De toekomst7
Wachter, wat is er van de nacht, Wachter, wat is er van de nacht?
Jesaja 21 : 11
De jaarwisseling wordt door ons niet meer op dezelfde wijze beleefd als vroeger. Toen was de oudejaarsavond in ere en de nieuwjaarsmorgen daartegenover vergelijkenderwijs een verwaarloosde gelegenheid. Op die avond gingen vroom ter kerke wie men er anders niet zag. Maar de volgende morgen kwam de leider van de dienst in verleiding om in een bijna leeg gebouw de zaak af te doen met een liturgisch formulier, waarin telkens slechts het jaartal veranderd behoefde te worden. Enige gemeenplaatsen en een paar gezangen van Feith of Ten Kate waren daarvoor voldoende.
Kerkelijk en liturgisch moge dit alles, zij het in geringere mate, gebleven zijn, psychologisch is er veel veranderd. De behoefte om aan de oever van de snelle vliet van ons leven enige tranen te plengen is minder sterk geworden.8 Wij beginnen te ontdekken dat dit samenhing met de voorstelling die wij ons van de tijd maakten. Wij dachten dat tijd en ruimte broer en zuster waren.
Zoals de continenten zich uitstrekken tussen de wereldzeeën, zo zagen wij de eeuwen tussen de ijstijden. Min of meer homogeen, onderscheidsloos. Alleen had de broer één droevige eigenschap die de zuster miste: men kon in de tijd niet terug. Wel van Brussel naar Amsterdam, maar niet van 1950 naar 1900. In de tijd was de richting onomkeerbaar. 'Voorbijgaan' was in de tijd een serieuze functie, wat het in de ruimte niet was.
Daarom keek men op de oudjaarsavond het verleden zo weemoedig achterna. Op de nieuwjaarsmorgen echter paste een heel andere, veel minder ernstige stemming. Dan herinnerde men zich weer de homogeniteit van de tijd. Men kon niet terug, dat was waar. Daaraan had men dan ook de vorige avond een paar tranen gewijd. Maar vooruit kon men toch altijd wel, evengoed als in de ruimte. Le roi est mort, vive le roi; dat was de stemming op deze morgen. Een jaar was onherroepelijk voorbij; welnu, dan een ander. Een jaar was een jaar; veel heil en zegen!
In die opvattingen en die stemmingen is verandering gekomen. Natuurlijk niet in elk opzicht, maar toch zeer duidelijk. Wij hebben in de laatste halve eeuw twee stroomversnellingen in de tijd ontmoet, van zodanig geweld dat de gelijkmatigheid van het tijdsverloop daardoor geheel in de schaduw is gesteld. Die versnelling heeft zelfstandige betekenis gekregen. Tijd begint voor ons levensversnelling te betekenen. Daardoor wordt onze aandacht bij de jaarwisseling meer op de toekomst gericht dan op het verleden. Weemoed over het verledene is dan geen juiste naam meer voor onze stemming. Ons gemoed reageert eerder op de toekomst. En dan zijn het, zo God ons door zijn beloften geen andere gevoelens inboezemt, veeleer schrik en ontzetting die ons vervullen als wij denken aan de vaart die ons leven heeft gekregen. Wat waarborgt ons dat het komende jaar enige gelijkenis zal vertonen met het verledene? Welk houvast hebben wij nog aan het tijdsverloop?
Vroegere geslachten hebben van deze dingen ook wel iets geweten. Maar zij hielpen zich met een zeker optimisme. Zij vatten dan de versnelling van de tijd uitsluitend op in gunstige zin en noemden haar vooruitgang. Zij bezaten een natuurlijke hoop op de toekomst. Zij dachten dat de tijd alleen de komst van het goede versnelt en het kwade remt. Deze illusie is ons ontvallen. Wij weten wel beter. Wij zijn zelfs geneigd het omgekeerde te vrezen.
Nog een ander middel stond die geslachten ter beschikking: hun idealisme. Zij riepen tegen de tijd de eeuwigheid te hulp. Met die eeuwigheid wapenden zij hun innerlijk tegen de slagen van het lot in de tijd. Men zwoer zichzelf een eeuwige jeugd, een kristalheldere kern des levens, de persoonlijkheid waarop de tand des tijds niets vermocht, maar die zich integendeel steeds meer in goede zin zou handhaven.
Een Jood en een christen, Spinoza en Schleiermacher zijn het die met een profetische blik op de toekomst deze innerlijke wapenrusting hebben gesmeed. De mensen proberen ook nu nog, in de twintigste eeuw, zich daarmee te pantseren. Met de ene hand grijpen ze daarnaar; de andere houden ze afwerend boven hun hoofd. Zal het personalisme voldoende bescherming bieden tegen de moderne zakelijkheid? Of zal het de weg gaan van het optimisme? Is de eeuwigheid wel een partuur voor de tijd?
Eén ding behoren wij niet te vergeten. Het weemoedig nakijken van de dingen lijkt misschien vromer, maar het is niet geloviger dan het angstig opkijken tegen de toekomst. Het laatste boek van de bijbel is een boek der toekomst. De gedachte van een naar het verleden vluchtende of zich in het binnenste verschuilende eeuwigheid is heidens. God trekt op in de tijd en Hij neemt alle dingen mee. Hij kiest zijn mensen, dan roept Hij ze; dan geeft Hij hun gelijk en schenkt hun de toekomst (Rom. 8 : 30). Is het wonder dat er een groot rumoer om Hem heen is?
Tegenover dit komen Gods in de tijd, de toekomst des Heren, valt alle andere eeuwigheidsbetoning in het niet. Ook die der persoonlijkheid. Alleen als uitverkorene heeft een mens de toekomst. Daarin liggen de versnellingen des levens, die wij zo pas door Paulus hoorden noemen, besloten. Zij brengen haar angsten mee. De apostel spreekt zelfs van barensnood (Rom. 8 : 22). Maar alleen zo kan een mens het leven aan.