij zullen ons geen voorstelling kunnen maken van de strenge universitaire expansie van het denken van de professor in de theologie en de filosofie, als wij geen indruk hebben ontvangen van de geestdrift, waarmee tijdens zijn eerste verblijf te Berlijn de jonge dominee de aanraking gezocht heeft met het universum, het geheel der dingen zelf. Twee dingen treffen ons buitengewoon, als we op ons in laten werken het karakter van die beide tijden uit Schleiermachers leven, de universitaire en de universele. En dat zijn de eenheid bij de verscheidenheid, en dan de verscheidenheid bij de eenheid. Wel zelden zullen er in het leven van een mens, althans een theoloog, twee tijdperken zijn aan te wijzen, op zo'n betrekkelijk geringe afstand van elkaar, waarin de sfeer zo verschillend is. Hier de romanticus, die zijn gemeente nauwelijks noemt, maar die van de morgen tot de avond op zoek is naar het eeuwige. En die dat doet in intiem verkeer met een jonge literator, die bij hem op zijn ambtskamers in de Charité is komen inwonen. De jonge dominee, die halve dagen doorbrengt in de vrije natuur met een schone en edele Joodse, de vrouw van een arts, en bekendste vertegenwoordigster van het geëmancipeerde, fin-de-siècle Berlijn. - Ginds, in 1810, de trouwe staatsdienaar in dagen van nationale druk, tegen ondank en verdachtmaking in; oefenend landweerman in de straten van Berlijn tussen college-uren en preekdiensten; hogepriester der wetenschap, prediker bij Gods genade, trouw en gelukkig huisvader. - Bij alle verschil is er echter toch eenheid tussen beide perioden. Er ligt geen bekering tussen, slechts overgang. De mogelijkheid en de verklaring daarvan liggen in wat ik, menselijkerwijs gesproken, het absoluut-zedelijke van Schleiermachers geest zou willen noemen en hierin dat, naar zijn eigen verklaring, vroomheid de moederschoot geweest is, waarin die geest werd gevormd.b Zo geeft zijn leven een voorbeeld te zien van een normaal rijpen van het natuurlijke tot het geestelijke, onder leiding van de persoonlijkheid en onder de invloed van het bovenpersoonlijke, het universele. Een levensgang die op zijn beurt ons weer de sleutel reikt tot verklaring van zijn ethisch systeem, dat tegelijk filosofie en theologie is. Want tussen leven en filosoferen bestaat bij hem geen scheiding. Zelfs in zijn sterven moet hij de hoogste speculatieve gedachten denken. Hierin is hij aan de oude Griekse wijzen gelijk, meer dan de meeste moderne denkers.
Schleiermacher behoorde tot de Romantische school. Men rekent daartoe een groep enthousiaste dichters en denkers in Duitsland, allen omstreeks 1800 staande in de eerste mannelijke kracht van ongeveer het dertigste levensjaar. Ik noem de namen van Tieck, de beide Schlegels, August Wilhelm en Friedrich, Hölderlin, Novalis, Schelling. Men kan bezwaar hebben zijn naam al te vast in deze reeks te zetten en die daarom liever, zoals ik deed, op enige afstand daarvan neerschrijven, toch is het niet mogelijk over de schrijver van de Reden über die Religion an die Gebildeten unter ihren Verächtern en van de Monologen te spreken zonder hen er in te betrekken.
De Romantiek is een kruising van de klassieke en de moderne geest, van idee en kritiek. Zij is niet voorstelbaar zonder een achtergrond met de grote figuren van Lessing en Herder, Schiller en Goethe. Deze hebben in de Duitse geest het verlangen naar een schonere wereld wakker geroepen, maar zij deden dat meestal op de manier der Ouden, door de voorstelling van ideeën en gestalten, die ver genoeg boven het alledaagse leven bleven om daar geen directe verwarring te kunnen stichten. Ze waren een schone troost voor de gewone mensen in dit armzalige ondermaanse. Een Duitse Olympus.
