O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← EredienstInhoudEredienst →

Verzamelde Werken, deel 6 · p. 252–261

Eredienst1

door dr. J. N. Bakhuizen van den Brink

1

Het is merkwaardig om te constateren, hoe in de artikelen van de hand van dr. Noordmans en van de heer Taverne2 in dit weekblad nr. 39, 40 en 45 tegen eredienst en liturgie een grote overeenstemming heerste, hoewel hun betoog op verschillende wijzen was opgebouwd, in hun bezwaren tégen het gebruik van de term eredienst. Laatstgenoemde schrijver was daarbij voorzichtiger dan de eerste. Hij bepaalde zich in zijn bredere - niet in dit weekblad opgenomen - argumentatie in hoofdzaak tot de historische opmerking van prof. Gunning, dat het woord eerst in het allerlaatst der achttiende eeuw bij ons in gebruik schijnt gekomen te zijn.3 Dat is ook inderdaad zo; onze Nederlandse woordenboeken van voor 1800 hebben het niet. En sedert 1800 heeft het dan drieërlei betekenis: vooreerst de Godsverering in de kerkdienst; in de tweede plaats het geheel van Godsverering als doel der werkzaamheid van een kerkgenootschap; ten derde in sommige gevallen ook het kerkgenootschap zelf. Men denke als voorbeeld voor het laatste aan het Departement van Onderwijs en Erediensten in de negentiende eeuw. Of de in al onze kerken als zodanig aangekondigde collecte tot instandhouding van de openbare eredienst oorspronkelijk bij de tweede of bij de derde betekenis aansluit, zou ik niet durven uitmaken. Een andere term voor de tweede betekenis was in die tijd ook wel: openbare godsdienst, overeenkomende met het Duitse 'Gottesdienst', maar natuurlijk, door het heel andere gebruik, dat wij van dit woord maken, thans niet meer bruikbaar in die zin.

In de eerstgenoemde, meer strikte betekenis is eredienst de equivalent van het Latijnse cultus, een term, door de liturgen onder ons vrijwel nooit gebezigd omdat deze belast is met een inhoud, waartegen bezwaar is (al kan men het bijvoeglijk naamwoord cultisch ook niet altijd vermijden, daar er van eredienst geen te vormen is). Men mag wellicht vermoeden, dat eredienst onder invloed van het Engels bij ons in gebruik is gekomen. Het is te vinden, nog iets eerder dan Gunning dacht, bij Wolff en Deken4 en het is bekend, dat zij Engels lazen. Het kan dus, indien niet van service, de vertaling zijn van worship. Het zal de liturgie-bestrijders wellicht goed doen, dit te weten. Zoals dr. Noordmans reeds de bisschop om de hoek der kerkdeur ziet kijken zodra de eredienst aanvangt, schijnt hiermede nu wel bewezen, dat het gehele anglicanisme er achter zit! Doch men zij op zijn hoede. Immers de presbyteriale Westminster-synode van 1643 gaf een Directory for Publick Worship uit, door de heer Taverne zelf genoemd.5⌫ Aan het einde der zeventiende eeuw werd in Londen bij proclamatie vrijheid gegeven voor alle 'meetings and worships' der ... Quakers! Ook in Schotland had men de term geadopteerd. Trouwens, Wyclif gebruikte hem reeds in zijn preken in on-liturgische zin: "Want het volk had Christus in worship als een profeet".6 En laten wij hier nog aan toevoegen, dat er in leer of leven der Hugenoten toch ook geen onzuiverheid is binnengedrongen, doordat zij zelfs de term culte tot op deze dag hebben behouden, naast service en tegenover messe en bovendien gedwongen zijn geworden om van église af te blijven en hun kerkgebouwen temples te noemen. Op zich zelf zijn woorden trouwens nooit zo erg gevaarlijk. De term eredienst komt inderdaad niet zo verschrikkelijk liturgisch belast en met een vaste, episcopale en dwingende inhoud in ons spraakgebruik op. Hoe zou het ook kunnen in een zó onliturgische tijd als het begin der negentiende eeuw was!

