Eredienst1
1
Het woord
Toen ik in nr. 39 en 40 van de vorige jaargang van dit blad twee artikelen gaf over 'eredienst', was het mij meer om de zaak dan om het woord te doen. Als opschrift van een predikbeurtenlijst wraakte ik het, omdat daarin de orde der dienaren, niet die der dienstverrichtingen voorkomt. Een ander herstel van het woord 'beurt' heb ik ook niet gevraagd.
Verder maakte ik bezwaar tegen het moderne gebruik van het woord, eredienst', omdat er vaak 'een Gode onmiddellijk toegebrachte dienst' of 'een Gode onmiddellijk toegewijde daad'a onder verstaan wordt. Onze grote kerkhistoricus zag daarin een verbastering. Inderdaad betekent het dan een regressie van kerkdienst tot tempeldienst. Daarom pleitte ik voor een meer kerkelijk gebruik van het woord. Daarvoor is gelegenheid omdat, zoals dr. Bakhuizen in nr. 49 terecht opmerkt,b de term niet met een vaste en dwingende inhoud in ons spraakgebruik opkomt. Er is ook reden voor. Wanneer het eerste lid van onze samenstelling zijn betekenis gaat ontlenen aan de dogmatiek der nieuwere liturgische beweging; als 'ere' komt te staan voor God, zoals Here in 't O.T. voor Jahwe; als het principieel met een hoofdletter geschreven wordt, wat bijv. bij Gunning2 en Kruijf3, nog geen gebruik is, dan wordt het gebruik van het woord problematisch.
Daartegenover sprak ik het vermoeden uit, dat er een meervoud schuilt in dat eerste lid en dat daarmee de genademiddelen kunnen worden aangewezen. Dr. Bakhuizen bracht toen enige gegevens naar voren uit WNT., waarna hij dit stuk van mijn bestrijding voor 'geheel vervallen'verklaarde. Nu ben ik bijna veertig jaar op dat woordenboek ingerekend en had het vooraf geraadpleegd. Camphuysen, Wolff en Deken, Fruin was ik tegengekomen. Inderdaad heeft de samenstelling 'eredienst' in de betekenis van godsdienstoefening een korte historie. Maar des te langer en interessanter is die van de afzonderlijke leden 'ere' en 'dienst'. Wanneer wij onze term werkelijk in kerkelijk en leerstelling gebruik willen nemen (niet slechts als een soort stadhuiswoord), dan moeten wij daarmede rekening houden. Hij kan dan niet in de staat der onschuld blijven, waarin Wolff en Deken hem geschapen of gevonden hebben.
Wat dr. Bakhuizen met 'service' en 'worship' wil, begrijp ik niet goed. ⚑'Dienst' voor kerkdienst hebben wijzelf altijd al gehad. De liturgische geschriften heetten vroeger ook dienst-formulieren. In 'worship' zal wel een synoniem van 'eren' zitten: waard-eren. Maar dan hebben wij weer slechts één lid van onze samenstelling en deze laatste wordt er niet door verklaard. 'Dienst' en 'ere' afzonderlijk behoefden wij werkelijk niet van elders te ontlenen. Als ik om die afleiding blij was, zoals dr. Bakhuizen vermoedt, dan zou het zijn om een dode mus. Wel blijkt uit 'worship', dat 'ere' ook apart voor godsdienstoefening kan staan. Het is dan een synoniem van 'dienst'. Stelt men het dan samen met dat laatste, dan ontstaat er een pleonasme. Zulke mogelijkheden kunnen wij echter veel beter in onze eigen taal bestuderen.
Enkel etymologisch komt men er echter niet. Het eerste lid van 'eredienst' kan enkelvoud zijn, maar ook werkwoordelijk worden opgevat (WNT.).4 De oorspronkelijke vorm 'eerdienst' wijst daarop: de 'e' in 't midden is dan een later misverstand. Maar daarop leg ik hier geen nadruk. Wij mogen het woord niet enkel als een late samenstelling bestuderen. Maar dan gaat het ook niet aan om, zoals dr. Bakhuizen doet, samenstellingen als eerediploma, eerewijn5 enz. als analogieën bij te brengen. Voor een ambachtsheer zou men zich misschien een dienst kunnen denken, eershalve gehouden. Maar zulk eren is tegenover God oneerbiedig.
