Middag in de nacht2
Lukas 2 : 1 - 10; Johannes 1 : 1
Geboorte is verzoening en genade. Zij is, nu de mens eenmaal gevallen is en nu het een boos geslacht is geworden (Luk. 11 : 29), een teken dat God er nog geen einde aan wil maken en dat Hij met de wereld nog iets voor heeft. Daarom is er ook altijd grote blijdschap, als er een kind ter wereld komt. Wij mogen de plaats onzer woning honderdmaal een `jammerdal' (zondag 9) of een tranendal noemen, die vreugde zal er altijd weer zijn. En waar zij ophoudt ontstaat een 'avondland' dat ondergaat.
Jezus is geboren in een echt 'morgenland', waar de "grote blijdschap" (Luk. 2 : 10) niet ontbrak. Hemel en aarde namen er aan deel. Want voor deze geboorte was nog oneindig meer genade en een veel grotere bereidheid tot verzoening nodig dan voor elke andere. Zij is immers niet slechts een openbaring van de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, waardoor Hij alle schepselen nog onderhoudt (zondag 10), maar God neemt er op een veel meer eigene wijze aan deel. De Zoon wordt mens; het Woord is vlees geworden (Joh. 1 : 1). God verbindt zijn eigen eeuwige kracht en goddelijkheid (Rom. 1 : 20) zo nauw met het lot en de toekomst van het gevallen en boze geslacht der mensenkinderen, dat voortaan iedere dreiging, hoe groot ook en in welke eeuw ook, te pletter zal lopen. Nu Christus de Heer, zoals een engel Hem noemt, geboren is, zal zelfs de dood geen angel meer hebben om te steken (1 Kor. 15 : 55).
Dat is het wat er volgens het kerstevangelie in die nacht geschiedde. Dit grootste feit uit de heilsgeschiedenis had toen plaats. Het Woord werd vlees. Dat het dit was, zou men, als men het verhaal van deze geboorte leest volgens de beschrijving die Lukas daarvan geeft, niet vermoeden. Dit verhaal begint met de politiek, met fiscale maatregelen en met woningnood. Dingen die wij heden ten dage uit den treure kennen. En te midden daarvan wordt een kind geboren en in een heel ongewone wieg, een voederkribbe neergelegd. De kunst maakte er een idylle van, maar in onze tijd zijn er miljoenen mensen die weten dat het iets anders is.
Maar dan komt het Evangelie en overstraalt dit bange en armoedige gebeuren met waarheid en glorie. Hemelse aandacht wordt plotseling aan het kindeke in de kribbe gewijd en al spoedig verkondigen de eerste getuigen aan de wereld, wat ze gehoord en gezien hebben. Er is een plek licht in `s werelds duistere wolken ontstaan en daardoorheen valt zulk een helder schijnsel op Hem, die zichzelve om onzentwille heeft vernietigd en vernederd (Fil. 2 : 4-11), dat alles daarbij in de schaduw treedt. Keizer Augustus wordt niet meer genoemd. Ook de fiscus heeft niet erg de belangstelling. Jezus stelt hem tevreden met een toevallige schattingpenning (Matth. ⚑22 : 19) of stater (Matth. 17 : 27). De inspecteurs der belastingen hebben meer belangstelling voor Hem. De een verliet zijn tolhuis om zijn discipel te worden (Matth. 9 : 9) en een ander klom in een boom om Jezus te kunnen zien (Luk. 19 : 4). En ook de woningnood werd heel onbelangrijk, sedert Jezus nog minder dan de vossen en de vogelen een domicilie had (Matth. 8 : 20).
God heeft zich solidair verklaard met ons lot en onze toekomst en dit éne feit, deze verborgenheid der godzaligheid dat God is geopenbaard in het vlees (1 Tim. 3 : 16), doet al het andere naar de achtergrond verdwijnen. "Al deze dingen zoeken de heidenen", zal Jezus later prediken (Matth. 6 : 32). Nu gaat het om het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid (Matth. 6 : 33).
Door deze 'omkering der waarden' wordt het Evangelie een verborgenheid. Eerst in deze zin dat het niet opgemerkt wordt. God moest engelen uit de hemel zenden om er opmerkzaam op te maken. In Jeruzalem weet straks niemand van Jezus' geboorte (Matth. 2). Joodse en heidense geschiedschrijvers weten er niet of nauwelijks van. Het is alsof deze beide geschiedenissen, de bijbelse en de algemene, elkaar negeren. Rome en het Godsrijk. Jezus weet van Rome niet; Rome niet van Jezus. Zo is de verhouding in de bijbel in beginsel altijd geweest. Het christendom is geen religie maar een geloof. Het staat niet in een organische verbinding met ons bestaan, zodat men het eruit zou kunnen afleiden. Het is inderdaad een verborgenheid, die echter toch in staat is aan ons zo geopenbaard te worden dat al het andere daarbij verbleekt. Reeds Abraham is zulk een figuur. Hij komt zo de geschiedenis binnenlopen en heeft geen houvast aan het land dat God hem beloofd heeft. En toch is hij voor ons veel moderner dan één van zijn tijdgenoten. Nog meer dan de aartsvader der Joden is hij de 'vader der gelovigen' geworden tot op de dag van heden. - Maar zijn verborgenheid in de historie en zijn moderniteit in het heden zijn verdwijnend klein, vergeleken bij die van Jezus. Bij Hem is alles tot het uiterste vereenvoudigd wat wereldse belangrijkheid betreft. Pascal noemt Hem de obscuurste der mensen.3 En toch - Pascal zegt het ook - ging of gaat van niemand anders zoveel uit. Was Hij meer of geheel vervlochten met wat onder ons bekend of groot of geëerd is, dan zou Hij met onze macht, onze cultuur of onze religie kunnen ondergaan. Nu Hij alleen de overste leidsman en voleinder des geloofs is (Hebr. 12 : 2), is dat niet mogelijk. Nu Hij de blinkende morgenster is (Openb. 22 : 16), nu kan geen avondland zo ten ondergang neigen, of het zal zich aan die stralen kunnen oriënteren.
Dat wij ook dit jaar weer Kerstfeest mogen vieren, is genade van God. Wij weten nu dat de meest verborgene ook de meest openbare is. Dat God met ons is. Dat Hij met ons solidair is. Dat Hij gekomen is om ons te redden van de ondergang. Wij behoeven niet te wanhopen. In de nacht zal het middag zijn.