Maar dit is nog niet alles. De doopceel, door dr. Noordmans ter adstructie van zijn bestrijding van eredienst van de term als zodanig gelicht, is geheel onjuist. Van der Leeuw heeft gelijk dat wij er mee aanduiden, ons in de dienst Gods te stellen om Hem daarmede ere te bewijzen.7 Het eerste lid van het samengestelde woord is enkelvoud en geen meervoud en komt volstrekt niet van de verschillende trappen of graden van gezag of 'ere', die door de bisschop aan de parochie-kerkjes zijner diocees werden toegestaan. Wij vinden dan ook in onze oudere taal de vorm eerdienst, zo bij de letterkundigen Wolff en Deken, bij de historicus Fruin8 en bij de theoloog Gunning. Voor de welluidendheid zijn wij echter eredienst gaan zeggen. De oude Camphuysen spreekt bij Psalm 45 : 5 van een gevolg van koningsdochters dat 'ten eerendienste staat'.9 Zelfs in deze vorm is het eerste lid een enkelvoud. Wat dr. Noordmans bedoelt, is niet eredienst, maar ereambt; slechts een heel enkele maal werd vroeger in onze taal eerdienst wet in de zin van honor, ereambt gebruikt. De samenstelling van het woord eredienst is echter heel eenvoudig zoals in eerbewijs, eredoctoraat, erewacht, vgl. harteklop, kerkeraad, zonneschijn, enz.

Dit gedeelte der bestrijding komt hiermede alzo geheel te vervallen. Eveneens zetten wij de aanbeveling om het woord 'beurt', ontleend aan Lukas 1 : 8, in ere te herstellen, opzij. Beurt is immers slechts een formele aanduiding; er moet altijd bij gezegd worden waarin of waartoe men de beurt heeft. Zo had Zacharias volgens rooster de beurt om te offeren; een predikant heeft de beurt in deze of in die kerk om te preken, hij heeft de morgen- of de avondbeurt, dan wel vacature-beurt en het blaadje heette vroeger, toen er nog papier in overvloed was, dan ook Predikbeurtenblad, een titel ontstaan in de tijd toen het de gemeente vóór alles interesseerde, welke spreker of welke richting zij kon gaan horen; ook heeft de diaken of collectant de beurt om te hengelen en de huismoeder of de dienstbode heeft de beurt om naar de kerk te gaan of thuis te blijven en op de kinderen en het eten te passen. Met dit woord beurt alleen kunnen wij dus niets beginnen, daar het op zich zelf niets aanduidt en zeker niet, dat de gemeente door God in haar en zijn kerk verwacht wordt.

Maar 'godsdienstoefening' dan, zoals de heer Taverne wil? Ook dit schijnt geen zeer oud woord in ons taalgebruik te zijn. Waar het voorkomt is het volkomen synoniem met eredienst. Fruin gebruikte beide termen als gelijkwaardig.10 Het is ook de term van de Grondwet, art. 177 en van de Wet op de Kerkgenootschappen, art. 8, die hem wel aan het spraakgebruik der 'kerkgenootschappen' zullen hebben ontleend; en hij is even fraai als laatstgenoemd woord, dat op zich zelf reeds een aantasting is van het begrip kerk! De verhouding kerkgenootschap : kerk is gelijk aan godsdienstoefening : eredienst; en dit is niet slechts etymologisch, maar vooral geestelijk en theologisch waar. Zou iemand thans waarlijk willen verdedigen, dat wij naar de kerk gaan om ons in godsdienst te oefenen of er in geoefend te worden? Is de voorganger, al heeft hij dan inderdaad alleen het woord, daar bezig de schare te exerceren in de godsdienst, zoals een sergeant zijn compagnie of het blokhoofd de buurtgenoten in een luchtbeschermingsoefening? Want dit zou de term letterlijk beduiden; zo men ons aan hem binden wil, zullen wij hem letterlijk en geestelijk ontleden. Wij komen dan tot de ontdekking van een allermagerste misvorming van de militia Christi waartoe wij geroepen zijn! Ook als mogelijke slordige verkorting van godsdienst-uitoefening kunnen wij de term onmogelijk meer gebruiken.

Tot zover over de woorden. Ons blijft alleen eredienst over, de gebruikelijke term ook in onze kerkelijke reglementen. Dus thans de inhoud, die het belangrijkste is. Wat denken wij bij eredienst?