Toch gaat dit niet geheel op. Lessing is een nuchtere, kritische geest, wiens werk op vorming uit is, en Herder wekt in de harten een onrustig verlangen naar vreemde toestanden. Goethe is niet alleen de schrijver van Iphigenie auf Tauris en van Tasso, maar ook van de Faust en de Wilhelm Meister. In dit laatste nadert de halfgod van Weimar het dichtst het burgerlijke leven. Hij schrijft een roman, de moderne kunstvorm bij uitnemendheid. De figuren daarin zijn - men vergeve mij de overdrijving - in de Wanderjahre vaak weinig concreter dan in het tweede deel van Faust. Maar in de Lehrjahre (1795-1796) zijn er toch geesten bij, die kans krijgen in een Duitse huid te kruipen. Een zekere gotisering wordt mogelijk.
in de Romantiek is ze werkelijkheid geworden.c Dit kan echter slechts geschieden door een goed stuk van het werkelijke leven, dat bij de klassieken in de dichterlijke vormen behouden blijft, als ballast uit te werpen om het mogelijk te maken in vrije stemming boven de omstandigheden van de dag uit te stijgen. Het gewone leven in Duitsland omstreeks 1800 leverde niet elke dag een bladzijde voor een roman, misschien nog minder dan elders. Men moest dus de fantasie te hulp roepen om zo het bestaan te romantiseren.
Deze werkzaamheid van de geest vormt de inhoud van wat men toen onder 'Bildung' verstond.d Het is iets veel persoonlijkers en engers dan wat wij thans onder cultuur verstaan. Het is kunstmatige en artistieke zelfschepping. Ze nam verschillende vormen aan: een filosofische bij Friedrich Schlegel, een dichterlijke bij Tieck en Hardenberg (Novalis).5 Maar ook sociaal was ze werkzaam, in een spelende vermooiing van het leven binnen en soms ook wel buiten de conventionele vormen. Ze had een emanciperende werking.
Wie van dit laatste een indruk wil krijgen - en dat interesseert ons hier sterk in verband met ons onderwerp -, die verdiepe zich in de brieven van Schleiermacher, in twee banden door Dilthey uitgegeven.
In het eerste en derde deel zal men die aantreffen, welke op zijn eerste Berlijnse periode betrekking hebben. Ze geven ons soms bijna van dag tot dag stemmingsbeelden en vertrouwelijke mededelingen uit zijn leven. Zij leren ons de sfeer kennen, waarin de Reden über die Religion en de Monologen zijn ontstaan.
Het zijn vooral vrouwen, voor wie de jonge predikant, gaarne zijn hart ontsluit. Ook hierin komt het absoluut-zedelijke van zijn geest uit. - Allereerst is het zijn zuster Charlotte, met wie hij in een levendige briefwisseling staat. Dit is de wortel, waarmee hij in de hernhutterse vroomheid, waarin hij was opgevoed, blijft staan. Voor haar heeft hij geen geheimen. Maar Schleiermacher is een geëmancipeerde hernhutter. Een hernhutter 'höhern Ordnung'e noemt hij zichzelf. Daarom eist hij voor zich het recht op de broeder- en zusterkring wijder te trekken dan men het te Gnadenfrei gewend was. Maar het gemeentelijk model behoudt hij bij. Nooit zwijgt in zijn geest en leven de muzikale toon, die de liturgische beweging van de gemeenschap der heiligen in die kleine kring afgeeft. Als een stil gesternte, feen universum op zichzelf, waar een eeuwige vrouwelijkheid de grondtoon is van het bestaan, staat de gemeente levenslang aan zijn oostelijke hemel.
Dit moeten wij als de achtergrond zien van Schleiermachers deelname aan het geëmancipeerde, romantische leven van 't jong Berlijn omstreeks 1800. Dan pas hebben wij de moed om iets te zeggen van zijn verhouding tot twee andere vrouwen.