Wij behoren de woorden 'ere' en 'dienst' te vragen naar de pregnante zin, die zij in de loop der historie hebben gehad. In de oudere samenstellingen heeft dat 'eere' of 'eer' dan ook een veel concreter betekenis dan in de nieuwere. 't Is niet, zoals bij die laatste, een stereotiep betrekkingswoord, maar de zin varieert sterk. Een eeredame is een hofdame. Een eeredienst zijn bruidsjoffers. Een eererei een tempelkoor; een eerenaald een overwinningsteken; een eeremaal een bruiloftsdis; een eeregraf een praalgraf; een eerdag een verjaardag; eerdanc en eerelied een psalm (zie voor de citaten het WNT.).6
Achter deze samenstellingen schuilen de grondbetekenissen van het woord eren, nl. waard-eren, schatten. Bedoeld is hier allereerst waarderen in zeer concrete zin, van edel metaal, wat thans nog zo heet. Eer wilde oorspronkelijk de waarde, de prijs, de glans daarvan aanduiden en gaf bij uitbreiding een naam aan de handelingen en gelegenheden, waarbij de prijs, de schatting of het geschenk een rol speelden. 'Ere' betekende overwinning, heerschappij, verjaardag, bruiloft, gastvriendschap (Wackernagel, Altdeutsches Handwörterbuch).7 Men ziet hoe de oudere samenstellingen daarop teruggaan. De laatstgenoemde betekenis van eren of waarderen zal wel schuilen in het in Noord-Holland nog niet geheel vergeten 'warschip', dat logeren betekende en in 'waardschappen' (Mark. 6 : 35) en ook in 'worship'. Gastvriendschap is drieërlei nuancering. Ook wordt nu duidelijk, hoe door de samenstelling met 'ere' een soort doublet, een pleonasme kan ontstaan. Bijv. 'eerewijn', dat ik aanhaalde als een voorbeeld van een oppervlakkig gebruik van 'ere', is dat eigenlijk niet. Oorspronkelijk betekende het een aanzienlijk geschenk aan wijn: de wijn is zelf een ere, een geschenk.
Dit kleurrijke gebruik van het woord 'ere' houdt in latere tijd geen stand. Het hangt samen met een primitieve zede. Wel werkt het na, zoals wij reeds zagen uit onze oudere samenstellingen. In het Middelnederlands werd 'ere' in verband met het oorspronkelijk zakelijke karakter daarvan, meestal verbonden met de woorden doen, spreken, zeggen, bieden. Dat komt ook nog voor in onze Statenvertaling, bijv. Esther 6 : 6 en Ps. 29 : 9. Maar de zelfstandigheid der betekenissen neemt af. Het begrip trekt zich op de bijvoeglijke naamwoorden en de bijwoonden terug. De heilige hostie heet in het Middelnederlands eerlicke Hostie; eerlicke incomen zijn plechtige optochten; een eerlijc graf is een graf in gewijde aarde. Zo ook: enen eerlike graven en te wive trouwen eerlike (zie Verwijs en Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek).8
De greep der kerk op het leven doet zich gevoelen. Het centrale begrip van het leven is nu niet meer de ere, maar de dienst. Was de 'ere' vroeger zelfstandig een glanzend stuk leven, zoals de bruiloft, de waardschap, thans vergezelt deze luister een kerkelijke handeling of dienst en wordt bovendien getemperd door het heilige en het gewijde. Merkwaardig is, dat alleen de begrafenis, met iets van de oude zede, ook de naam 'eer' tot op onze tijd bewaard heeft. Wij spreken van 'de laatste eer', zoals de bruiloft in de volksmond nog wel de hoogste (trap) genoemd wordt. Wie twijfelt of 'eer' hier deze concrete betekenis kan hebben, die leze het prachtige hoofdstuk Totentanz uit Gottfried Kellers Der grüne Heinrich.9 Het begint met wat liturgie en eindigt in een wilde dans.10 Voor de trouw komt 'eer' in latere tijd als substantief slechts voor in de zeldzame uitdrukking 'zich ter eeren begeven'(WNT.)11.'Eerlijk'in verband met trouwen betekent nu iets anders.