Dr. Noordmans houdt zich vooral aan de geestelijke inhoud, de heer Taverne wijst bovendien op de vorm. Terecht brengt hij het element 'wisselwerk'naar voren, dat in de liturgie, de door hem gebezigde en bestreden benaming, een kenmerkende rol speelt. Over liturgie, een vierde term dus, behoef ik niet afzonderlijk te spreken; hij staat zeer gelijk met eredienst en het is waar, dat de liturgie niet alleen wisselwerk tussen voorganger en gemeente kent, maar ook op bepaalde theologische onderstellingen berust, zo goed als eredienst. Er is geen enkel bezwaar om toe te geven, dat liturgie en eredienst meer om het lijf hebben dan enkel een zekere vorm, een zekere orde van de dienst. Zij zijn niet zo onschuldig; daarin heeft de heer Taverne gelijk. Maar de heer Taverne heeft ongelijk als hij zijn kracht tenslotte zoekt in scheldwoorden. Ziehier de staalkaart op p. 171 en 172 van nr. 45 van dit weekblad: voedt op in roomse geest; afgoderij; strijdt tegen de Schrift; surrogaat; in het bredere stuk komen, naast aardige historische argumenten, helaas zelfs laster en verdachtmaking voor. Wij betreuren dit ernstig en laten het voor wat het is. ⚑De inhoud van de eredienst is hetgeen, waarop het aankomt en daaraan zullen wij dus in het vervolg alle aandacht hebben te besteden.

2

Duidt eredienst die straffe samenvatting van alle handelingen in de kerk aan, dat gesloten samenstel van kerkelijke handelingen, hetwelk culmineert in aanbidding en waarvan het offer het middelpunt is en dat wordt toegepast op alle samenkomsten der gemeente? Zo drukt dr. Noordmans zich uit en wij willen zien, of deze verklaring houdbaar is. Het bezwaar er tegen zou zijn, dat de afgeslotenheid en afronding van de eredienst niet strookt met de aard van Gods openbaring in zijn Woord, dat gepredikt moet worden en zo ook niet met de aard van de kerken der Reformatie, zelfs het gevaar in zich draagt van op zichzelf iets te willen zijn, door mensen God aangeboden. Het betoog richt zich vooral tegen prof. Van der Leeuw, en aangezien deze als eerste ons aan een boek, dat werkelijk doordacht is, over liturgiek geholpen heeft, waarin de onderstellingen van de eredienst ruimschoots tot haar recht komen, willen wij hem vooral aan het woord laten op dit terrein der theologie, welks toekomst waarschijnlijk voor ons allen onoverzienbaar, zó vol van beloften is. Het tweede hoofdstuk Liturgie11 moesten al onze theologen eigenlijk in het hoofd en tot hun beschikking hebben. Met het oog op onze lezers en ter verduidelijking bij de discussie over de vraag of de eredienst per se gesloten is, dat is een in zich zelf volkomen karakter en waarde bezit, citeren wij het volgende:

Liturgie is het gelaat van Gods verkeer met ons. Het verkeer tussen God en de kerk blijft altijd verkeer, dwz. dialectisch. Dit betekent niet alleen, dat er voor dit verkeer twee nodig zijn, maar ook, dat de gegeven vorm telkens weer verbroken wordt of althans worden kan.

Het is beweeglijk, het gaat heen en weer. God spreekt en wij antwoorden, wij spreken en God antwoordt. Liturgie is een gesprek, niet de repetitie van een toneelstuk.

Liturgie is een vorm van het verkeer van God met zijn kerk. Er zijn ook andere vormen.

De in de liturgie gegeven vorm moet voortdurend worden getoetst aan de grondvorm van het verkeer van God met ons, de vleeswording des Woords.

De plaats waar de Nederlandse Hervormde Kerk haar intrede in de eredienst behoort te doen, ligt op het kruispunt van verkondiging en liturgie.

