Bijlage 1
De Epiclesea1
door dr. W. H. VAN DE POL
Een van de zeer vete punten, die dr. Noordmans in zijn boek over 'liturgie' aan de orde stelt, is dat van de epiclese bij de avondmaalsviering. Het is voor het verstaan van de oudste ontwikkeling van de christelijke liturgie en voor het verstaan van het latere onderscheid tussen de avondmaalsliturgie van de Oosters-orthodoxe kerken enerzijds en die van de Westerse (Rooms-Katholieke) Kerk anderzijds van belang om op dit punt van de epiclese nog wat nader in te gaan. Ik mag misschien wel als bekend vooronderstellen, dat reeds lang vóór de Hervorming de Oosterse liturgie van het Avondmaal kortweg 'de Liturgie' of 'de goddelijke Liturgie' werd genoemd, terwijl de Westerse avondmaalsliturgie reeds vroeg werd aangeduid als 'de Mis'. Deze laatste naam is in de Lutherse kerken van Duitsland en Scandinavië ook na de Hervorming veelal in gebruik gebleven. Luther zelf publiceerde een 'Deutsche Messe' in 1526.
Onder de epiclese nu verstaat men in de liturgiek een zeer bepaald gebed uit de avondmaalsliturgie, dat reeds in de oudste liturgische bronnen voorkomt in nauw verband met het reciteren of lezen (bidden) van de inzettingswoorden van het Avondmaal of de zgn. consecratie van het brood en de wijn.
Het Griekse woord 'epiklèsis' betekent eenvoudig 'aanroeping'. Bedoeld wordt een aanroeping Gods om de gave van de Heilige Geest, opdat het Avondmaal inderdaad mocht zijn een gemeenschap met het Lichaam en Bloed van Christus. Soms is het een aanroeping van God, soms een aanroeping van de Heilige Geest. Maar het gaat in elk geval om het verkrijgen van de gave des Heiligen Geestes, waardoor het in aardse vormen gevierde Avondmaal inderdaad een hemelse spijziging wordt door de Heilige Geest.
In verschillende liturgieën is de formulering verschillend; soms is er van een epiclese duidelijk sprake zonder dat de Heilige Geest uitdrukkelijk genoemd wordt. Dit is er waarschijnlijk de oorzaak van, dat dr. Noordmans meent, dat de epiclese "in de roomse Mis is weggevallen" (p. 78, vgl. p. 167; op beide p. wordt een verschillende oorzaak voor dit wegvallen opgegeven). Het is echter allerminst waar, dat in de misliturgie geen epiclese zou voorkomen en dat ze slechts zou naklinken in het Veni Creator Spiritus, evenmin als het waar is, dat alleen in het sursum corda "ons nog de wetenschap tegenklinkt dat het altaar in de hemel staat" (p. 79).
De verschillende onderdelen van de liturgie zijn op geen stukken na van gelijke waarde en betekenis. De misliturgie omvat voorbereidende gebeden en schriftlezingen, gezangen, gemeenschappelijke gebeden maar ook gebeden, die voor de priester bestemd zijn als de gemeente met de lofliederen instemt, slotpsalmen en slotgebeden. Het voornaamste gedeelte is de zgn. canon (reeks) van gebeden rondom de consecratie, waarbij onder het biddend reciteren van de inzettingswoorden krachtens het eeuwigblijvend Woord van Christus (de priester fungeert slechts als dienaar van Christus) en op grond van Christus' opdracht en belofte brood en wijn a.h.w, herschapen worden in het Lichaam en Bloed des Heren. Deze canon van misgebeden is één groot dankgebed. Het wordt ingeleid met het sursum corda,b omdat alles wat in de misliturgie gebeden, beleden en gedaan wordt heenwijzing is naar het hemelse altaar en de hemelse offerande van het Lam geslacht van vóór de grondlegging der wereld: het éne Offer éénmaal historisch op Golgotha gebracht voor de verzoening van de ganse mensheid en telkens sacramenteel gesteld in het hier en nu van de gemeente, zovaak de Offerande van Christus in het Avondmaal wordt gevierd.
Als het Heilig Avondmaal niet naar analogie, d.w.z. op sacramentele en mystieke wijze, het Offer van Christus is en tevens het met Christus medegeofferd worden der gelovigen (want niet alleen bij Calvijn, maar ook volgens rooms-katholieke leer is de gelovige bestemd om 'hostie Gods' te zijn), wat is het dan wel? Wat voor zin kan men nog hechten aan de woorden van Christus: "dit is mijn Lichaam dat voor u gebroken wordt" en "dit is mijn Bloed, dat voor u vergoten wordt", indien hier niet sprake is van een Offer onder de sacramentele gedaanten van brood en wijn? Ook in de r.-katholieke leer is het Mis-offer niet het Offer van Golgotha zelf; ook is het er geen aanvulling van, alsof het Offer van Golgotha op zichzelf niet voldoende ware; eigenlijk is het Misoffer volgens r.-katholieke leer niet anders dan de toepassing van het Ene Offer op het hier en nu, of zoals het volksmisboek van Affligem het uitdrukt: "Het voornaamste en oudste deel der Mis, waarin het heilig Offer eigenlijk wordt opgedragen, is niet anders dan de vernieuwing van het Laatste Avondmaal."
