Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 3 · p. 681–688

Weergave

De scheppingsleer van Barth1

Wij moeten op de eerste paragraaf van Barths derde deel nog terugkomen. De these is: de leer der schepping is geloofsleer, dwz. kennis van Gods eigen getuigenis omtrent de schepping. Nader: zij is belijdenis van de schepping zoals wij daarvan kennis dragen door de openbaring Gods in Jezus Christus. Maw. het eerste artikel van ons Credo staat geheel op een lijn met het tweede omtrent Christus en het derde omtrent de Heilige Geest. Het 'Schepper des hemels en der aarde' moet genomen worden in verband met 'des almachtigen Vaders', dat direct in verband staat met art. 2 en 3. Barth licht dat nader toe door te wijzen op Hebr. 11 : 3a Dat vers staat boven een reeks geloofsdaden, niet geloofsbelijdenissen. Wie de belofte gelooft, gelooft in de schepping. De schepping is hier de exponent van. Wie de christelijke loopbaan loopt (Hebr. 12: 1), die gelooft dat God de wereld geschapen heeft. Hij beroept zich op Theophilus van Antiochië, die zegt dat de Logos in de profeten is neergedaald en dat Mozes als orgaan daarvan de schepping geleerd heeft. Verder op Thomas, Polanus, Quenstedt, Koehler, die allen de novitas (niet eeuwig) mundi leren, en dat die novitas slechts credibilis, niet demonstrabilis (Thomas) is. Dat de schepping als zodanig geen zaak van de filosofie maar van de theologie is, niet kenbaar uit het lumen naturale, maar uit de revelatio; schepping, geen emanatieb Barth voegt bij deze bijbelse en kerkelijke getuigenissen nog drie apologetische argumenten. Hij gaat daarbij meer negatief te werk. Hij wijst aan dat het niet anders kan dan dat het een geloofsartikel is (p. 3-22) en dan geeft hij positief de reden waarom het een articulus fidei is (p. 22-44).

Bij de apologetische, negatieve bewijsvoering (p. 3-22) die hij in drieën verdeelt luidt de eerste stelling:

1. Art. 1 van ons Credo, dat God hemel en aarde geschapen heeft, houdt in dat de wereld buiten God bestaat. Negatief betekent dit: God is niet alleen. Positief: de wereld heeft tegenover God een eigen wezen. Dit is, zegt Barth, niet uit zichzelf evident, niet bewijsbaar.c Men kan niet bewijzen dat God scheppen moet. Men kan ook niet bewijzen dat de wereld geen droom, maar werkelijkheid is. Als wij daartegenover beweren, positief, dat God wel alles is, en negatief, dat de wereld maar schijn is, dan kan men dat ook niet bewijzen, maar ook niet weerleggen. Zij zijn alleen te weerleggen als het buiten discussie op grond van Gods openbaring vaststaat dat God feitelijk de wereld heeft geschapen. Wie dus beweert dat er een wereld naast God is en toch niet op grond van een hypothese wil leven en sterven, die moet het wel op grond van openbaring doen. Dit is een bewijs uit het ongerijmde.

Barth geeft de oudere theologen gelijk die Gods bestaan uit de openbaring bewezen. Alleen wil hij ook het bestaan van de wereld daaruit bewijzen. Het is niet zo dat de wereld zeker en God onzeker is. De oudere theologen waren in dat opzicht niet helemaal nootvast. De bewijzen voor het bestaan van God waren volgens Strauss terugtochtsgevechten. Door het geloof verstaan wij dat de wereld geschapen is.d

2. Die tweede apologetische negatieve stelling van Barth is deze: dat God de hemel en aarde geschapen heeft betekent a. negatief dat de wereld door Hem en niet onafhankelijk bestaat. Zij kan niet over zichzelf beschikken. En b. positief: Gods aseitas beschikt over zichzelf en de wereld. Ook deze twee zijn niet evident op zichzelf. Dat er een wereldgrond moet zijn is niet noodwendig. Denkbaar is een zelf-goddelijke wereld met de mens als middelpunt. Een demon kon ook de wereld geschapen hebben. Dat dit ook discutabel is, is een geringe troost tegenover het discutabele van a en b. Ook het dogma als mening-alleen is een trieste zaak. Alleen als belijdenis is het goed. Ook een bewijs uit het ongerijmde.