Wij hebben dus wel te onderscheiden tussen het primitieve en het middeleeuws-kerkelijke gebruik van de begrippen 'eer' en 'dienst'. Thomas onderscheidt tussen 'servitus latriae' en 'servitus duliae'12 en zo ook tussen 'honor latriae' en 'honor duliae'.13 Maar de indeling van het leven vindt plaats volgens de orde van de dienst. De eer begeleidt die en is niet zelf een stuk leven. De dienst nu heeft hoofdzakelijk betrekking op God en de leenheer en voor de ridder op de vrouw. Daarnaast dragen het ambt en de plichtspleging ook die naam (Verdam, Middelnederlandsch Handwoordenboek).14 Daarmee is het leven bijna restloos ingedeeld. Dit alles vindt men in de moderne talen nog terug in de meest pregnante betekenissen van het woord 'dienst'.
Het Latijnse 'honor' bestrijkt daartegenover slechts een beperkte radius: het ambt en enige uitbreidingen daarvan (zie Du Cange).15 Die uitbreidingen bestaan bijv. als 'honor' staat voor het beneficium van de ambtsdrager. Bovendien: "Honores interdum laxius quaevis possessiones dictae" (Du Cange);16 dwz. 'honores' wordt soms een beetje slordig gebruikt voor elk bezit. In dit licht wilde ik de teksten uit de Formulae Merov. et Karol. aevi bezien, die Hauck aanhaalt,c waarin sprake is van kerken die er recht op hebben dat men er komt om de mis te horen en voor de doop en de prediking en met tienden, en andere, die 'nullum alium honorem' (geen andere eer) hebben dan de 'goddelijke dienst', geen tienden, geen doop, geen begrafenis.
Nu weet ik niet of hier het oudere primitieve gebruik van 'eer' in het strengere Latijn ook nawerkt, zoals het in de volkstalen tot op de dag van heden nog wel doet. Maar in ieder geval kan'honor'hier geen ambt betekenen. Bedoeld zijn de (van het ambt afhankelijke) rechten en diensten ener kerk. Of de ambtshandelingen, waartoe een kerk gerechtigd is. Een andere plaats (uit de Capitularia regum Francorum) zegt, dat kerken verkocht mogen worden op voorwaarde dat ze blijven bestaan en "serviuntur cotidie honores".d Ook hier zullen wij wel moeten vertalen: "de diensten dagelijks worden waargenomen". Dat 'cotidie' past niet bij ambten.
Wij vonden dus tot dusverre, tegenover het stereotiepe in de betekenis van 'eer' in de nieuwere samenstellingen, waarbij het 'eershalve' of iets dergelijks beduidt, voor de oudere tijd tweeërlei meervoud. Eerst een aantal concrete betekenissen van primitieve oorsprong, in bonte verscheidenheid, die nog nawerken in de moderne talen. En in de tweede plaats voor het middeleeuws Latijn een ander, dat strenger en ambtelijk bepaald, kerkelijke rechten en diensten aanduidt. Daartussenin fungeren bijvoeglijke naamwoorden en bijwoonden als 'eerlic'en'eerlike', die half aan de primitieve, half aan de kerkelijke betekenis georiënteerd zijn. Een eerlijke begrafenis, die gewijde aarde veronderstelde, betekent in onze tijd zelfs weer een fatsoenlijke uitvaart, op eigen kosten.
Naast dit dubbele meervoud is er nog een derde, meer abstract van aard. In de primitieve periode staat 'ere' in de pluralis als het roem, luister betekent. Ook in 't Middelnederlands nog dikwijls. Zo ook 'eerlickheit' in de zin van heerlijkheid. Een mooi voorbeeld daarvan komt nog voor in een psalmberijming uit het jaar 1655, aangehaald in WNT.:17
Mijn siel verlanght bij nacht en dagh
Om weer te sien uw Eerlijcheden
Westerbaen, Ps. 63 : 2.