De eerste is Henriette Herz, de vrouw van een bekend medicus in de stad en Jodin.6 Het waren niet in de laatste plaats Joodse huizen, waarin toen iets van de nieuwere geest zich begon te roeren. De meeste goede families te Berlijn hielden zich aan de levenstoon uit de dagen van de grote keurvorst. Voor hen was de Aufklärung met haar zin voor verstand en nut voldoende modernisering. De salon van Herz, een der eersten van die aard te Berlijn, trok al wat een romantische geest in zich speurde tot zich. Schleiermacher heeft er veel aan te danken gehad. Zijn eerste tijd, na zijn breken met de hernhutterse kerkleer, was gekenmerkt geweest door een zekere ouwelijkheid, onderhouden door straf-wetenschappelijke ethische studiën en gepaard met een zeker scepticisme, dat hem een tijdlang op intieme voet bracht met de lectuur van Montaigne. Er is dan een koketteren met de dood, dat hem nooit helemaal verlaten heeft, maar later onschuldig is. Men kan het zijn 'zwarte tijd' noemen, maar dan à la Beets, niet op de wijze van Byron. Hij geneest ervan. In dat opzicht is zijn eerste verblijf in Berlijn, zijn aanraking met de romantiek in de samenleving en in de letterkunde, een verjongingskuur geweest. Zijn zedelijk karakter is in dit wereldse Herrnhut alzijdig uitgebouwd.
Zonder gevaar was dit niet. Zijn zuster maakt zich soms ernstig bezorgd en evenzo zijn vaderlijke vriend, de hofprediker Sack.7 Romantiek blijft romantiek en Schleiermacher heeft daaraan in zijn ideale liefde tot Eleonore Grunow8 de tol betaald. Deze verhouding tot een ongelukkig gehuwde predikantsvrouw is niet goed te praten. Maar zij valt niet buiten het kader van zijn leven. Hij is hier wel aan Gods wet, maar niet aan zichzelf ontrouw geworden. Zijn brieven aan haar ademen geen minder zuivere toon dan die aan zijn zuster. Zijn absolute zedelijkheid wordt er niet door verbroken. Maar daarin ligt ook reeds kritiek op de denkwijze van Schleiermacher besloten.
Een afzonderlijke bespreking slechts zou de verhouding tot Friedrich Schlegel, die begin 1798 met Schleiermacher ging samenwonen, kunnen tekenen. Hij en zijn oudere broer, August Wilhelm, zijn de critici der Romantische school; de laatste meer literair, de eerste ook wijsgerig. Door deze aanraking vaart de stormwind der nieuwe ideeën in Schleiermachers ethische bezinning. Hij brengt zijn denken niet uit de voegen, maar bevrucht het op allerlei wijze. De Brieven geven een levendig beeld van het onstuimige studieverkeer der beide vrienden in het jaar 1798. Schleiermacher ziet op tegen de talenten van Schlegel en deze ontdekt de vaste zedelijke structuur in de persoonlijkheid van zijn vriend.g Hij ziet hoe deze de romantische gedachten tot bestanddelen van zijn innerlijk wezen samenbouwt en dat hij dat doen kan, omdat er een diepere grond achter zijn wezen is en een eigen gang in zijn leven. Hij tracht zijn zelfvertrouwen op te wekken en prest hem tot schrijven.
De eerste rijpe vrucht daarvan zijn de Reden. Die zijn een vreemde verschijning in die kring. Men zou hebben kunnen verwachten dat ook Schleiermacher zijn roman geschreven had evenals Tieck en Novalis. Schlegel porde hem daartoe aanh en hij schijnt er een tijdlang het plan toe gehad te hebben blijkens een brief aan Charlotte. Dat had dan een Wilhelm Meister 'höhern Ordnung' moeten wordeni De jonge Schleiermacher houdt niet van Goethe. "Gar wohl kann ich mir denken", schrijft hij 1 mei 1799 aan Henriette Herz, "dass er im gemeinen (d.h. im unkünstlerischen, unliterarischen und unministeriellen) Leben eine gewisse Liebhaberei für's Triviale und Gemeine haben kan."j Dat is zijn zedelijk oordeel en kan op Philine slaan. Maar het meest kwalijk neemt hij hem zijn hoofdstuk Bekenntnisse einer schönen Seele. "Die Anmaszung, auch so etwas in seinem Buch zu haben, welches gewissermaszen die ganze menschliche Natur umfassen soll, hat sich selbst gestraft", zo schrijft hij in juni 1798 aan Charlotte.k
Daarover mag Schleiermacher wel schrijven; over wat de menselijke natuur omvat. Geen roman, maar 'Reden' over de 'Religion'; over het universum. Hij schrijft ze in de eerste maanden van 1799 te Potsdam, waar hij dienst doet als plaatsvervanger. Die bevatten romantiek 'höhern Ordnung', höchster Ordnung; maar tevens verraden ze dat Schleiermacher zich bewust is een geheim te hoeden, waarvan een classicus als Goethe niet afweet. Hij hoopt echter dat zijn vrienden van de nieuwe 'Bildung' er een orgaan voor zullen hebben. Daarom schrijft hij aan 'die Gebildeten' onder de verachters van de godsdienst.
