O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Liturgie in de crisisInhoudEredienst →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 244–251

Eredienst1

1

Wanneer ik, zoals de laatste tijd steeds meer het geval is, boven een simpel predikbeurtenlijstje het woord 'Eredienst' zie staan, dan geeft mij dat het gevoel van een sterke inconsequentie. Hier hapert iets in de kerkelijke gedachte en het lijkt mij zeer de moeite waard de fout op te sporen. Natuurlijk niet uit een taalkundig oogpunt alleen, maar om alles wat er achter schuilt. Het gaat hier om de lading, die het woord meebrengt; om de straffe samenvatting van alle handelingen in de kerk en de toepassing daarvan op alle samenkomsten van de gemeente.

Ging het enkel om de gepastheid van het woord, dan zou ik, met een verwijzing naar Lukas 1 : 8, kunnen opmerken, dat het woord beurt, dat onder vele ambtsdragers de orde van de dienst wil aanwijzen, nog zo kwaad niet is. En dat 'eredienst' daarvoor absoluut niet dienen kan. Het staat boven zo'n lijst vreemd, gewild, opzettelijk, met een niet geheel zuivere bedoeling. Het riekt naar propaganda.

Maar, zoals reeds gezegd, gaat het thans daarover niet, maar om de zaak zelve. Om de vraag of de christelijke kerk zulk een straffe samenvatting van de kerkelijke handelingen, als door het woord 'eredienst', naar moderne bedoeling, wordt verondersteld, kent. En in de tweede plaats daarom of, gesteld dat dit wel het geval was, de overbrenging daarvan op het merendeel van de gemeentelijke samenkomsten, zoals wij die hebben, toelaatbaar is.

Ik wil om bepaalde redenen liever met het laatste beginnen. Ik veronderstel dus een ogenblik dat - wat ik later zal ontkennen - de Oude kerk gehad heeft wat men thans in sommige kwartieren onder eredienst verstaat. NI. een gesloten samenstel van kerkelijke handelingen, dat culmineerde in aanbidding. Een dienst derhalve, die ten doel had om te eren, Christus te eren, God te eren, zoals er in een heidense stad een tempeldienst was, een offerdienst, die de exponent was van de burgerschap, de civitas. Zulk een eredienst zou dan de christenheid, de civitas Dei, ook gehad hebben, samen met de engelen in de hemel.

Zulk een burgerschap met haar eredienst kunnen wij ons alleen denken naar analogie van de antieke stad, de polis. Er moet een bisschop zijn om haar leiding te geven en zulk een half pontificale, half reglementale figuur is daarvan dan ook onafscheidelijk.

Ik heb vroeger eens de onderscheiding gemaakt tussen een bisschoppelijke en een pastorale dogmatiek.2 Hier zou ik hetzelfde willen doen ten opzichte van de eredienst. Onze gemeenten hebben geen bisschop, maar een presbyter tot leider. En deze presbyteriale kerkorde is veel eerder ontstaan dan bij de Reformatie. Zij is, mede in verband met het verdwijnen van de antieke polis, reeds in de vroege middeleeuwen verschenen. Toen er een onevenredigheid ontstond tussen de omvang van het bisdom en het aantal kerken, werd de presbyteriale kerkorde geboren. Zo bepaalde een synode te Parijs in 829 dat, zoals iedere 'civitas' een bisschop behoorde te hebben, iedere kerk een eigen presbyter moest hebben.a De predikantsplaats ontstond. "Maar", schrijft Hauck, "de middeleeuwse gemeenten, die op die manier ontstonden, waren in geen enkel opzicht een tegenhanger van de gemeenten der Oude kerk; het waren zielszorgskringen."b3 .De presbyter bleef dus wel tot het grote geheel behoren, maar was ten opzichte van de pastoraal gelokaliseerd. De predikantsplaats mag dus niet worden verabsoluteerd. Ook wanneer alle ambtshandelingen uit de civitas, de gemeentenaar-het-model-der-Oude kerk, in de parochie werden overgebracht, dan droeg zulk een deel van het geheel toch een geheel ander karakter. Alles stond in het teken van de pastoraal.

