Het licht der wereld9
Er zij licht!
Genesis 1 : 3
De jaarwisseling roept onze gedachten op een buitengewone wijze, allereerst om om-te-zien en dan om een blik vooruit te werpen. Midden in het kerkelijk jaar, als de adventszondagen al zijn gepasseerd en wij het Kerstfeest al hebben gevierd, komt een wending die met het geschapen licht in verband staat, onze aandacht vragen. Zij zal in vroege eeuwen een ander evangelie tot metgezel gehad hebben dan dat van Jezus Christus. Tenminste, oude gebruiken, die een taai leven hebben, vergezellen haar in menige streek van ons land tot op heden. Er blijft altijd enige spanning bestaan tussen ons evangelie en zo'n oud evangelie, tussen de donderbussen van de oudejaarsavond en de lichtjes en de engelen van de kerstboom. Daarin wordt iets zichtbaar en vooral hoorbaar van het verschil tussen oorlog en vrede, boze en goede geesten. En wij, die door twee wereldoorlogen zijn heengegaan, wij hadden wel gewild dat het bij een spelletje gebleven was en dat de folklore niet weer was ontwaakt tot een vreselijke werkelijkheid.
Wij hebben echter de wereld van die zijde weer leren kennen. Als Jezus geen Koning is, dan zijn er andere machten. De wereld heeft ook die zijde nog, de chaos, het 'woest en ledig', de duisternis met de ontploffingen waarin het schrik-van-alle-kanten regeert (Jer. 6 : 25). Deze vreselijke kanten, die lang voor de schepping van de mens hier op aarde, onder de oppermacht Gods tegen elkaar opstonden, hebben zich in onze leeftijd op angstaanjagende wijze weer onder ons laten gelden. En wat wij daarvan gezien en ervaren hebben is nog maar een voorproefje van het geweld dat over ons zou kunnen losbreken, als God het niet verhoedt.
God heeft eenmaal dat hels geweld bedwongen om ons een woonplaats te bereiden. Hij heeft dat verraderlijk donker op doen klaren, opdat men de dood en het leven voor zijn voet zou kunnen onderscheiden. Het er zij licht heeft geklonken op de eerste scheppingsdag.
Deze almacht Gods belijden wij nog in ons Credo. Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. En wij belijden dat ook voor het jaar 1953. Wij belijden dat ook ten opzichte van het kosmisch geweld dat wij op het spoor zijn gekomen en dat bij ons in zulke slechte handen is gevallen, dat ons hele geslacht voor de toekomst in vrees en beven is. De chaos die ons thans omringt is een ergere en de woestheid en leegheid hebben een hogere graad, omdat zij een moreel karakter dragen en omdat zij een schrikkelijke wanverhouding openbaren tussen onze hand en ons hart, onze macht en onze gezindheid. Onze redelijkheid is onze zedelijkheid ver voorbij gestreefd.
Een deel van onze medemensen heeft deze wanverhouding aanvaard. Zij hebben de verantwoordelijke mens, dwz. de mens afgeschreven en daarvoor een fabrikaat in de plaats gesteld dat volgens bepaalde methoden wordt geproduceerd. Deze wezens zijn, als het moet, even hardvochtig en onbarmhartig als de elementen van een chaos. Zij werken niet in een der uren van de dag, maar buiten die orde, in het vijfentwintigste, zoals een bekend schrijver het genoemd heeft.10 Dit werken stoort zich niet aan de regelen die God aan zijn schepselen gesteld heeft. Dan wordt het recht niet in acht genomen en het oordeel niet gevreesd; de barmhartigheid niet geoefend en de liefde niet betoond. Waarheid wordt niet gehuldigd en de schuld wordt niet beleden; de zonde niet gemeden en het berouw niet betoond. ⚑Een ander deel van de mensen ziet het gevaar van te vervallen in een zedelijke chaos. Men komt op voor de mens en wat de mens uitmaakt; hetzij dat men het ziet als hem eigen in de volste zin van het woord of als door God hem gesteld, zodat zijn leven een instelling wordt. Deze soorten der mensen zijn wel onderscheiden, maar niet gescheiden. Zij beïnvloeden elkaar, niettegenstaande welk ijzeren gordijn ook en de dreiging van die beïnvloeding is ontzettend.
En God staat in het midden. Er is in onze jaarwisselingen iets van de crises ener nieuwe schepping. Het wachten is op het goddelijke woord: Er zij licht! Zijn wij nog mensen? Heeft de machine ons misschien reeds zo vertechniseerd dat wij niet ten volle meer op die naam aanspraak mogen maken? Kunnen wij verder leven zonder dat de techniek voor God in de plaats komt? Is ons Evangelie, dat van Jezus Christus, evenals dat van de oudejaarsavond misschien ook bezig onder te gaan in chaotisch geknal?
Oud en Nieuw noemen wij de jaarwisseling. Onze hoop is op het Nieuwe, op Gods scheppingswoord; op het Licht der wereld, Jezus Christus. Een andere toekomst is er niet.