Verkondiging door prediking, die één van twee vormen van verkondiging is, wil zeggen: een open eredienst, met de mogelijkheid of, als men wil, het risico van hervorming en ketterij. Dat wil zeggen een open belijdenis, onder gestadige correctie van de uitlegging van Gods Woord, open poort voor Gods Geest. Zo oordeelt ook Gunning, als hij schrijft:12 "Wij spreken dus uit in onze eerdienst, wat God in zijn genade tot ons heeft gesproken, en trachten dat voor de gemeente verstaanbaar te maken. Vandaar ook de innige samenhang tussen cultus (!) en dogma. ... Aanbidding en onderwijzing vormen alzo de twee grote bestanddelen van onze cultus (!), en hierin reikt de gereformeerde kerk op schone wijze de hand aan de Oude kerk der tweede en derde eeuwen." Ook elders treft men dezelfde gedachte aan. De Reformatie heeft gedaan wat het middeleeuwse katholicisme niet gekund heeft, zij heeft de prediking in het geheel der liturgie haar plaats gegeven, terwijl zij er vroeger als een afzonderlijk element naast had gestaan; maar hierdoor blijft onze eredienst dan ook die openheid houden, die nooit gesloten mag worden en het didactisch element, dat naast de andere elementen natuurlijk niet gemist kan worden.

Van der Leeuw vraagt dan verder: Verkondiging en liturgie, zullen zij een blijvende tegenstelling zijn? Moet Rome afzien van de verkondiging en Genève van de liturgie? Sluit de openheid van de verkondiging de vaste orde van de sacramentele eredienst uit? Het antwoord wordt gevonden in een derde mogelijkheid nl. in de eredienst als de ons door God geschonken vorm van omgang met Hem. God spreekt tot de mens en geeft hem de vrijmoedigheid om tot Hem te spreken. De eredienst is sprake en wedersprake, woord en antwoord, zij is waarachtig God en waarachtig mens, zij is Heilige Geest, die getuigt met onze geest. Dat is er de 'waarde' van, door God zelf gegeven.

Dit alles bedoelt een hervormde liturgie, wanneer zij aan de verkondiging in de eredienst een principiële plaats inruimt. De eredienst ontspringt daar waar Christus zegt: doet dit tot mijn gedachtenis; en dan is de keerzijde van het sacrament, dat wij vieren, de verkondiging: zo verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt. De gebrokenheid van de eredienst is gewaarborgd in zijn karakter van verkondiging, kèrugma, proclamatie in verstaanbare taal. Daarbij is de viering van de incarnatie, met het Avondmaal weliswaar centruma maar niet alleen centrum, doch juist punt van uitstraling; het komt hier op de ronde cirkel niet aan maar op de stralen, dynamisch, niet statisch.

Er is naar onze mening, als wij dit alles ter harte genomen hebben, weinig reden om te vrezen voor eigenwaarde en geslotenheid van de eredienst, de geest der liturgie'. Op zijn ergst is dit de geest van de hemelse eredienst uit Openbaring 5 of van de universele eredienst van Filippenzen 2 en het lijkt ons vooralsnog geen aanbeveling van de geest onzer godsdienstoefeningen en beurten, dat wij zo ontzettend bang zijn om daar bijv. gemeenschappelijk te knielen. De vrees om niet liturgisch belast te worden is wel in haar tegendeel omgeslagen nl. in de lust om historisch zo belast mogelijk te blijven.

Het is hier de plaats om ook op het wisselwerk te wijzen, dat voor de heer Taverne de ergernis in de liturgie is. Amen is het enige toelaatbare antwoord, eigenlijk geen antwoord maar een instemming, zie mijn artikel in nr. 23.13 Toch is het een feit, dat onze liederen in zeer vele gevallen ook als antwoorden, bijv. na Schriftlezing, wet, geloofsbelijdenis, prediking functioneren. Wat is er tegen het door de engelen voorgezongen Ere zij God of tegen het door de bijbel gegeven Hosanna voor Jezus, waartegen de Overpriesters en Farizeeërs wel bezwaar hadden, doch die ten antwoord kregen: Ik zeg ulieden, dat zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen?14 Wij nu willen het niet aan de stenen der kerk overlaten om Christus hoorbaar te eren, maar ons zelf als levende stenen gedragen in een geestelijk huis.