Dat deze verdeling van de diocese in parochies een zegen is geweest, daarvoor is de geschiedenis van de Africaanse kerk ten tijde van Augustinus een bewijs. Het donatisme4⌫ was voor een deel een gevolg van een te groot aantal bisschopszetels. Het was een teken van een gezonde geestelijke ontwikkeling dat de middeleeuwse christenheid, in aansluiting aan een andere verhouding van stad en land, tot de presbyteriale kerkorde kwam, reeds lang voor Calvijn. Deze heeft slechts de consequenties getrokken uit wat ten tijde van Karel de Grote plaatsvond.

Merkwaardig is ook, dat het opkomen van de biecht als kerkelijke zede vrijwel samenvalt met de bovenbedoelde indeling van de diocese in parochies. De boete werd na het wegvallen van de antieke kerkelijke polis van andere aard. Vroeger droeg zij het karakter van uitsluiting, zonder of met wederopname. Zij is er met het oog op de gemeente, de civitas Dei. Later, in de parochie, bestaat zij met het oog op de poenitent. De biecht is een onderdeel van de zielszorg. - Daarnaast heeft zich dan de episcopale tucht zelfstandig in meer wereldlijke, juridische richting ontwikkeld, na de negende eeuw.

Uit dit alles blijkt, dat er een groot onderscheid is tussen het wezen van de Oude en de latere Westerse gemeente. Gesteld al dat de eerste een gesloten eredienst had, waarin de verschillende kerkelijke handelingen opgingen in aanbidding, een eredienst met een offer als middelpunt, dan zou dat toch niet gelden voor de latere. Reeds de vorm der parochie, een zekere onbegrensdheid, is uitdrukking van haar pastorale wezen. De verschillende kerkelijke diensten zijn ook niet als geheel, maar stuksgewijze, soms één voor één, in de parochie overgebracht. En dit wijst er reeds op, waarover later, dat ook in de bisschoppelijke gemeente de eredienst nooit zulk een homogeen geheel is geweest als men dat soms meent. Hier wijs ik er echter slechts op dat deze min of meer ongeregelde overbrenging van de episcopa-le naar de presbyteriale kerk voor de westerse christenheid principiële betekenis heeft gekregen. De nieuwe kerkvorm is van een meer herderlijk type, waarbij de preek meer op de voorgrond komt. Men voert de inrichting van een eredienst in ieder geval ad absurdum, als men haar even vaak herhaalt als de diocese in predikantsplaatsen wordt ingedeeld. De zaak verdraagt hoe het met de antieke eredienst ook moge gesteld zijn - een zo hoog vermenigvuldigingscijfer niet.

Deze ontwikkelingslijn ligt, zoals zoveel, reeds bij Augustinus afgeschaduwd. "De Roomse Kerk" - zo schreef ik vroeger reeds5 - "zou een meer herderlijk type hebben vertoond, als ze geheel en zuiver door Augustinus gestempeld was geworden." Deze kerkvader was reeds min of meer los van de antieke 'polis'. Zijn strijd tegen het donatisme gaat daartegen.

Wanneer men daarop terug zou willen komen, dan ging dat in tegen het karakter van de hele westerse christenheid. Dat zou een kerkelijke zonde zijn van de eerste grootte. De elementen van lof en offer hebben in de eredienst aanvankelijk misschien een onevenredige groei vertoond, zoals die van vrijheid en verdienste in de leer. Dat is toe te schrijven aan de nawerking van Jodendom en heidendom. Maar zij zijn achterhaald door de barmhartigheid uit de evangeliën en de rechtvaardigheid uit de brieven. Daar staat alles in de richting van God naar ons toe en niet omgekeerd. Lof en offer zullen tot de christelijke eredienst blijven behoren, zoals zij het ook tot de Joodse en heidense hebben gedaan. Maar in de kerk kunnen zij niet in het middelpunt staan en het geheel niet bepalen. Niet de aanbidding, maar de prediking doet dat.

Bij de Reformatie is met vaste, onverbiddelijke hand, het offer uit het hart van de eredienst uitgesneden. En Calvijn heeft, zeer consequent, in overeenstemming daarmee, ook de bisschop, die als leider van de eredienst-in-deze-zin, als ontvanger van de gaven uit een college van presbyters was naar voren gekomen,c in dat college teruggedrukt.