De vorm van de Reden beantwoordt aan de eisen die de Romantiek aan haar adepten stelde. De taal is priesterlijk, uitdrukkingswijze van iemand die als middelaar optreedt. Zij moet kunstproza zijn dat zich aanpast bij het onderwerp. Er moet iets aan zijn van een heilige schrift. En deze vorm behoudt ook voor ons nog zijn bekoring.
De inhoud keert zich allereerst polemisch tegen de rationalisten. Het is geen wonder dat de 'Gebildeten' in de koude leerstukken en de dorre moraal geen 'Religion' kunnen vinden. De individualiteit heeft haar rechten en als het universum, het geheel der dingen, voor ons iets zal zijn, dan moet er mystieke kennis zijn. Men moet 'zin en smaak voor het Oneindige' hebben, zegt de schrijver in de tweede Rede.l
Schleiermacher is kantiaan. Hij gelooft niet dat men de eeuwige dingen zakelijk kan aannemen, rationeel bewijzen. Er zijn verschillende provincies in het rijk der werkelijkheid en des geestes en voor elk van die bestaat een eigen aanpassingswijze. Maar hij wil weer een kantiaan 'höhern Ordnung' zijn en die hogere macht heet in dit geval Fichte. Dat heeft hij met de overige romantici gemeen. Fichte gaf hun grotere moed, wij mogen wel zeggen overmoed inzake de opvatting der werkelijkheid. Kant was tenslotte een eerbiedige geest, Fichte een resolute geest. Maar terwijl deze vastberadenheid zich bij Fichte, met Kant, in zedelijke richting uitstrekt, richt Schleiermacher zich hier op het eeuwige, het oneindige. En zo roept hij, waar Kant hem niet kan helpen, Spinoza aan. Bij hem leert hij een directe betrekking tussen de eeuwige substantie en de enkeling zien, ook al vat hij die substantie veel moderner, veel humaner op dan Spinoza dat deed. Het universum is voor hem een gemeente, een bovenpersoonlijk verband des geestes. Een Herrnhut in 't groot.
In die gemeente heeft ieder lid een eeuwige betekenis. Elk is er op zijn beurt hoofdpersoon. Die eeuwige waarde van het individu heeft Schleiermacher in de Monologen uitgesproken. Wij zijn hier aan de andere pool van zijn gedachtenbeweging. Maar de Monologen en de Reden laten ons dezelfde wereld zien, alleen maar van twee kanten bekeken. De eersten zijn niet minder religieus dan de anderen en in de Reden blijven wij tenslotte evengoed in de zedelijke sfeer als in de Monologen. Tussen religie en ethiek is hier geen grens. Er is geen eigenlijk geloof en evenmin gebod.
De taal der Monologen is even muzikaal als die in de Reden, naar de eis van het romantisch proza. Maar nu is er meer ritme in, waar het individu 'melodisch und harmonisch nach dem Zeitmasz' in de 'Tanz der Horen' gaat inspringen.m De muziek in de Reden is gedragener, gewijder. Als de priester daar de gemeente oproept met de woorden: 'Opfert mit mir ... eine Locke den Manen des heiligen verstossenen Weisen',n dan doen de laatste maten van die regel aan akkoorden denken. Ze komen als orgeltonen uit zijn prille jeugd, terwijl de Monologen de takt hebben van het versnelde leven te Berlijn.