Letten wij nu op ons latere taalgebruik, dan valt, behalve in de oudere samenstellingen, ook in het zelfstandig gebruik van het woord 'eer' de invloed der primitieve betekenissen nog wel op te merken. Ik denk aan onze psalmberijming. Eer is soms synoniem met heerlijkheid:
Hoe blonk uw godlijk' eer alom
(PS. 63 : 2).
Of met sieraad, glans:
De heiligheid is in Uw huis, o Heer, Eeuw in, eeuw uit tot sieraad en tot eer
(Ps. 93 4).
Of met overwinning:
Gij voert ten hemel op vol eer De kerker werd Uw buit, o Heer (Ps. 68 : 9).
Meer interesseren ons echter hier zulke plaatsen bij Nederlandse schrijvers, waar 'eer' een godsdienstige of kerkelijke handeling aanduidt. WNT.18 geeft er enkele als voorbeelden van de vierde hoofdbetekenis van dit trefwoord. 'Eer' wil dan zeggen: eerbetoon. Derhalve 'eredienst' voluit, zoals 'dienst' ook reeds voluit 'eredienst' kan betekenen. Zo komen wij weer uit op een pleonasme.
En nu de voorbeelden.
Laat ons... den Godt Hercules syn jaerlijcsche eere bien v. Ghistele, Virg. Aen., 153a (1556).
Fraaier is nog het volgende, waar Vondel schrijft dat God Egyptenaars en Hebreeën zal doen staan
Op eenerhande wet; den Godesdienst vermengen,
En leerense op een wijs Gode eer en offer brengen.
Eer en offer zijn hier synoniemen en betekenen hetzelfde als de Godesdienst in de eerste regel.
Het meest treffend is echter het derde, eveneens bij Vondel: Wy juichten, in den lof der Godtheid opgetogen,
Aenbaden, wieroockten...
Toen Gabriëls bazuin zich plotseling quam werpen Met dezen donderslagh in 't midden van Godts eer.
Wij zijn hier ver van het 'ere 'in erediploma af. In de nieuwere samenstellingen wordt het een passe-partout. Wanneer wij het woord 'eredienst' leerstelling willen gebruiken, dan moeten wij het allereerst uit die buurt weghalen. Doen wij dat, dan moeten wij verder op onze hoede zijn voor de primitieve zin. De oogstdiensten, die de liturgische beweging hier en daar invoert, bewijzen dat dit gevaar niet denkbeeldig is. Maar niet alleen daar moet men voorzichtig zijn, maar ook met andere 'waardschappen' en optochten, die in de kerk kunnen worden ingevoerd. 'Eer' in de zin van glans, sieraad, geschenk of ook, meer abstract, luister, kan niet die rol spelen, die het deed bij een tempeldienst, die altijd meer van natuurdienst heeft dan onze 'redelijke godsdienst' (eredienst Rom. 12 : 1) van de Geest.
Evenmin zullen wij in 'Ere' een verborgen godsnaam mogen vinden, waarmee een soort 'Schekina'19 zou worden ingevoerd, die onze belijdenis niet kent. Ook dit is niet nieuwtestamentisch.
Wij zijn dus aangewezen op die betekenissen van 'eer', waarbij het op godsdienstige en kerkelijke handelingen kan slaan. Maar ook dan nog worden wij voor een laatste keus geplaatst. Zullen wij daaronder verstaan een samenvatting van de gehele dienst om die dan 'onmiddellijk' aan God toe te brengen? Zo was het bij Vondel in de hierboven aangebrachte aanhalingen. 'Eer en offer' vormen dan het middelpunt van de dienst en hemel en aarde vermengen zich. Bij ons staat echter het offer niet meer in het middelpunt en de richting van de dienst is nu omgekeerd, van boven naar beneden.
Wij kunnen daarom niet anders dan de eer, de 'honores' der kerk streng aan de ambten te binden. De eer Gods is, zo zag Luther het, dat wij zijne weldaden aannemen.20 En de eer der kerk is het, dat zij de genademiddelen, het Woord en de sacramenten mag bedienen. In deze dienst wordt God verheerlijkt. Maar dat geschiedt langs een minder regelrechte weg en op een verborgen wijze.