Zou nu in iedere parochiale gemeente, in iedere presbyterskerk een eredienst naar het model van de oude civitas, let wel: naar moderne liturgische constructie, worden ingevoerd, door kunstmatige kweek, dan zou dat leiden tot een noodlottige woekering van wat in de kerk reeds lang is vergroeid. ⚑2

In mijn eerste artikel ging ik tijdelijk van de veronderstelling uit, dat de Oude kerk een gesloten eredienst zou hebben gekend, met het offer als middelpunt. Ik zocht aan te wijzen dat, wanneer dit inderdaad het geval is geweest, de Westerse kerk, in verband met het ontstaan van de presbyteria-le kerkorde, daaraan ontgroeide en dat een kunstmatige kweek van het door de leiding des Geestes overwonnene, tot een ongezonde woekering zou moeten leiden.

Thans moet de bovenbedoelde veronderstelling nader onder ogen worden gezien. Nu is het bekend, dat de offer-theorie ten opzichte van het H. Avondmaal in de Oude kerk nog niet die voltooide vorm had gekregen als bijv. bij Thomas Aquinas. De aanroeping van de H. Geest had ook in de liturgie, tegenover een herhaling van Christus' offerande, nog een ruimere plaats. Pinksteren was minder gedoofd, minder een feest en nog meer werkelijkheid. Van der Leeuw ontkent dan ook in zijn Liturgiek,d dat het offer toen reeds middelpunt van de eredienst was.

Daartegenover kan men stellen, wat een bekend schrijver, ik meen Burckhardt, ergens zegt, dat de toenmalige mensen zich een eredienst zonder offer niet konden voorstellen.6 In de middeleeuwen zou de offerande in de dienst niet meer ontstaan zijn, als zij er niet geweest was. En in de Oudheid was een verwijderen van het offer, zoals dat aan het eind van de middeleeuwen, bij de Reformatie heeft plaats gehad, ondenkbaar.

De vorm van de kerk en van de eredienst was in de Oudheid inderdaad naar boven opener, naar buiten geslotener dan later. De bisschopsgemeente met haar tucht had meer afronding dan de latere parochie met haar biecht. En dat geldt ook van de eredienst.

Wanneer dit het geval is krijgt het volgende te meer betekenis. Voor de delen van de eredienst, de prediking, het gebed, Doop, Avondmaal heeft het N.T. eigen woorden gevormd, maar niet voor het geheel daarvan.e En de ontleende woorden weigeren blijkbaar hun dienst. Zij slaan op de oudtestamentische of op de innerlijke eredienst. Het 'geen stad zonder tempel' van Plutarchus geldt hier niet.7 Noch te Samaria, noch te Jeruzalem zegt Jezus.8 De kerk is aan de ban van de 'polis' ontkomen. En Paulus heeft in Rom. 12 : 1 Rome reeds gewaarschuwd om daarop niet terug te komen. Daardoor kan ook de eredienst niet die afronding krijgen, die elders aanwezig was. De elementen van de christelijke godsdienst hebben wegen nodig. De prediking tot aan de einden der aarde, met de Doop. Het Avondmaal tot de wederkomst van Christus, in de tijd. ⚑Daarom kan de Vulgaat, de Latijnse kerkbijbel, het woord 'cultus', dat thans zo gangbaar is, ook niet gebruiken, omdat de heidense godsverering daardoor wordt aangeduid. En dat is de hele middeleeuwen door zo gebleven. Pas de Reformatie dorst, op veilige afstand, onder de invloed van het Humanisme, zich daarmee weer afgeven.

De kerk zit dus wat verlegen als zij een woord voor de hele eredienst nodig heeft. Het woord 'mis' stamt uit de spraakmakende gemeente, zoals 'kerk' bij ons. Er is geen naam die wij van het N.T. maar kunnen overnemen en doorvertalen. De woorden die gebruikt worden willen niet scherp treffen en hun opvolging is zeer gebrekkig. De vertaling van het Griekse woord in de Vulgaat raakt later weer zoek. - In de middeleeuwen ontstaat het Latijnse woord (servitium Dei), dat letterlijk vertaald wordt met het in de Statenvertaling nog gebruikelijke, maar nu verouderde 'godsdienst'. Maar weer wil het woord niet goed toepasselijk zijn. Godsdienst betekent in de middeleeuwen ruim zoveel het kloosterleven als de eredienst. En ook later heeft het nooit die exclusieve betekenis gehad als nu 'eredienst'.

