Jaarwisseling4
Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Mattheüs 28 : 18
Ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld.
Mattheüs 28 : 20
Dit zijn de laatste woorden die Mattheüs uit Jezus' mond heeft opgetekend. Het 'aangename jaar', dat de Heiland in het begin had aangekondigd, is vervuld en er zal een wisseling plaatshebben die voor de discipelen van de Heer ernstig genoeg is. Het evangelie is uit en de Handelingen gaan beginnen. De leerlingen zullen als zendelingen moeten optreden en ontvangen daartoe hun volmachten. Zij zullen in de Heer moeten leren geloven zonder Hem te zien; van zijn tegenwoordigheid verzekerd te zijn zonder Hem te kunnen aanraken. Daartoe wapent Jezus hen nu met de sterkste toezeggingen die in de evangeliën te vinden zijn. Het aangename jaar in Galilea en Judea is slechts een voorslag op het grote spel dat nu gaat beginnen in hemel en op aarde, tot de voleinding der wereld. Zijn macht en tegenwoordigheid zullen overal en altijd hun ten dienste staan.
Wat deze wisseling in het Nieuwe Testament betekent, kan de jaarwisseling ons misschien helpen verklaren. Er komen in ons leven ogenblikken voor, tijden, gelegenheden, ervaringen die dezelfde rol spelen als de taal, de woorden waarin het evangelie voor ons is vertolkt. Waren wij geen redelijke wezens, hadden wij geen redelijke godsdienst, konden wij niet spreken, dan zouden wij God ook niet kunnen verstaan. Daarom is het Woord ook vlees geworden; dwz. verstaanbaar voor zondaren. Want onze redelijkheid zit niet alleen in hoofd en hersenen, maar, om zo te spreken, even goed in hand en voet, in handel en wandel. Het evangelie gaat dan ook dadelijk over in de Handelingen der apostelen.
In de overgang 1947 naar 1948 bestaat zo'n gelegenheid die ons kan helpen de beide mijlpalen in ruimte en tijd, die Jezus in zijn laatste woorden geplaatst heeft, in het oog te vatten. Het verleden is voor ons een vertrouwde omgeving, waarin wij wandelen zoals de discipelen met Jezus in de evangeliën. Nu het voorbij is hebben wij al die dagen lief, ook als ze ons tranen gekost hebben of oorzaak gegeven hebben tot berouw. Zoals Maria terugdacht aan het kruis vanwaar Jezus haar groette en Petrus aan zijn verloochening toen Jezus hem aanzag. Elk van die dagen heeft nu een scharnier waarin hij draaien kan naar God toe. Wij hebben, of wij het wisten of niet en het wilden of niet, in het evangelie geleefd; in het aangename jaar des Heren. Kruis en verloochening doen daar niet af; zij doen daartoe.
Maar nu houden de herinneringen op; nu komen in het onbekende nieuwe jaar de handelingen. Weg is het vertrouwde van het verleden; verloren het veilige, ja heilige van de afgelopen levensbaan. Jezus schijnt afscheid te nemen en nu moeten wij, schijnbaar buiten het evangelie, in een bezeten en gevaarlijke wereld, in een schrikkelijke en boze tijd, handelen, wandelen. Dat valt niet mee.
Maar nu gaat Jezus misschien juist in onze taal spreken; onze reddeloosheid, radeloosheid, redeloosheid is hier wellicht onze redelijkheid, waardoor Hij in staat is tot ons te spreken. Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen, tot de voleinding der wereld.
In zekere zin kan men de evangeliën het kerkelijk jaar noemen; de Handelingen het burgerlijke. Op onze kalender lopen deze beide naast elkaar. Alleen heeft het eerste een kleine voorsprong, als om ons bij voorbaat te verzekeren dat Jezus met ons is. Maar bij de jaarwisseling wordt de rechte, bijbelse verhouding tussen de twee ons duidelijk. Dan staan wij bij de beide mijlpalen, die Jezus aan het einde der evangeliën geplaatst heeft. Dan zien wij verleden en toekomst in het volle bijbelse licht geplaatst. Dan zien wij het kerkelijk jaar waarin ons verleden is ingebed achter ons en als de discipelen, de wereld en de tijd vóór ons.
Zullen wij nu nog durven te handelen? Deze vraag verstaat ons geslacht, onze tijd misschien als geen vorige. Wat wil er uit ons aardse burgerschap worden? Kunnen wij in het aangezicht van deze vraag voortgaan met handelen en wandelen? Deze vraag benauwt, verschrikt de zielen. Kunnen wij verder? Zijn wij niet alleen buiten het paradijs, maar raken wij ook buiten het evangelie? Tot nog toe kon elk afgelopen jaar zich bergen in het evangelie. Zal dat zo blijven? Is er ruimte in het evangelie? Zal dat zo blijven? Is er ruimte in het evangelie voor al onze handelingen? En zal ook het omgekeerde blijven, dat het evangelie een toekomst heeft? Op deze vragen past geen stichtelijk antwoord. Alleen het vasthouden aan Jezus' testament kan ons helpen.