2
De zaak
In mijn vorig artikel heb ik iets gezegd over het woord 'eredienst'. Was het eerst een soort stadhuiswoord, door de wetgever en andere waarnemers meer gebruikt dan door deelnemers, dan zou men het thans, nu het meer en meer in de liturgiek wordt ingevoerd, met oordeel des onderscheids moeten aanwenden. Dit gebruik brengt de plicht van een zekere verantwoording mee, waaraan men zich niet mag onttrekken. Hier is meer aanwezig dan bijv. een slordig gebruik van de woorden 'temple' en 'culte' bij de Fransen, waarbij zij van de nood een deugd moeten maken. Die nood bestaat bij ons ook wel enigszins, omdat 'godsdienstoefening' geen mooi woord is. Hij bestaat overal, zoals ik in mijn beide vroegere stukken heb trachten duidelijk te maken, omdat de kerk moeilijk een treffend woord kan vinden voor het geheel harer dienstverrichtingen. Maar dat is geen reden om minder op veiligheid dan op schoonheid te letten. - Bij 'godsdienstoefening' legt tot heden niemand nadruk op de tegenwoordige betekenis van het woord 'oefenen'. Dr. Bakhuizen maakt er een beetje een karikatuur van.'Oefenen' is oorspronkelijk het Nederlandse woord voor het Latijnse 'colere', zoals 'oefening' voor 'cultus'. Vroeger sprak men van 'God oefenen', 'Christus oefenen'. En wat een 'oefenaar' is, weten de meesten nog wel. 'Godsdienstoefening' is derhalve weer een pleonasme. Het geheel behoudt echter ongeveer dezelfde waarde als het woord 'dienst'. De langere vorm roept geen bij gedachten op.
Wanneer ik nu hier nog op de zaak terugkom, dan moet ik beginnen met op te merken, dat dr, Bakhuizen van den Brink mijn eerste artikel, over episcopale en presbyteriale godsdienstoefening, in zijn geheel heeft laten staan. Daarentegen is hij, in zijn tweede stuk, wel ingegaan op mijn opmerkingen over de Liturgiek van prof. Van der Leeuw. Hij geeft een reeks verspreide citaten, vooral uit het tweede hoofdstuk van dat boek, ten bewijze van de openheid van de eredienst. Nu is er in bedoeld werk wel telkens sprake van die openheid, maar daarin ligt zeer duidelijk een verweer tegen de aantijging van geslotenheid en het is juist de vraag in hoever die verdediging geldigheid heeft. Ik verklaarde mij in het bedoelde artikel niet geheel voldaan over de liturgische ideeën, die Van der Leeuw in zijn Liturgiek ten beste geeft. De visie op de kruisvorm van de eredienst, zoals die hier gegeven wordt (bijv. p. 37), is zeer duidelijk ontleend aan de ruimtelijke verhoudingen in een kathedraal, waar de bisschop de gemeente soms toesprak van de trappen van het koor.e Wanneer men zich deze situatie voorstelt, dan komt alles wat Van der Leeuw van de kruisvorm zegt, treffend uit. Wanneer daar ergens een kansel komt te staan, is hij inderdaad "niet anders dan een uitbreiding en verhoging van de altaarruimte".f Maar een heel andere idee is het, als het ontstaan van de kruisvorm wordt toegeschreven aan het feit, dat de prediking pas bij de Reformatie zulk een betekenis krijgt, dat zij de liturgie kruist,g zodat er van tegenstelling sprake kan zijn.h
Deze beide denkvormen, die hier eenzelfde naam dragen, hebben eigenlijk niets met elkaar te maken. De eerste is visueel, de andere rationeel van oorsprong.