Verontrustend: Schleiermacher uit 'Abhängigkeitsgefühl'. Lipsius, Lüdemann, Seeberg. Men geeft hier aan zichzelf bescheid. Men generaliseert Abhängigkeitsgefühl tot de wereld en postuleert. Men redde 'kleine resten' van het dogma, anders dan kerkvaders en dan de zeventiende eeuw nog. Op Abhängigkeitsgefühl zijn geen vaste huizen te bouwen. Barth herinnert aan Augustinus' Confessiones boek X, 6: Interrogavi terram etc.e Dit is nog wel Abhängigkeitsgefühl, maar later: zij kunnen tot doven spreken.

Gods Veritas echter zegt hem: Non est Deus tuus coelum et terra; neque omne corpus.f

3. Derde apologetische en negatieve stelling. Art. 1 gaat terug op de Heilige Schrift, op het spraakgebruik der Schrift. Het scheppingsbegrip is een begrip uit de Schrift. Wij mogen het niet met andere elementen vullen. Het moet verstaan in verband met belofte en vervulling. Art. 1 is samenvatten van Christusgetuigenis, evenals de andere artikelen waarop de kerk gebouwd is. Dit Christusgetuigenis geeft zich als Godsopenbaring. Zo in de kerk verstaan. Slechts door het geloof aan te nemen. Daaruit volgt:

a. Schepper is niet = wereldgrond (negatief); dan gaan zin en zekerheid eruit. Schepper is God de Vader, van onze Here Jezus Christus. In zijn Zoon ook Schepper bepaald, ook in de uitvoering. Was Hij niet deze Vader, dan ook geen Schepper.

De kerk heeft hier vaak niet opgelet. Aristides, caput 1: ethaumasa. Wereldbeschouwing als alle andere filosofen. Men geeft het produkt de naam van God: de absolute. Bedekte als een spook het geloofsartikel. De Schepper is de God Israëls, van Israëls geschiedenis. Jes. 17 : 7: parallelismus membrorum: Schepper - Heilige Israëls. Openb. 4: vier dieren - 24 ouderlingen.g

b. Schepper = creavit. Dit perfectum is ook praesens. Art. 1 ook historisch evenals art. 2. Dit mag niet vertaald met oorzaak-werking. Creatie heeft slechts analogie in generatie. Geen analogie binnen de schepping. Er is wel Abhängigkeitsgefühl. Maar schepping is geen exponent van Abhängigkeitsgefühl, doch vooronderstelling van Abhängigkeitsgefühl.

Beide hadden in de kerk nooit uiteengerukt mogen zijn. Het scheppen en loogoi voor bereschit is gevaarlijk. Joh. 1 : 3 is ook historisch; niet eeuwig. Joodse speculatie wil voortijdelijkheid bij de schepping. Dit stemt overeen met de Christusverwerping. De wereld is geschapen met de tijd en in zoverre in de tijd. 'Schepper' in Nieuwe Testament maar eenmaal (1 Petr. 4 : 19); meestal participia en relatiefzinnen.h

c. Schepping in de bijbel is Gods vrijmachtige wil. De verhouding Schepper-schepsel is uitwendig overeenkomend met innerlijke triniteitsleven, uitvoering van Gods contingente genadekeuze. Dus moeten hier openbaring en geloof dienen. Barth gaat het vocabularium van de Schrift na.i

d. Het object der schepping is 'hemel en aarde'. Dit betekent in de bijbel: alles buiten God. De aarde onder de hemel. Hier is nu sprake van de mens. Van hem spreekt ook art. 1 juist waar hij hem niet noemt. Hij is juist tussen hemel en aarde. Dat de Logos geen engel en geen dier werd, maar mens, dat is de reden van de schepping van 'hemel en aarde'. Zijn Woord zal niet vergaan, ook als hemel en aarde vergaan. Hij is het midden der schepping. Zo is art. 1 ook van hieruit geloofsbelijdenis. Een hoofdartikel. Het preludeert op 2 en 3.