Onze kerkdiensten zijn nooit alleen didactisch van aard geweest. Gebed en gezang mogen het zelfs uit den aard niet zijn. In elke dienst geschiedt altijd meer, dan alleen maar passief luisteren. In zoverre doet de beweging tot herstel van de eredienst of, zo men wil, de liturgische beweging inderdaad niets nieuws naar het wezen en alleen maar naar de vorm. Maar vorm en wezen zijn hier niet gescheiden. Wanneer in de Orde van den Eeredienst voor de Ned. Herv. Kerk de elementen: schuldbelijdenis, genadeverkondiging, lofprijzing, Schriftlezing, wet en geloofsbelijdenis op hun plaats worden gezet en daar elk voor zich tot op zekere hoogte worden verzelfstandigd, dan geschiedt hier niets nieuws en toch iets zeer wezenlijks. Er wordt nl. rekening gehouden met het votum, waarvan de gehele dienst afhankelijk is. Dit wil immers zeggen, dat de dienst 'goddelijk' is - een zeer ouderwets woordgebruik - in zoverre hij in de naam Gods en door de wil Gods en in Gods opdracht en tot Gods eer wordt verricht. De zegen aan het eind bevestigt dit. Beide hebben het karakter van verwerkelijking van Gods gave, het Woord dat tegelijkertijd feit en daad is, niet een slappe wens of een bede, waarmede men zelf nauwelijks ernst maakt.

Behalve dat de geslotenheid van de eredienst er bij ons niet is zoals in de Griekse kerk, en de eigenwaarde zoals bij de heidenen, is evenmin het offer er het middelpunt van. Wel mag het hoogtepunt van elke eredienst, tenzij deze bepaald het karakter van een leerdienst of dergelijke heeft, de viering van het Avondmaal zijn. Maar een offer kennen wij niet. Althans geen offer van ons aan God. Het Avondmaal is voor ons het offer, dat God in Christus brengt. Hij spijzigt ons aan zijn dis. Wij eten en drinken, en verkondigen daarmede de dood des Heren. Wij kennen trouwens geen enkele vorm van protestantse eredienst, waarin nog iets van het offer is gehandhaafd.

Wel kennen wij een offerande strikt in de zin van dankoffer voor armen, eredienst en andere doeleinden. Het zijn de gaven onzer dankbaarheid. Als zodanig kent iedereen ze, het is dunkt mij niet nodig hier langer over uit te weiden. "Wij geven het U uit uwe hand."15 Wij staken de polemiek en zullen in het volgend nummer nog eenmaal geheel thetisch ons onderwerp, dat zo veel nieuw leven in de kerk brengt, en waarmede, naar het woord van Van der Leeuw alles is gemoeid, niet slechts de leer van de dienst in engere zin maar dogmatiek en ethiek, kerkorde en levensorde trachten samen te vatten.

3

Eredienst wil zeggen dat de gemeente in de dienst Gods geroepen wordt. Eenmaal in die dienst getreden, kan zij daar niet anders verkeren dan Hem erende, die haar eeuwige Koning is en aan Wie zij alles te danken heeft. Daardoor heeft alle christelijke eredienst twee kanten. Vooreerst de roeping Gods, want uit zich zelf kan zij tot Hem niet naderen. Uit zich zelf is zij ook geen gemeente. De roeping Gods alleen maakt de mensen of het volk tot gemeente. Maar als ze dat eenmaal is in het geloof, dat daartoe de genade ontvangt, wordt het ook, dit is het tweede, haar roeping, de Heer te eren in haar gehele leven en daaronder ook Hem te aanbidden in zijn huis. Dit is haar grote voorrecht en haar hoogste verheffing tevens:

Gij Jezus, die ten troon verheven door duizend duizenden omgeven geplaatst zijt aan Gods rechterhand... Gij ziet ook duizend duizend zielen hier, op uw voetbank, nederknielen, en, bij die duizenden, ook mij. (Gez. 74).16

Zo is de eredienst vol van beweging. Zij, die geloven, worden verheven en werpen zich neder want de tegenwoordigheid des Heren begenadigt en overweldigt hen. Tussen deze beide polen beweegt zich de dienst.