Wanneer nu daarnaast de vroeger in de liturgische beweging gangbare sferische opvatting van de eredienst blijft bestaan,i meer statisch of dynamisch, waardoor een sacramentele dampkring ontstaat, dan komt de openheid weer op een andere wijze in het gedrang. En dan zijn wij nog niet klaar met de dialectische opvatting van de liturgie,j die alleen bij de tweede kruisvorm past, en met de organische,k die zich bij de eerste aansluit. In beide gevallen blijft de sferische beschouwing alleen staan. Over die openheid is werkelijk het laatste woord nog niet gesproken. Bij het schaken kan men niet een open spel kiezen en dan tegelijk d2-d4 spelen. In de liturgiek evenmin.
Een zekere dialectiek is er in onze kerkdiensten. Er bestaat een kruising van verkondiging en liturgie; of, meer abstract, van waarheid en heerlijkheid. Velen verlangen van de laatste wat meer, van de eerste wat minder. Gunning gaf daaraan in 1890 reeds uitdrukking, toen hij schreef: "Ach, dat het ons nog eens gegeven werd der gemeente in haar huis des gebeds, een 'Ahnung', een voorbesef te doen smaken niet alleen van de eeuwige waarheid, maar ook van de eeuwige heerlijkheid!"l En: hoe kunnen wij onze gemeentelijke samenkomsten meer maken tot erediensten, en niet langer alles zich doen bepalen bij de leraar en zijn preek?"m Het woord 'erediensten' wordt hier, zoals men ziet, reeds niet meer geheel niiief, maar als een program genomen. Wat meer ere, wat minder dienst. Er gaat liturgische zuiging van uit. - Gunning wilde echter niet - wat men uit een citaat bij dr. Bakhuizen in nr. 50 zou kunnen opmaken - teruggaan tot de tweede en derde eeuwen, Hij schrijft: "Geen aan onze cultus vreemde elementen worden hem opgedrongen... En daarom moet voor ons land de calvinistische type grondslag blijven... Verder dan Calvijn wensen wij niet terug te gaan. Onze gereformeerde kerken zullen zich nooit meer tehuis gevoelen in de zoveel bewegelijker, aan de gemeente zóveel groter en actiever optreden toekennende liturgieën der tweede en derde eeuwen."n "Het is geen verbetering naar die eerste eeuwen terug te gaan... Ons uitgangspunt ligt en blijft liggen, in de zestiende eeuw. "o Hij noemt de Hervorming een schrede vooruit. ⚑Waar het de dialectiek van waarheid en heerlijkheid betreft, kan men dus niet zeggen, dat Gunning reeds op modern-liturgisch standpunt staat, waar men ook wel zijn uitgangspunt in de Kerkhervorming wil nemen, maar daarbij de liturgie beschouwt als "een levend organisme, dat van de beginne er geweest is"p De structuur van de eredienst wil men hervinden en "zich daarbij oriënteren aan de oud-christelijke eredienst".q Bij deze organische opvatting kan, zoals ik boven reeds opmerkte, de dialectiek van Woord en liturgie, of waarheid en heerlijkheid, zoals die bij de Reformatie optrad, niet tot haar recht komen. - Gunning blijft echter binnen de hervormde vraag-stelling. Daarmede heeft Gerretsen21 gebroken.
De dialectiek van waarheid en eer of heerlijkheid is er, zo men wil, op eik punt na de eredienst. Zij is er zelfs bij de prediking zelve. Karel de Grote gaf in 789 een voorschrift aan de predikanten (presbyteri), dat zij 'recte et honeste' moesten preken.r Moll vertaalt dit met'regt en eerlijk'.22 Dit is wat heel letterlijk en daardoor niet duidelijk. 'Recte' wil zeggen: volgens de regel des geloofs, de kerkelijke symbolen. En 'honeste' is hier het middeleeuwse 'eerlic', dat men uit mijn eerste artikel kent. De prediking moet zijn niet alleen waar, maar ook waardig, overeenkomstig de eisen van ambt en dienst.