Voor wereld heeft het Hebreeuws geen woord. Wel hakkol (ta panta). Er zit in het dubbele 'hemel en aarde' een onomkeerbaarheid. Augustinus' Confessiones XII, 7: unum prope te, alterum prope nihil. Zichtbaar-onzichtbaar (Kol. 1 : 26). De onderscheiding in de kerk. Er is geen heerschappij in hemel of op aarde buiten Gods hand. Er is niets totaal nietigs of verwerpelijks, ook niet op aarde. En nu in het midden de mens (Gen. 2, Ps. 8). Merkwaardigerwijs in Ps. 104 en Job 38 niet. Wel Ps. 139. Luther in Kathechismus: 'Ik geloof dat God mij geschapen heeft.' Bijbel weinig middelpunt, zeker omdat de verhouding van Schepper en schepsel de doorslag geeft. Job 38 en Ps. 104: de mens onderstelling. Het Nieuwe Testament weet van deze mens, maar niet van de door de Grieken ontdekte mens, maar de Mensenzoon, de mens Gods, in wie hemel en aarde verenigd zijn. De oudtestamentische kennis is alleen dan zinvol als men ze als belofte, als voorbeeld opvat.j

De positieve uiteenzetting van par. 40. Hoe weten wij dat de wereld er is en door God er is? Niet omdat het in de bijbel staat, maar omdat de bijbel van Jezus Christus getuigenis geeft. Omdat de kennis der schepping hier door Christus heengaat. Wat profetisch in Hem gezegd wordt, kan niet anders dan vanuit Hem verstaan worden. Er is een perifeer biblicisme. dat vergeet dat de bijbel uit een geheel is.k

Van Christus uit de schepping geloven. Christus = Gods zelfgetuigenis. De menswording wordt ons de schepping, de verhouding van God en mens in nuce.

a. God is niet alleen. Maar ook de mens is er. God werd vlees. En met deze mens zien wij zijn Israël en zijn kerk: de mensheid.

b. De mens is ook niet alleen. Deze eenheid heeft God niet nodig, maar de mens. God wil voor deze mens leven uit vrije wil. God moet deze mens geschapen hebben. Zoals Christus voor de werkelijkheid van het schepsel staat, zo ook voor de werkelijkheid van de Schepper.

Hier leren wij de Vader kennen, zijn genade, de heilige Israëls, de regent der geschiedenis, die in de opstanding tot haar doel komt. In de incarnatie ligt ook het andere snijpunt van tijd en eeuwigheid: de creatie. Beide perfectum. Hier ook: hemel en aarde, en het midden: Ecce homo! Hier is humaniteit in de kosmos. Hier is alles klaar. Van hieruit belijden wij de schepping.

Dit is pas alleen het noëtische: in Christus leren kennen. Dan moet er ook ontische grond zijn. Dit is het geval. Christus is het Woord, waardoor God geschapen heeft. Weer alleen het noëtische. Duidelijk nu dat het een geloofsartikel is. Jezus is alleen voor het geloof als Christus bekend. Als ik in

Christus geloof, zie ik en versta ik dat de Vader de Schepper is. Schepping is geen prolegomenon. Credo staat terecht vooraan.