Het onderscheid tussen Reformatie en Rome - wat de avondmaalsliturgie betreft - ligt dan ook niet hierin, dat de Reformatie het Offer heeft afgeschaft (want dat zou betekenen, dat de hele avondmaalsviering naar Christus' inzetting en opdracht afgeschaft ware), maar hierin, dat de Reformatie de transsubstantiatie heeft verworpen.
Om nu terug te keren tot de epiclese. In de Oosterse liturgie, die inderdaad - zoals dr. Noordmans telkens opmerkt - een mysteriekarakter draagt, staat de epiciese vóór de consecratie en wordt in de epiclese gebeden om de afdaling van de Heilige Geest, opdat deze de elementen van brood en wijn zou veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus. De aardse elementen worden dan a.h.w. 'geestgeladen'. Het is een van de vele verdiensten van Rome in de geschiedenis van de Kerk geweest, dat zij de Heilige Geest niet in verband heeft gebracht met de elementen, maar met de gelovigen. Daarom volgt in de roomse Mis de epiclese op de consecratie.
Alle liturgiologen zijn het er over eens, dat afgezien van de consecratie zelf (de inzettingswoorden dus) de drie gebeden van de canon, die onmiddellijk op de consecratie volgen, de drie voornaamste misgebeden zijn, waar alles op aankomt. Wie deze drie kardinale gebeden dan ook over het hoofd ziet, kan onmogelijk de kern van de misliturgie verstaan. Het eerste van deze drie gebeden is de eigenlijke gedachtenisviering van het Heil van Christus, het tweede gebed is een bede om aanvaarding van het Offer (het Offer van nu, dat de specifieke vorm is, waarin de kerk voordurend pleit op het Ene Offer van Christus, gebracht op Golgotha) en het derde gebed is de roomse epiclese. Deze epiclese luidt als volgt (in de vertaling van Affligem): "Deemoedig smeken wij u, almachtige God: laat dit offer (dat is dus het aardse sacramentele offer in het hier en nu, dat zonder het eigenlijke Offer van Christus niets zou betekenen) door de handen van uw heilige Engel overgedragen worden op uw hoog-verheven altaar voor het aanschijn uwer Goddelijke Majesteit (dit is dus wel degelijk een verwijzing van het aardse altaar, dat op zichzelf niets is, naar het Ene Hemelse altaar): opdat wij allen, die door deze deelneming aan het altaar het allerheiligste Lichaam en Bloed van uw Zoon zullen nuttigen (en nu volgt de eigenlijke epiciese:) met alle hemelse zegening en genade (d.i. met de gaven des Heiligen Geestes) vervuld worden.
Zo wordt dus in de misliturgie de gave des Heiligen Geestes niet afgesmeekt voor de elementen, maar voor de gelovigen. Dit is een bewijs te meer, hoe juist het is - wat dr. Noordmans telkens nadrukkelijk opmerkt dat de Reformatie dichter bij Rome staat dan bij de Oosters-orthodoxe mysteriedienst. Ik ben het daarmee volkomen eens; ook ben ik het eens met dr. Noordmans als hij zegt, dat wij ons niet door die Oosterse liturgie moeten laten verleiden tot een soort protestantse mysteriedienst. Voor zover ik zelf in vroeger jaren mij wel eens onklaar in dit opzicht heb tlitgedrukt, wil ik de kritiek van dr. Noordmans aanvaarden. Vóór de Reformatie is het Rome geweest, die de Westerse liturgie voor de mysteriedienst heeft bewaard. Zoals ik in het Alg. Weekblad (nr. 26)2 uiteengezet heb, mag men echter niet zeggen - zoals dr. Noordmans doet - dat het Book of Common Prayer en de officiële anglicaanse liturgie dichter bij Byzantium zouden staan dan bij Rome. In dit verband geef ik echter toe, dat het nieuwe Book of Common Prayer van 1928 naast de oude liturgie ook een nieuwe toelaat, waarin opnieuw de epiclese een plaats heeft in een gecombineerd Oosters-Westerse vorm, nl. slaande zowel op de elementen van brood en wijn als op de gelovigen:
"Hoor ons, o barmhartige Vader - zo smeken wij u ootmoedig - en verwaardig u met uw Heilige en Levengevende Geest te zegenen èn te heiligen beide ons en deze uwe gaven van Brood en Wijn, opdat zij ons mogen zijn het Lichaam en Bloed van uw Zoon, onze Zaligmaker Jezus Christus, opdat wij in het ontvangen daarvan gesterkt en verkwikt mogen worden naar lichaam en ziel." Dit is een combinatie van de Oosterse en de roomse epiclese.
Het is daarom van groot belang, dat dr. Noordmans de kwestie van de epiclese aan de orde heeft gesteld en wij zullen goed moeten toezien, wat wij in deze doen, wanneer het komt tot een herstel en voltooiing van de liturgie der reformatorische kerken.