Wanneer wij dan in de woorden 'cultus' en 'eredienst' plotseling een ongewoon ruime copia verborum hebben voor het geheel der kerkelijke handelingen, dan is dat wat verdacht. Van de apostelen af was dat niet het geval. Daarom moeten wij hier in het bijzonder van het woord 'eredienst' de doopceel lichten. Men mag het niet als een zuiver synoniem van het verouderde 'godsdienst' beschouwen. Van der Leeuw, in zijn Liturgiekf schijnt dit wel te doen. Hij zegt dat met 'ere' op God wordt gedoeld. Ik geloof niet dat dit juist is. Ik vermoed dat in het woord een meervoud schuilt en dat dit meervoud natuurlijk niet God, maar de kerkelijke plechtigheden omvat, de preek, de sacramenten enz. Dat zijn in 't middeleeuws Latijn de 'honores', die bediend worden (serviuntur). De Fransen spreken voor 't profane leven ook nog van het waarnemen van de 'honneurs'. Zo waren er in de tijd van Karel de Grote kerken die alle eres hadden en andere die bijv. slechts één hadden. De parochiekerk had ze weldra allemaal.g Maar, zoals ik reeds in mijn eerste artikel schreef, zij werden stuksgewijze overgebracht. De 'honores' vormen geen gesloten eenheid, maar gaan elk zijn eigen weg. Zij kunnen in verschillende groeperingen optreden. Doop en Avondmaal bijv. kunnen van elkaar afraken, zodat de ene kerk doopkerk is en de andere mis- en preekkerk.

De dienst, waarvan hier sprake is, is dus eigenlijk een bedienen. Zo spreken wij ook nog van de bediening van het H. Avondmaal of van Doopsbediening. Bediening zonder meer wordt van het eerste gezegd. Of wanneer wij het kortere 'dienst' gebruiken, dan verbinden wij dat ook wel met telkens een andere ambtshandeling: de dienst des Woords, der sacramenten, der gebeden.

Zo wordt het hoe langer hoe duidelijker dat het woord 'eredienst' de betekenis, die het in de praktische theologie had, verloren heeft. De moderne speculatieve gedachte heeft er zich van meester gemaakt. Men heeft er een symbool van gemaakt voor de eenheid en de geslotenheid van de liturgie, terwijl in het 'servire honores'juist de erkenning ligt van wat wij in het N.T. vonden, dat Gods genade verscheidene wegen heeft gekozen en dat een duidelijke naam voor het geheel ontbreekt. Tevens blijkt dan ook dat het onjuist is om in het woord een samenvatting tot aanbidding te beluisteren. De diensten waarvan hier sprake is, hebben niet regelrecht op God betrekking, maar doen dat alleen, zoals altijd in de christelijke godsdienst, door bemiddeling van wat God in zijn genade tussen zich en ons heeft geplaatst. Van deze genademiddelen spreken wij ook altijd in het meervoud.

Dat de zaak zo staat wordt trouwens ook erkend door iemand als Rietschel, in zijn Leerboek der Liturgiek.9 Hij wijst er op dat de kerkelijke ambtelijke handelingen van zeer verschillende gebieden komen, bijv. het Avondmaal en de Trouw. Hij ontkent dat er een liturgiek zou bestaan, zoals er een homiletiek en een catechetiek zijn. Alleen door samenvatting tot eredienst zou men een geheel kunnen krijgen.h

Dat is dan een speculatieve taak en daarmee gevaarlijk voor de verschillende diensten afzonderlijk. Zij begon in de buurt van Schleiermacher beoefend te worden. Ook roomsen zijn er de laatste tijd aan mee gaan doen, ofschoon zij zich meer empirisch gebonden voelen.

Het besef van de meervoudigheid der genademiddelen heeft van het begin af in de kerk bestaan. Maar er is nog een bijzonder verband tussen de presbyteriale kerkorde en een open, meervoudige eredienst. De zielszorg in de biechtstoel en bij de gereformeerden in de gemeente, verhindert een overspanning van de eenheid in de eredienst. Dat hangt samen met het ontstaan van deze zielszorg in de kloosters. Het ascetische leven is de historische concurrent van weelderige liturgie. In de middeleeuwen wordt hetzelfde woord voor kloosterleven en eredienst gebruikt; zij moeten het delen. Maar het kon pas goed duidelijk worden toen de presbyteriale kerkorde eigen banen ging. De Puritein is voor de liturgie over een wereldzee gevlucht. En omgekeerd kan men zeggen dat waar de liturgie hoogtij gaat vieren, de bisschop om de hoek staat.