De kerk verzuimde die noëtische grond. Zij maakte wel ernst met de ontische grond: logosleer. Wel de genade in verband met de schepping hier en daar geleerd: Origenes, vooral Augustinus, Anselmus, Luther, Calvijn, Polanus. De justificatie tot analogie en verklaring der schepping. Waarom waagde zij: creatio = gratia? Zondag 9: meer samenhang van het eerste met het tweede artikel zichtbaar: 'Vader van onze Here Jezus Christus.' Merkwaardige plaats in Calvijns commentaar op Genesis. Daarin steun voor mijn opvatting in Herschepping. 't Is het Koninkrijk, niet de gewone schepping. Deze is bij Calvijn hier toewerpsel.l

Het geloof dat deze kennis verschaft is een zeer bepaalde beslissing. Er mee rekenen dat het Koninkrijk van God is. Dit sluit de schepping in zich. In Christus geloven is leven in de tegenwoordigheid van de Schepper. Voor de gelovigen is er in Christus een nieuwe existentie, alle dingen nieuw. In Christus de Schepper op het toneel getreden.

Gal. 6:14: kainè ktisis: ik ben de kosmos gekruisigd en de kosmos mij. 2 Kor. 5 : 14: Christus niet meer kata sarka. Andere plaatsen: Matth. 11 : 25 (het Koninkrijk). Schepper des hemels en der aarde, wijzen en verstandigen geopenbaard. (Dit is parallel aan: 'vogelen des hemels', N.2 ) Hand. 17 : 24 v.: onbekende God als Schepper genoemd en het slot de opstanding.m

Bepalingen van de Schepper: a. macht. Jezus alle macht. Hoofdman te Kapernaüm. Jezus macht. (Hier spreekt Jezus over het Koninkrijk, N.) b. recht. Gelijkenissen van de koning, Heer, wijngaardenier. (Dit alles is Koninkrijk, N.) c. God, goedheid, erbarmen, liefde.n

Vogelen des hemels, leliën des velds (Matth. 6 : 26 v.). Dagelijks brood. Recht doen die dag en nacht tot Hem roepen (Luk. 18 : 7). Luk. 18 : 8 staat: de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde? (Koninkrijk, N.) Schepping is genade.o

Kritiek

Ik heb de vorige keer al in het algemeen enkele voorlopige bezwaren genoemd, die bij de verdere behandeling van het boek getoetst dienen te worden. Mijn hoofdbezwaar was dat Barth, als hij van Jezus Christus uit, noëtisch, zoals hij het noemt, dus in de weg van het leren kennen - in dit geval geloven - naar de schepping toe gaat, te veel uit het centrum van het geloof naar de periferie uitbuigt. Omdat het over 'scheppen' gaat, wil hij het niet hebben over de zonde en de genade, waar het in het centrum van het Evangelie toch om gaat, maar over andere dingen.

Ik zal ze nu van achteren naar voren even opnoemen. Dan kan men zien hoe hij naar de omtrek uitbuigt. Genade-goedheid, recht, macht, tegenwoordigheid van God, samenzijn met God. God is niet alleen. De mens is niet alleen. God bestaat, de mens. de wereld bestaat. Men hoort hoe Barth van het kruis naar de schepping komt. Of eigenlijk, hij gaat niet van het kruis, het middelpunt uit, maar van de incarnatie, dus wat meer van het raam, van de omtrek van het Evangelie uit. Van het samenzijn van God en mens in Christus en van de macht die God in de vereniging van naturen over de mens Jezus heeft. Daarin ligt al een aanwijzing dat Barth naar de omtrek wil. Bij zijn manier moet hij van de incarnatie uitgaan. Niet de Middelaar. 't Staat ook zo in par. 40.

Maar als men het zo doet is het toch de vraag of men wel werkelijk van de openbaring van Christus uitgaat om bij de schepping te komen. Alvast niet van het middelpunt uit, maar van de twee naturen; niet van het werk van Christus. Het is incarnatie-creatie. Dat doet Bavinck ook. Maar de schepping is een werk en zo moet men van het werk van Christus uitgaan om rugwaarts tot de schepping te komen. Van de genade als verzoening: dan komt men in Genesis 3 terecht en niet in Genesis 1 en 2. Hier gaat het over de spil van de hele geloofsleer. En Barth bekent in zijn Voorrede dat hij zich op scheppingsterrein wat vreemd gevoelt.p Dat hoeft niet, maar het is, zoals ik het voorlopig zie, gevolg van een fout.