In dit kleine boekje, nieuwjaarsgift n aan het jaar 1800, schouwt de schrijver het eeuwige in de individualiteit. De geest heeft het 'al' nodig en vindt toch ook alles in zichzelf. Het individu is geen titan als bij Fichte, maar het behoeft toch ook geen gebod aan te nemen. Het speelt zijn eigen rol. Leven is 'Bildung', waarbij iemand steeds meer zichzelf wordt. Tegenover de verzakelijking van het leven en de materialisering daarvan zweert de schrijver zichzelf een eeuwige persoonlijke jeugd. En hier wekt de profeet, niet de priester op tot kringvorming en roept zijn discipelen. Als profeet heeft hij ook zijn eschatologie, een leer der laatste dingen voor het individu: ouderdom en dood. Met behulp van de fantasie roept hij zich de roman van een eeuwig leven uit zijn binnenste wakker.
Zo is de Schleiermacher van 1800. Zijn zuster Charlotte stoot zich aan de 'Stolz' in zijn boekje en geeft hem de bijnaam: 'der Erhabene'. Hij antwoordt: 'Wer so stolz ist, kann auch wieder recht demüthig sein.'o Dit is dezelfde man, die op 15 februari 1799 aan Henriette Herz schrijft: 'Ich zweifle sogar, ob ich ein Individuum bin. Ich strecke alle meine Wurzeln und Blätter aus nach Liebe.' Anders is hij 'gleich trocken und welk.' pEn op 1 juli: 'Niemand ist dem Verwelken und dem Tode immerfort so nahe als ich.'q
Wij hebben gezien dat het een en het ander bij hem niet in strijd behoeft te zijn. Het leven moet voor zulk een man tegelijk goed en hard zijn. Behalve de eb en vloed tussen universum en individu, waarover de Reden en de Monologen schrijven, is er ook nog zoiets als God en lot in de wereld en in verband daarmee is de fantasie van geen nut, maar moet het bericht, de prediking en de ervaring dienst doen. Dan krijgt de naam van Jezus ook groter betekenis dan die van Spinoza. Schleiermacher heeft daar altijd van geweten. De gedachte aan de kleine Jezus-gemeente te Gnadenfrei, aan Charlotte en de andere liefdezusters, 'diese schlesischen Gestirne',r verlicht zijn eerste, wat onwennige weken te Berlijn. Maar ook levenslang heeft ze dat gedaan, waar hij een voorliefde heeft voor liederen ter ere van de Heiland.
En, hernhutter van hoger orde die hij is, werkt nog wel op krachtiger wijze dan in deze stille kring bij hem het besef van God en lot. Wij zouden zijn invloed op de theologie niet kunnen verklaren als wij daar geen rekening mee houden. Van gereformeerde afkomst, heeft hij een streng-ethische en praktische trek in zijn wezen en werk, die hem ook in zijn romantische tijd eigen blijft. Voor en onder en na zijn eerste verblijf te Berlijn is hij daarin zichzelf trouw gebleven. Zijn streng-methodisch werken en zijn ethisch preken hebben hem door zijn Sturm- und Drang-periode heengedragen. Deze werd in 1802 plotseling afgebroken door een soort vriendschappelijke kerkelijke verbanning naar de provinciale gemeente Stolpe. Hier kwam het eerste deel van zijn vertaling van Plato gereed. Zij heeft een plaats naast de Shakespearevertolking van A.W. Schlegel. Samen illustreren ze de zin van de Romantiek voor filosofie en letteren en voor klassieken en modernen tegelijk.
Ook de ethische studiën werden voortgezet. Inmiddels was het preken thans voor hem een dubbele behoefte. 'Das Predigen', schreef hij op 16 september 1802 aan Henriette Herz, 'ist jetzt das einzige Mittel von persönlicher Wirkung auf den gemeinschaftlichen Sinn der Menschen in Masse."s Het is hem zijn hele leven door onontbeerlijk geweest.