In groter formaat kan men deze dialectiek van waarheid en eer echter waarnemen als men haar beziet, niet bij een enkele handeling, maar in de verhouding van de verschillende diensten onderling, die in de godsdienstoefening optreden; bijv. de dienst des Woords en de dienst der gebeden. In de preek is meer waarheid; in de psalm meer eer. God woont op de lofzangen Israëls. God de Heer wordt dan openlijk aangeroepen (zondag 38). Dat de dialectische spanning hier groter is, ziet men gemakkelijk. Ten opzichte van de preek zal men niet licht vragen om minder waarheid tegen meer waardigheid. Bij twee diensten onderling kan een 'meer' en 'minder', zoals wij zagen, gemakkelijk in 't spel komen. Reeds bijna een eeuw geleden wilde op protestantse erve iemand als Rothe in de eredienst het waarheidsgehalte der prediking zien verdrongen door eer en offer in gezang en gebed.s De stichting, de waarheid, wordt dan een nevenprodukt van de eigenlijke eredienst en kan beter daarbuiten worden beoefend. Ook Kruijf zag ten onzent nog de waarheid in verband met de stichting min of meer naast de eredienst.24
De dialectiek van waarheid en eer wordt dus tenslotte toch totaal ten opzichte van de hele dienst. Het is geen strijd van de delen onderling, maar van richtin . Is het waarheidsdienst of eredienst? Zo is deze dialectiek bij de Reformatie komen te staan. Van der Leeuw laat de eredienst in de kerstnacht met de engelenzang geboren worden.t Met het Ere zij God. Is het niet beter te denken aan Pinksteren, toen de Geest werd uitgestort, die de gemeente in alle waarheid zou leiden?
Men ziet thans de eredienst weer gaarne als een 'mededienen met de engelen'. Daarom moet er nadruk op worden gelegd dat onze godsdienstoefeningen in de 'forma servi', de dienstknechtsgestalte, en niet in de 'forma dei', de godengestalte, behoren te verschijnen.
Augustinus spreekt ook gaarne van de gemeenschap van engelen en mensen. Daarom kan het zijn nut hebben na te gaan, hoe de kerkvader zich, in het tiende boek van zijn De Stad Gods, verweert tegen de engelen, zoals onze vaderen zich moesten verweren tegen de heiligen. De gemeenschap der engelen wordt door de eerste niet afgewezen en de gemeenschap der heiligen bij de laatsten niet. En toch is bij beiden verweer. Bij Augustinus door de 'forma servi' te prediken.25
In 't begin van boek X zien wij Augustinus worstelen met precies dezelfde moeilijkheid, waarmee wij ook tobben. Hij kan in 't Latijn geen woord voor godsdienst vinden, dat hem geheel voldoet. Ik zeg 'godsdienst' en niet, eredienst', omdat de kerkvader kerk en leven hier niet van elkaar scheidt. Bij zijn vertaling van het Griekse woord26 houdt hij zich dan tenslotte aan het bij de Latijnse vertalers voor Hieronymus gebruikelijke 'servitus' (dienst), met voorbijgang van 'religio' en 'pietas', die hij minder geschikt acht en ook van 'obsequium', dat de Vulgaat heeft. Deze keuze is later door de hele Westerse kerk gesanctioneerd en herinnert ons aan de 'forma servi'. Deze dienst, zegt Augustinus, zijn wij God schuldig zowel in de kerkelijke plechtigheden als in ons eigen leven. Want Gods tempel zijn wij allen met elkaar en ieder voor zich. Als wij ons hart opwaarts heffen, is het een altaar Gods; door de priester verzoenen wij Hem door zijn Eéngeborene; bloedige offeranden brengen wij Hem, als wij ten bloede toe voor zijn waarheid strijden; door een vrome en heilige liefde branden wij Hem reukwerk, zijn genadegaven in ons en wij zelf zijn de wijgeschenken. Zo krijgen wij het hoogste goed: God-aanhangen.u Men ziet, dit alles is geheel in de geest van Rom. 12 : 1; evenals Paulus vindt Augustinus de delen van de tempeldienst in het christelijk leven terug, waarbij kerkdienst en leven in elkaar overgaan, zonder merkbare onderscheiding. De kerk komt niet in de plaats van de tempel, maar staat in het leven en vervangt met het leven samen de tempeldienst.