Om dit alles scherp te laten zien, bij wijze van tegenstelling, doe ik het best even de lijn te tekenen, waarlangs ik zelf in mijn Herschepping in 1934 van het kruis naar de schepping ben teruggegaan. Ik leg daar de nadruk daarop, dat het een geloofsartikel is, zoals Barth dat ook doet. Maar bij Barth wordt het niet voluit het zaligmakend geloof. Ik geef hier verder de lijn van mijn uiteenzetting. De leer der schepping neemt in de dogmatiek nog steeds een plaats in, die het trinitarisch verband verbreekt. 't Moet zonde, genade zijn. Niet natuur en genade. Dat is een nevenstelling, geen dialectisch verband. Wij kennen God door openbaring. Wij moeten niet denken dat de Vader de eigenlijke God is, Die wij toch wel kennen en dat wij Zoon en Geest alleen uit de bijbel moeten kennen. Dat God de Vader is wil juist zeggen, dat wij Hem evenzeer uit het Evangelie moeten kennen en de schepping ook. God is niet zomaar, als Schepper, de Vader van alle mensen. Als de bijvoeging van art. 1 ons op die gedachte bracht, konden wij haar beter weglaten. Hij is onze Vader. Schepping is een christelijk begrip, op één en dezelfde lijn met verzoening en heiliging. Dat de Vader onze Schepper is, kunnen wij evenmin vaststellen als dat Jezus onze Verlosser is en de Heilige Geest onze Herschepper. En omgekeerd dat de Vader van onze Here Jezus Christus de Schepper van hemel en aarde is, is niet teruggaan van een nieuwtestamentische belofte op een oude, ook aan de heidenen bekende waarheid, maar men leert het uit het Evangelie.

Geloven in de Schepper is geloven in zijn Koninkrijk. Jezus' spreuk over de vogelen en de leliën bedoelt niet dat God ons veel meer zal voeden omdat wij op de zesde dag geschapen zijn. Het wil zeggen dat de leliën en vogelen in het plantenrijk en het dierenrijk zijn en wij in het hemelrijk. Wij delen de voorzienigheid niet met de leliën en de vogelen. Wij hebben de predestinatie en de gratie die de dieren niet hebben. De Heer van dat Koninkrijk der gratie, dat is de Schepper van hemel en aarde. Zijn Woord blijft als hemel en aarde voortgaan. Het scheppingsgeloof ontstaat onder het kruis. De kennis van de schepping buiten Christus staat voor Paulus in verband met Gods toorn (Rom. 1 : 18-25); diezelfde kennis in Christus staat gelijk met de verzoening (Rom. 5 : 8-9). De schepping buiten Christus wekt ontzetting als de kop van de sfinx.

Humaniteit door directe verbinding met de schepping brengt romantiek, een spel. Achter het spel komt de revolutie, achter de revolutie de arbeid, achter de arbeid de oorlog, achter de oorlog de ondergang. Dat is een beschrijving van de scheppingshumaniteit in het schema: achttiende, negentiende, twintigste eeuw. Zo schreef ik 1934.q Scheppen is geen vormen maar scheiden. Door de vormen en gedaanten menen wij met de Vader, de schepping te kunnen verkeren. Maar met de Zoon door het kruis, geen gedaante. En de Heilige Geest door sterven van de oude mens, de boete. Dat klopt niet. Scheppen is ook oordeel, scheiden. Scheiden, oordelen: hemel en aarde (anders dan Barth), licht en duister, water boven en beneden, zee en droge, Adam en Eva.