Eenzelfde rijkdom brengt ons het psalmboek en in navolging van het psalmboek, in overeenstemming met Efesiërs 5 : 19, het gezangboek. De praktijk onzer kerkdiensten kan zich met onze psalmen en gezangen gelukkig nog al rijk noemen, zelfs is zij innerlijk veel rijker dan wij haar veelal maken. De Heer ziet zijn gemeente gaarne dankbaar, Hij die wil tronen op de lofzangen Israëls (Ps. 22 : 4). De oude christenen lazen uit Maleachi 1 : 11, dat aan alle plaatsen zijn Naam een rein offer, d.i. het dank- en gebedsoffer der lippen zou worden gebracht, juist nu de dienst der schaduwen voorbij en deze in Christus vervuld zijn. God heeft zijn kerk daartoe meer stof gegeven dan onze woorden, liederen, gebeden en belijdenis ooit kunnen uitdrukken. Zij schieten nog altijd te kort, niet alleen naar de maatstaf van zijn eer maar eveneens naar die van de volheid onzer dankbare harten. Vandaar dat liederen als ps. 43 : 4, ps. 84 : 1 en 2, ps. 116 : 11 zulk een bijzonder grote plaats in het hart der christelijke gemeente innemen. Zij zingt deze welgemeend, met volle overtuiging en laat er gezang 26517 op volgen, waarin zij de tegenwoordigheid Gods belijdt, die een zelfde werkelijkheid is voor opwekkingskringen zowel als voor de statigste eredienst. Hier is sprake van werkelijkheid voor het geloof.

De andere kant van de eredienst ligt, zeiden wij, in het feit, dat God de gemeente roept en dat zij alleen gemeente is door deze roep en in het geloof. Dit wil in alle eenvoud zeggen, dat zij altijd bijeenkomt om naar Gods Woord te luisteren. Natuurlijk is God nooit uitgesproken tot haar en heeft haar geloof nimmer het einde bereikt. Gods Woord is herscheppend, voor de gemeente hangt alles daarvan af. Het komt tot haar op de manier zoals Jezus Christus tot de mensen kwam, gelijk de evangeliën ons dit laten zien: oordelend, maar verlossend en de vernieuwing tot stand brengend tevens, altijd de verloste toelatende tot het verkeer met hem, tot zijn werkelijke gemeenschap in vlees en bloed. Jezus heeft ook wel tot mensen een strafrede gehouden en hen weggezonden. Maar dat is niet zijn omgang met de gemeente, waarin hij woont, geloofd en geprezen wordt en wil worden. Deze gemeente zegt met Petrus, dat zij niet bij hem vandaan wil, want: tot wie zouden wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.18

Zodoende blijft de roeping Gods in Christus de ondergrond en achtergrond van het gemeentelijk komen voor zijn aangezicht. Wij moeten er voor waken, dat wij dit komen tot en verkeren met de Heer niet willekeurig beperken tot enerzijds het prediken over het Evangelie en anderzijds het luisteren naar de prediking. Hierin verschuift zich soms de toeschouwers-houding. De Heer vraagt onze lof, onze belijdenis, ons gebed, onze aanbidding en onze dankbare zelfovergave. Hij wil dat wij allen medeverkondigen. Daartoe heeft Hij ons tot gemeente gemaakt.

Aan de twee genoemde kanten van het wezen van de eredienst beantwoorden dus de twee behoeften der gemeente, nl. om God te horen èn Hem erende in zijn dienst te mogen staan. Zij verlangt naar de frisse, levende bron van zijn Woord; èn zij wil zijn werkelijke gemeenschap, hetzij dat zij bedroefd en geslagen of wel dat zij dankbaar en vrolijk is. Geen dienst of, al is de preek in 'n bepaald geval nog zo eenzijdig, in lied en gebed komt dit trouwens uit. Niet kan men zeggen dat het ook steeds voldoende tot zijn recht komt. Er is in ons gedrag in de kerk, in onze woorden, in onze manier van zingen iets van een reserve tegenover de werkelijkheid: nu ja, wij zingen het wel, maar het staat te bezien of zulks zich hier en nu verwezenlijkt; wij bewaren afstand, ondanks onze woorden. Wij hebben ons er aan gewend om aan te heffen: Wij knielen voor Uw zetel neer,