Van der Leeuw heeft zich in zijn Liturgiek ernstig met deze dingen beziggehouden. Zijn boek is op dit punt bezonnener dan het Handboek.10 Hij erkent dat een 'afronding' van de eredienst bederf kan betekenen, zoals bij Thomas Aquinas.i Toch spreekt hij van de structuur van de eredienst, die hervonden moet wordenj en verwijt hij de gereformeerden, dat zij het vaste middelpunt der liturgische structuur hebben verzetk en aan Luther dat de prediking bij hem niet tot een geheel met de eredienst vergroeide.l Op dit punt - het hoofdpunt - is hij in zijn boek niet tot klaarheid gekomen. Enerzijds denkt hij zich de liturgie in cirkelvorm, met een vaste structuur rondom een centrumm en daarnaast in kruisvorm, waarbij het kruis als een organisme, nader een lichaam, wordt gedacht.n Het altaar is dan het hoofd, zoals het elderso het centrum is. Hoezeer dan ook de idee van een lichaam - nu afgezien van de titel 'kruisvorm'- erkenning verdient, omdat daar plaats is voor 'vele leden' van 1 Kor. 12, toch is deze overbrenging van de gemeente op de liturgie niet onbedenkelijk. Het is dan ook geen wonder dat in deze liturgiek de eredienst niet aan de gevaren van de speculatie ontkomt. Bovendien wordt de idee van een organisme weinig consequent volgehouden. Het hoofd heet enige regels verder toch weer centrum.p Nu eens wordt het wantrouwen van de Hervorming "tegenover alle gesloten vorm, tegenover alle pogingen om de kruisvorm in de cirkelvorm te doen overgaan" gerechtvaardigd genoemdq, dan weer zien wij de afronding van de eredienst, ter verluchting van de structurele gedachte, naast de tekst voor het oog zichtbaar gemaakt. Deze denkvorm wordt niet ernstig doorbroken. De liturgie krijgt een homogene sfeer rondom het altaar, waarbinnen de sacramentele dichtheid naar de omtrek toe afneemt. Dit is misschien een cultus, een eredienst in moderne zin, maar geen bediening van Woord en sacramenten.

De kerk is in haar opvattingen steeds veel nuchterder geweest. Zij vatte de kerkelijke handelingen veel meer empirisch op, naar haar eigen aard. Van der Leeuw had een kans in dat spoor te komen toen hij ging spreken over de liturgie als dienst.r Immers hier moet hij erkennen dat God de beschikking houdt over alle bestanddelen van de eredienst. Maar de sacramentele idee hield hem nu eenmaal gevangen.

In verband met de verschillende diensten hebben wij te eerbiedigen de wegen Gods in de eredienst. Zij zijn, zoals alle wegen Gods, wonderbaar, doch hier wel 't allermeest. Er is een volle gelegenheid voor de prediking buiten het bereik van het sacramentele. Dat sacramentele is een abstractie; er zijn sacramenten en het ene is scherp gescheiden van het andere. Het gebed en het offer hebben wij met de heidenen gemeen, zoals het geloof aan de voorzienigheid Gods in de leer. Maar in de christelijke eredienst is God in het midden gekomen met Evangelie en sacramenten en die hebben de heidenen niet. Reeds dit onderscheid schept een klove in de liturgie, die wij niet kunnen overbruggen.

Mocht het woord 'eredienst' een soort betovering gaan uitoefenen in de kerk, dan is het misschien goed zich weer te oefenen in de nuchterheid, die de Westerse kerk nooit uit het oog heeft verloren.

Voetnoten

  1. a

    A. Hauck, Kirchengeschichte Deutschlands, dl. 2, Leipzig 19123-4,p. 740.↩

  2. b

    A. w., p. 743.↩

  3. c

    H. Lietzmann, Geschichte der Alten Kirche, dl. 2, Berlijn-Leipzig 1936, p. 50.↩

  4. d

    G. van der Leeuw, Liturgiek, Nijkerk 1940 (19462), p. 26.↩

  5. e

    Vgl. PRE.3 VII, 6,↩

  6. f

    A.w., p. 18.↩

  7. g

    Hauck, a. w., p. 740.↩

  8. h

    A.w.,p. 9.↩

  9. i

    Liturgiek, p. 31.↩

  10. j

    A. w., p. 30.↩

  11. k

    A. w., p. 28.↩

  12. l

    A. w., p. 26.↩

  13. m

    A. w., p. 42.↩

  14. n

    A. w., p. 32, 37.↩

  15. o

    A. w., p. 42.↩

  16. p

    A. w., p. 32.↩

  17. q

    A. w., p. 34.↩

  18. r

    A. w., p. 9 vv.↩

Eindnoten

  1. 1

    N. publiceerde Eredienst 1 in WNHK. 27 (2 okt. 1943) nr. 39, p. 148; Eredienst 2 in WNHK. 27 (9 okt. 1943) nr. 40, p. 150 v.↩