Op Golgotha zijn God en mens niet verbonden als in de incarnatie, zodat zij beiden niet alleen zijn (Barth). Zij zijn gescheiden. Waarom hebt gij mij verlaten? Zo staat het kruis midden in de schepping. Dat de Vader de Schepper is, moet evengoed geopenbaard worden als dat Jezus de Christus is. Men kan het in het Evangelie niet zien, zoals Barth wil, en dan noëtisch naar Genesis teruggaan. Pas als wij de schepping zo opvatten, niet als natuur of cultuur, dan pas staat het kruis in de schepping. Dan hoort het Oude Testament bij het Nieuwe. Het Evangelie kan niet humaner zijn dan het is, omdat de schepping zo ontzettend is. De ellende op Rembrandts honderd-guldenprent3 rondom Jezus is het resultaat van de schepping, van de val zoals het Oude Testament die beschrijft.

De zonde gaat niet buiten God om. De verhouding van Schepper en Verlosser is niet die tussen Maker en Hersteller. Jezus zou de reparateur zijn. Intussen hielden wij dan een bodem onder de voeten en bloed in de aderen. En dat zou ons bestaan (bestaan!) grondiger bepalen dan het bloed van Christus. Dit is in de protestantse geloofsleer fataal. De zonde gaat even ver als de schepping. Scheppen is scheiden. God is een Geest en Hij werkt door oordelen. Wij hebben geen bodem, geen bloed om tegenover Gods oordeel te blijven bestaan. De aanknopingspunten voor het Evangelie liggen niet in de schepping, maar in de belofte. Als wij de schepping als een scheidend oordeel zien, past het werk van de Vader bij dat van de Zoon. Het is beide een werk. Creatie en reconciliatie beide een oordeel. Dan pas is het ook beide een oordeel. Dan pas is het ook beide genade. Anders (als bij Barth) is de scheppingsgratia = goedheid geen genade. De voorstellingen van schepping als vorm leren wij van het heidendom. De ware schepping gaat met ons mee naar Golgotha. Het paradijs ligt rondom het kruis. De incarnatie = dat Christus voor ons tot zonde gemaakt is; niet een afbeelding van oorspronkelijke vorm. Hij heeft zich ontledigd voor de ontledigde wereld, de gevallen wereld.4

Voetnoten

  1. a

    KD. III/1. p.2.↩

  2. b

    Zie voor voorgaande KD. III/1.p.2.↩

  3. c

    KD.III/1, p.3.↩

  4. d

    Zie voor deze alinea KD. III/ 1, p. 4 v. *kleine letter*.↩

  5. e

    Vgl. p. 206 v.↩

  6. f

    Zie voor deze alinea KD. III/ 1, p. 7 vv. *kleine letter*.↩

  7. g

    Zie voor deze alinea KD. III/ 1, p. 11 v. *kleine letter*↩

  8. h

    Zie voor deze alinea KD. III/ 1. p. 13 v. *kleine letter*.↩

  9. i

    Zie voor deze zin KD. III/ 1, p. 15 v. *kleine letter*.↩

  10. j

    Zie voor deze alinea KD. III/ 1, p. 19 vv. *kleine letter*.↩

  11. k

    Zie voor deze zin KD. III/ 1, p. 25 *kleine letter*.↩

  12. l

    Zie voor deze alinea KD. III/ 1, *p. 30 vv.* kleine letter.↩

  13. m

    Zie voor deze alinea KD. III/ 1, p. 35 v. *kleine letter*.↩

  14. n

    Zie voor deze alinea, KD. III/I,* p.37vv.*↩

  15. o

    Zie voor deze alinea KD. III/ 1. p. 42 vv. *kleine letter*.↩

  16. p

    KD. III/1. Vorwort. p.1↩

  17. q

    Zie dl.2. p.251.↩

Eindnoten

  1. 1

    Op 3 november 1947 begon N. te Arnhem op initiatief van de Arnhemse predikant H. J. Hak in kleine kring met de bespreking van de scheppingsleer van K. Barth. De bijeenkomsten vonden maandelijks plaats. De gang van de bespreking - voor zover te achterhalen - was als volgt:

    KD. III/1, par. 40 werd besproken in de periode van 3-11-1947 tot 2-2-1948; par. 41 van 1-3-1948 tot 2-5-1949; in de maanden daarna werd waarschijnlijk par. 42 besproken. KD. III/2, par. 43 werd besproken in de periode van 7-11-1949 tot 6-2-1950; par. 44 van 6-3-1950 tot ?

