De eindtijd5
Het heeft betrekking op de eindtijd.
Daniël 8 : 19 (Le.V.)
De dingen die ons het meest aangaan begrijpen wij het minst. Eén daarvan is de tijd. Daarover is veel en diep gefilosofeerd en toch blijft het altijd een raadsel. Ons leven is met de tijd zo samengeweven, het is zozeer synoniem met tijd dat wij de afstand die er voor het opnemen van een beeld daarvan en voor een herkenning van dat beeld nodig is, niet kunnen nemen. Wanneer tijd verder gaat, gaan wij ook verder; en wanneer te bestemder tijd een einde komt, is ons einde ook daar.
Daarom is de overgang van de ene jaarkring naar de andere steeds een gebeuren dat ons even doet stilstaan en ons zelf doet afvragen: Hoelang? Waarheen? Wij zelf zijn het die over de drempel gaan. En wij zullen dat niet eindeloos kunnen doen. Te bestemder tijd zal het einde zijn. Wij zijn tijdelijke wezens, ons leven heeft een bepaalde duur, wij staan met de tijd niet helemaal op goede voet. Wij voelen ons "als het gras, gelijk een bloem des velds ... als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer" (Ps. 103 : 15 v.). De tijd drukt ons, zoals de zonde dat ook doet. De zonde verhindert ons om ons vrijmoedig op te richten; de tijd maakt het ons vaak moeilijk om blijmoedig verder te gaan. Daarom zegt ook de apostolische vermaning: "Laten wij afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt" (Hebr. 12 : 1).
Deze druk zal er bij de jaarwisseling van 1950/51 zeker niet minder zijn dan anders. Misschien zijn er sommigen die van de zonde niet willen horen, maar de tijd wel ernstig vinden. Dat is een vergissing. Want zonder de zonde behoeft men de tijd niet tragisch te nemen. "Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een zeer uitnemend gewicht der heerlijkheid" (2 Kor. 4 : 16 v.). Wat de jaarwisseling, de gedachte aan het voortgaan van de tijd drukkend kan maken, is datgene wat door de jaren voortgewenteld wordt naar het einde. Die ontzettende last, die meegevoerd wordt en die plaats moet maken voor het "uitnemend gewicht der heerlijkheid".
Wanneer wij ons daarop thans bezinnen, dan gaat het ons anders dan het vroeger menigmaal ging. Ik denk aan een nieuwjaarsgift, die aan het begin der negentiende eeuw door de beroemde theoloog Schleiermacher aan ons werelddeel geschonken werd.6 Een klein boekje met vijf hoofdstukjes en waarin het ging over een levenskunst van jeugd tot ouderdom in strikt persoonlijke zin. Daarin is een jonge man aan het woord, die zichzelf een eeuwige jeugd zweert. Voor zijn idealisme klaren de nevelen des doods op als een morgenwolk.
Wij kunnen ons niet voorstellen dat er nu, in het midden van de twintigste eeuw, een dergelijk werkje gepubliceerd zou worden. De typisch Europese tonen van nu klinken heel anders. Men denkt eerder aan Sartre. Het lijkt meer op het aanboren van bestaanslagen die onder vreselijke druk staan en die met een onverwachte uitbarsting hun aanwezigheid verraden. En de druk die deze opwellingen verklaart, die de oorzaak moet zijn van dit moderne humanisme, kennen wij ook maar al te goed. Als een alp drukt op ons werelddeel en op de hele mensheid de spanning van ongekende, onvermoede mogelijkheden. Met schrik, letterlijk met schrik, hebben de mensen die gewend waren met zichzelf en met de natuur een beetje te kunnen spelen de ontzaglijke ernst en de dreiging van dat spel ontdekt.
Zo staan wij dan thans heel anders ook tegenover de tijd. Het schijnt ons toe dat wij het niet meer zelf zijn die met de tijd verder gaan, maar dat het dreigende machten zijn van veel grotere maat, die zich daarvan meester gemaakt hebben en die ons een ontijdig einde zullen bereiden. Onze duur, onze jeugd, onze ouderdom schijnt daarbij weinig meer ter zake te doen. Wat er dan van ons aan brokstukken overblijft, daarin wil men zich liever niet verdiepen. Men laat het over aan de bestaansfilosofen.
Op een manier die op de boven beschreven situatie, niet voor ieder persoonlijk, maar toch massaal veel lijkt, moeten wij over de streep van de jaarwisseling. Wij gaan er niet vrij, niet speels over, maar onder een geweldige dreiging. Wij gaan die dreiging tegemoet. De tijd neemt ons niet spelend mee, maar schijnt van de overzijde naar ons toe te komen en ons te willen beletten verder te gaan. De jaarwisseling is apocalyptisch en de toekomst lijkt ons veel meer te zijn dan een voortzetting. Zij lijkt veel op een einde.
Wie de bijbel kent, weet dat dit de loop der geschiedenis is. De dingen gaan niet van ons uit, maar wij komen ze tegen. Zij komen ons tegemoet. God is de Koning der eeuwen. Hij openbaart de afloop daarvan. Het is echter een heel ding om te staan in de storm, waarin de Zoon des mensen komt. Want met Hem is de eindtijd begonnen.
Van deze openbaring Gods is er geen weg terug naar een primitieve levens- en wereldbeschouwing. Zelfs niet naar het jaar 1800 met zijn nieuwjaarsgave. Hoe ver lijkt het ons af. Waarheen gaat dan deze mensheid, deze kudde zonder herder? Wie voelt zich niet verloren, verlaten, bedreigd? Wie komt niet meer in aanmerking voor medelijden dan in verleiding voor hoogmoed? Wie is niet aangewezen op de eindtijd, op de komst van het Koninkrijk der hemelen?