Wij, Heer en al Uw leden19

en er tegelijk niet over te denken het ook werkelijk te doen. Dit is een scholing, die tot verkeerde geestelijke gevolgen leidt. Wij zijn grondig afgewend met deze vorm-kwesties ernst te maken; erger is, dat wij het ook niet doen met de meer belangrijke. Het gevolg hiervan is, dat schuldbelijdenis, genadeverkondiging en lofprijzing, als zij alleen in het voorgebed gezegd worden en niet door de gemeente zelf op de lippen genomen worden, gevaar lopen van haar op een afstand te blijven. Jezus heeft gezegd: Gij zult niet meesters genaamd worden want één is Uw meester, nl. Christus.20 Met dit woord moet de ons zo vertrouwde protestantse opheffing van de scheiding tussen priesterschap en leken aangevuld worden. Daaruit volgt, dat dominee niet te veel alleen aan het woord mag zijn. De gemeente zelve heeft recht op de genoemde elementen der liturgie, het is niet goed haar deze te ontnemen en haar, let wel, de gemeente des Heren, de geroepen heiligen, zwijgend te doen verkeren in de plaats, waar zij thuis behoren, als een schoolklas neergezet in de banken onder de lering, stil als een geslagen leger. Dit is naar de mate en de aard harer roeping te weinig, het is ook te weinig tot haar 'oefening' en voorbereiding om Hem eenmaal dag en nacht te dienen in zijn tempel (Openbaring 7 : 15). In een boerengemeente werd onlangs tegen een 'liturgische' dienst opgemerkt: Wij zouden wel eens willen weten, wie tegenwoordig het werk doen moet, de gemeente of de dominee? Het antwoord moet luiden: beide gelijkelijk.

De roeping der gemeente door God tot de eredienst heeft haar concreet uitgangspunt in de instelling van het Avondmaal. Dit bestaat krachtens de incarnatie. Men kan zeer zeker alle eredienst sacramenteel noemen maar men bedenke wel, dat dit zo is uit kracht van de vleeswording des Woords. Het is daarom meer aanbevelenswaardig om de theologie, waarop de leer van de eredienst berust, incarnatie-theologie dan sacraments-theologie te noemen, in overeenstemming met de openbaring Gods in Christus als het begin van alles; de sacramenten zijn daar van afgeleid. Maar in ieder geval blijft het Avondmaal als het bepaalde uitgangspunt van de eredienst tevens het hoogtepunt. Dit is misschien bijzonder opvallend in een kerk als de onze, waarin de avondmaalspraktijk op tal van plaatsen helaas ontzettend is weggezakt. Maar het is niets anders dan'verkondiging'als wij juist hierop alle aandacht vestigen. Het spreekt daarom van zelf dat het Avondmaal dan ook het richtpunt is van de dienst. Tot deze hoogte moet alle dienst worden opgeheven, door deze vorm worden gestempeld en gewaarmerkt. Van het Avondmaal, dwz. van de concretisering der roeping Gods in de instelling van het Avondmaal door de Zoon, moet ons denken over de eredienst uitgaan. Het is moeilijk aan te nemen, dat wij over het Avondmaal geen heldere gedachten zotiden kunnen hebben, laat staan, dat wij het hierover met elkander oneens zouden zijn.

Voetnoten

  1. a

    A. w., p. 41 v.↩

Eindnoten

  1. 1

    J. N. Bakhuizen van den Brink publiceerde Eredienst 1 in WNHK. 27 (11 dec. 1943) nr. 49, p. 188; Eredienst 2 in WNHK. 27 (18 dec. 1943) nr. 50, p. 191 v.; Eredienst 3 in WNHK. 27 (25 dec. 1943) nr. 51, p. 195 v. Zie over B. p. 142, noot 17.↩

  2. 2

    Ter inleiding op het artikel Eredienst van G. Taverne in WNHK. 27 (13 nov. 1943) nr. 45, p. 171 v. schreef de redactie: "Van de heer G. Taverne te 's-Gravenhage ontving de redactie een uitvoerig artikel behelzende een aantal bezwaren, voornamelijk aan de Schrift en aan de historie der calvinistische hervorming ontleend, ter bestrijding van hetgeen door prof. Van der Leeuw, prof. Bakhuizen van den Brink en dr. Terlaak Poot in deze rubriek in de nrs. 22, 23 en 30 van dit weekblad over het Kerkboek en de liturgische antwoorden is geschreven. Het artikel is tot onze spijt veel te lang om hier opgenomen te kunnen worden, doch de auteur heeft het van een resumé voorzien, waarin hij zijn voornaamste beginselen en resultaten samenvat en waaraan wij thans, na de beide stukken van dr. Noordmans, plaats verlenen. Van een der drie genoemde schrijvers hopen wij daarna een antwoord te plaatsen." G. Taverne (geb. 1903), vanaf 1946 hervormd predikant, werd na een reeks conflicten betreffende de kerkorde der N. H. Kerk met ingang van 1 jan. 1954 losgemaakt van de ambtsbediening. Vgl. Van Alphens Nieuw Kerkelijk Handboek, jaargang 1982, p. 509. T. kreeg enige bekendheid door anti-roomse activiteiten.↩