  2. 2

    Zie Noordmans' opstel Het kerkelijk dogma uit 1934; later opgenomen in Zl., p. 30-58; VW., dl. 3, p. 170-195. N. maakt een onderscheiding tussen symbolische, retorische en pastorale dogmatiek.↩

  3. 3

    Letterlijk: "Aber die mittelalterlichen Gemeinden, die in dieser Weise entstanden, waren in keiner Hinsicht ein Seitenstück zu den Gemeinden der alten Kirche: sie waren lediglich Seelsorgebezirke."↩

  4. 4

    Het donatisme is een schismatieke stroming in de vroeg-christelijke kerk van Noord-Afrika, ontstaan in het begin van de vierde eeuw. Leider was Donatus de Grote, tegenbisschop van Carthago. Deze stroming verzette zich tegen het streven van de kerk om tijdens vervolgingen zoveel mogelijk conflicten met de Romeinse overheid te voorkomen, en betwistte aan clerici die tijdens vervolgingen boeken van de kerk hadden overgeleverd (traditores) het recht hun ambt nog verder uit te oefenen. Tegen het einde van de regering van Constantijn de Grote behoorden er bijna evenveel bisschoppen toe als er katholieke bisschoppen waren. Augustinus bestreed de donatisten krachtig.↩

  5. 5

    Zie Augustinus, Haarlem 19522, p. 150; VW., dl. 3, p. 140.↩

  6. 6

    Vgl. J. Burckhardt, Griechische Kulturgeschichte, in Jacob Burckhardt-Gesamtausgabe, d',. 9, Berlijn-Leipzig 1930, p. 179-185. Zie over Burckhardt VW., dl. 3, p. 194, noot 18.↩

  7. 7

    Vgl. Plutarchus, Adversus Coloten, § 31. Door J. J. Hartmann, De avondzon des heidendoms. Het leven en werken van de wijze van Chaeronea, Leiden 19243, p. 443 aldus geciteerd:"Maar een stad zonder tempel of god, een stad, die zich niet bedient van gebeden of eden, orakels of offers ... zulk een stad heeft nooit iemand aanschouwd en zal nooit iemand aanschouwen."↩

  8. 8

    Vgl. Joh. 4 : 21.↩

  9. 9

    G. Rietschel, Lehrbuch der Liturgik, dl. 1, Berlijn 1900, p. 9: "So ergibt sich allerdings sogleich bei der Einleitung eines Lehrbuches der Liturgik die überraschende Erkenntnis, dass es eine Disziplin der Liturgik, die sich neben die übrigen Disziplinen der praktische Theologie, Homiletik, Katechetik, Seelsorge etc. reiht, nicht giebt und nicht geben kann, weil diese letzteren Disziplinen gewisse gesonderte Gebiete des inhaltlichen kirchlichen Lebens umfassen, erstere aber Handlungen, welche diesen verschiedenen kirchlichen Lebensgebieten inhaltlich angehören, in bestimmten Formen ausprägt.

    Nur in dem Sinne, dass ... die Liturgik mit der Homiletik zusammen die Wissenschaft vom Gemeiiidegottesdienst allein, mit Ausschluss der übrigen kasuellen Handlungen, umfasst, enthält diese Disziplin cm geschlossenes, auch inhaltlich klar abgegrenztes Gebiet innerhalb des kirchlichen Gemeindelebens, wenn man dabei das Wort Liturgik nicht in dem ursprünglichen römisch-katholischen Sinne auffasst." Zie over Rietschel p. 144, noot 40.↩

  10. 10

    Handboek voor den Eeredienst in de Nederlandvehe Hervormde Kerk, samengesteld door den Liturgischen Kring, Rotterdam 1934.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Liturgie in de crisisInhoudEredienst →