Na deze algemene karakteristiek van het christelijk leven als vervanging van de (heidense) tempeldienst, neemt Augustinus het hoofdbestanddeel daaruit, het offer, in ogenschouw, in nog nauwere aansluiting aan Rom. 12 : 1, dat hij nu aanhaalt. - Wat is het christelijke offer? In aansluiting aan een oud profetenwoord noemt hij barmhartigheid de ware offerande.27 "Barmhartigheid of tegenover ons zelf of tegenover de naaste, met 't oog op God."v De ware 'misericordia' is er echter als wij ons laten -verlossen van de 'miseria', de ellende. Dit geschiedt door de grote Hogepriester, die zichzelf in de passie voor ons heeft opgedragen, opdat wij zijn lichaam zouden zijn, volgens de forma servi. Dit is onze levende offerande, onze redelijke godsdienst. Dit herhaalt, in het sacrament des altaars, de kerk, die daaruit leert, dat zij in die zaak, die zij aanbiedt, zelve God wordt aangeboden.
Welke rol spelen nu de engelen in onze redelijke godsdienst? Zij weten, zegt Augustinus, dat zij ook zelf met ons een offerande zijn. Zij dienden God bij het neerdalen van de Heilige Schrift. Zij werkten aan de versterking van het geloof en de bekrachtiging van Gods beloften.w (Derhalve in de prediking.x) Maar wanneer God de uitspraken van zijn waarheid aanbeveelt door luisterrijke verschijningen, wie zou dan echter zo dwaas mogen zijn, dat hij niet de waarheid (ik curs.) kiest om die na te volgen, ook al vindt hij heerlijkheid (ik curs.) om te bewonderen.y De platonici hebben terecht gewezen op de wonderen in het geschapene, waaruit de goddelijke voorzienigheid blijkt tegenover de wonderen die schepselen soms doen. Hoeveel temeer moet dit getuigenis gegeven worden aan de christelijke prediking, die elk ander offer verbiedt dan dat aan de enige God. Deze echter stelde een grens aan de tijden der offeranden en liet ze door een betere priester in iets beters veranderen. Hij betuigde dat Hij deze offers niet begeerde, maar dat deze een andere betekenis hadden. Niet Hij wilde door die erediensten (honores) verheerlijkt worden. Maar wij moesten daardoor opgewekt worden om Hem te dienen en Hem aan te hangen, door liefdevuur ontstoken. En dit betekende een goed voor ons, niet voor Hem.z Daarom wilde de ware Middelaar, de mens Jezus Christus, in de 'forma servi' liever offer zijn dan offers aannemen.a En de heilige engelen, die ons in hun gemeenschap willen opnemen, willen niet dat wij hun offeren, maar dat wij met hen Gods offerande zijn.b
Dit alles is streng van de 'forma servi' uit gedacht. Wij merken dat de kerkvader in een andere tijd leefde dan wij, maar de grondlijnen van zijn theologie blijven geldig. Beter dan de incarnatie, in haar moderne toepassing op de eredienst (en de theologie), geeft de toegepaste incarnatie, de 'forma servi', ons een grondvorm daarvoor. Zij geeft ons al dadelijk het woord 'dienst' zonder 'ere'. Voor de eer komt hier de schande die veracht moet worden, voor het aan de heerlijkheid toe is. - Deze vorm geeft ons de richting van boven naar beneden, omdat in de 'forma servi', de engelengestalte moet worden afgelegd. - Zij geeft ons de onbetwistbare voorrang van waarheid boven heerlijkheid in de dienst van God. - Zij leert ons dat de genademiddelen er zijn om onzentwille en niet om Godswille. - De'forma servi' brengt, op het Pinksterfeest, vuur en gaven mee, die van boven in de tempel slaan en hem maken tot een kerk. Het zijn de talenten, die de dienstknechten ontvangen van de Heer, tot Hij wederkomt. Daardoor komt de genade in het midden en de offerande wordt over het leven verstrooid. - Deze vorm wil zeggen dat wij niet met de engelen mede-eren, maar dat dezen met ons mee dienen, in deze bedeling.
Zo vertoont zich de dialectiek van waarheid en eer voor de hele dienst Gods in haar volle betekenis. En zo is zij bij de Hervorming aan de dag getreden.