Dan volgt van 1804-1807 zijn werkzaamheid aan de universiteit te Halle.
Het waren innerlijk en uiterlijk moeilijke jaren voor hem, waarin hij afstierf aan de Romantiek. Innerlijk doordat Eleonore Grunow na jarenlange aarzeling de verhouding tot hem voorgoed afbrak. Hier won de trouwbelofte voor God het van het spel met het universele. Uiterlijk zijn het de noodlotsdagen van Duitsland voor en na de slag bij Jena in 1806. Fichte slingerde toen in die nood het verwijt tegen de apostel Paulus, dat hij het christendom had bedorven, wat later door Lagarde9 is overgenomen en thans in Duitsland hoogtij viert. Het christendom, zo leerde hij, moest scheppend en leidend principe voor een nieuwe staat worden. Schleiermacher heeft daartegen protest aangetekend. Dit was slechts mogelijk op een ogenblik. waarop Schleiermacher 'der Romantik unbedingt den Abschied gab und sich für die groszen praktischen Interessen in Staat und Kirche entschied'.t God en het mensenlot hernemen voor Schleiermacher bij het dreunen der wereldgebeurtenissen een deel van de plaats, die hij een tijdlang zo uitsluitend aan universum en individu had ingeruimd. Merkwaardig is ook dat in deze tijd, uin zijn Weihnachtsfeier, de gestalte van Jezus Christus naar voren komt. Het Kerstfeest komt nu in de plaats van Nieuwjaar, dat in de Monologen uitgangspunt voor meditatie was.
Zo buigt de baan van Schleiermachers leven en denken zich uit de fantasie in de werkelijkheid neer. Het kunnen niet alleen de omstandigheden geweest zijn die dit teweeg brachten. De zedelijke ernst en de geweldige spanning van de arbeid, die dit hele leven beheersen, moeten dezelfde graviterende werking gehad hebben. In Halle te eerder, omdat de veiligheidsklep van zijn leven, de prediking, daar belast was. Men wilde het instituut van academieprediking lange tijd niet, omdat men in hem een ketter zag.
Uit Halle moest Schleiermacher voor de politieke nood wijken naar Berlijn. Hier heeft hij dan in de zware jaren van Duitslands grootste vernedering en later in de trieste tijd der Restauratie het terrein gevonden, waarop hij zijn kerkvaderlijke werkzaamheid, die ik in 't begin van dit opstel karakteriseerde, uitoefende. Als lid van de Academie van wetenschappen, hoogleraar aan de universiteit, tijdelijk ook als lid van het ministerie van onderwijs, en niet 't minst als prediker aan de 'Dreifaltigkeitskirche' heeft hij hier tot zijn dood toe die verbazingwekkende werkzaamheid ontwikkeld, die er achter zijn grote invloed op de Duitse cultuur, kerk en theologie schuilt. Hier schreef hij zijn Kurze Darstellung des theologischen Studiums en zijn Glaubenslehre. Hier hield hij zijn voorlezingen over zedeleer en dialectiek, die na zijn dood zijn uitgegeven. Hier oefende hij zijn invloed op de praktische leiding van de kerk van zijn dagen.
De theoloog en de filosoof heb ik hier niet trachten te tekenen. Voor dit tijdschrift en in dit kleine bestek leek mij dat minder gewenst. Ik heb er iets van willen laten zien, welke geest deze laatste 'kerkvader' is geweest, die de geloofsleer voor de kerkleer in de plaats zocht te stellen.
Zijn theologie en zijn filosofie dragen tot 't einde toe de kenmerken van een vermenging van klassieke, christelijke en moderne geest, die aan het Duitse idealisme eigen is. Zijn eigen plaats wordt daarbij bepaald door een verbinding van geniale spontaneïteit en van een gelovige en gehoorzame overgave aan zijn Heiland en Verlosser, waarmee hij staat in de rij der ware zonen van de Reformatie en van alle katholieke kinderen Gods.