  3. 3

    Vgl. J. H. Gunning J. Hzn., Onze Eeredienst. Opmerkingen over het liturgische element in den gereformeerden cultus, Amsterdam 1890, p. 15, noot 3: "Het woord'eredienst'schijnt niet veel ouder te zijn dan de Staatsregeling van 1798, waar het in art. 21 voorkomt. In oudere woordenboeken konden wij het nergens vinden." Zie over G. p. 143, noot 29. Bakhuizen van den Brink noemt G. professor: G. is echter geen hoogleraar geweest, in tegenstelling tot zijn vader, J. H. Gunning Jr.↩

  4. 4

    Vgl. de verwijzing naar de brievenroman van Betje Wolff en Aagje Deken Historie van den heer Willem Leevend (8 dln., 1784-1785) en de verwijzing naar hun Brieven van Abraham Blankaart (3 dln., 1787-1789) in WNT., dl. 3/2, 's-Gravenhage-Leiden 1916, kol. 3902.↩

  5. 5

    WNHK. 27 (13 nov. 1943) nr. 45, p. 172.↩

  6. 6

    Vgl. van de Engelse theoloog en kerkhervormer John Wyclif (± 1328-1384), Select English Works (1869-1871), dl. 2, p. 67: "For be puple hadde Crist in worship as a prophete." Aldus in The Oxford English Dictionary, dl. 12, Oxford 1933, sub voce Worship.↩

  7. 7

    Vgl. G. van der Leeuw, Liturgiek, Nijkerk 1940 (19461), p. 18.↩

  8. 8

    Vgl. de verwijzing naar R. J. Fruin, Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog (1857) in WNT., dl. 3/2, 's-Gravenhage-Leiden 1916, kol. 3902.↩

  9. 9

    Vgl. de verwijzing naar de psalmberijming van D. R. Camphuysen (1586-1626) in WNT., dl. 3/2, kol. 3902.↩

  10. 10

    Vgl. de verwijzingen naar R. J. Fruin, a. w. in WNT., dl. 5, 's-Gravenhage-Leiden 1900, kol. 275 v. Aldaar ook de vermelding van de Grondwet, art. 177 en van de Wet op de Kerkgenootschappen, art. 8.↩

  11. 11

    Van der Leeuw, a. w., p. 14-38.↩

  12. 12

    Gunning, a, w., p. 15.↩

  13. 13

    J. N. Bakhuizen van den Brink, Onze Eeredienst. 'Antwoorden', in WNHK. 27 (12 juni 1943) nr. 23, p. 91 v.↩

  14. 14

    Luk. 19 : 40 (St.V.).↩

  15. 15

    1 Kron. 29 : 14 (St,V.).↩

  16. 16

    De eerste drie versregels staan in strofe 1, de volgende staan in strofe 2 van gezang 74 uit de Gezangenbundel der Ned. Hervormde Kerk (1938). Dit lied is niet opgenomen in het Liedboek voor de Kerken (1973,).↩

  17. 17

    Gezang 265 uit de Gezangenbundel der Ned. Hervormde Kerk (1938). Dit lied staat in gewijzigde vorm in het Liedboek voor de Kerken (1973) als gezang 323.↩

  18. 18

    Joh. 6 : 68 (St.V.).↩

  19. 19

    De eerste twee versregels uit strofe 1 van gezang 73 uit de Gezangenbundel der Ned. Hervormde Kerk (1938). Dit lied staat als gezang 231 in het Liedboek voor de Kerken (1973).↩

  20. 20

    Matth. 23 10 (St.V.).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← EredienstInhoudEredienst →