    Hier is alleen de tekst opgenomen. die N. schreef ter voorbereiding van de bespreking van par. 40, omdat hij hier het meest expliciet zijn kritiek op Barths scheppingsleer formuleert. De andere manuscripten die bewaard zijn gebleven bevatten voornamelijk uittreksels van de te bespreken gedeelten.↩

  2. 2

    N. staat voor eigen opmerkingen van Noordmans over de tekst van Barth.↩

  3. 3

    N. doelt hier op Rembrandts ets De predikende Christus (ca. 1643-1649). De naam 'honderd-guldenprent' dankt deze ets aan de uitzonderlijk hoge prijs, die hij in de zeventiende eeuw zou hebben opgebracht.↩

  4. 4

    Aan deze bespreking waren in 'klad' nog een aantal pagina's toegevoegd, waarin N. inging op de eerste 15 pagina's van KD. III/ 1:

    Vorwort: Eerste artikel = Schepper. De theologische opzet maakt het noodzakelijk Genesis 1 en 2 uiteen te zetten. ' ... aus der Mode gekommen ...'

    Barth is verbaasd dat dit boek eruit kwam. Geen natuurwetenschappelijke vragen. Eerst dacht hij van wel. Veel over " ... 'naiver' hebräischer 'Sage' ..." Geen apologetiek (niets). De mens hier nog niet: nog niet klaar: komt als III. 2: 111, 3: voorzienigheid.

    Het geloof in God de Schepper. Par. 40. De tekst van par. 40 lezen. Kritiek: 'Dasein' en 'Sosein' aan God te danken. Gaat het daarover bij Jezus Christus? Bij Maria Magdalena en de moordenaar aan het kruis? Dat zijn de Adam en de Eva in de herschepping (zie mijn Herschepping). Goddelijk zelfgetuigenis in Christus. Is dat een bestaansgetuigenis van 'Dasein' en 'Sosein'? Of is het hulp-bestaan: 'Alzo lief', enz. Kennen van in Christus verwerkelijkte eenheid van Schepper en schepsel. Wat is de betekenis der incarnatie? Een zijnseenheid? Of een openbaringseenheid? Is Jezus instrument of is Hij deel van God? Middelaar of infusie? Is de vereniging incidenteel of essentieel? Godmenselijke natuur of gescheiden naturen? Chalcedon. Loofs, p. 38. Door Hem bemiddeld leven in de 'Gegenwart'.

    Toelichting van Barth. Schepper des hemels en der aarde. (Almachtige Vader.) Moet genomen in verband met tweede en derde artikel. Spreken. niet alleen van God, maar ook van een werkelijkheid buiten God. Van hemel en aarde, die elkaar in de mens ontmoeten. Barth komt hier dus op voor de mens tegenover God. God is niet alleen. Dat zij zijn en wat zij zijn hebben zij van God. Daarvóór staat: 'Ik geloof.' Wat betekent dat? De leer der schepping ook geloofsartikel.

    Fijne letters: Hebr. 11: 13. Staat boven galerij der gelovigen. Wie de belofte gelooft, gelooft in schepping. Theophilus van Antiochië schreef daarom dat de Logos in de profeten was ingegaan en dit over de schepping geleerd had. Lees de kleine letters verder uit boek.

    Kritiek op de fijne letters. Hebr. 11: 13 iets wijdere zin dan Rom. 5. Theophilus' logosleer nog meer het lerende. Thomas: onderscheiding naar de ene zijde: contingentie. goed. Maar alles gaat toch te veel op het naakte feit der schepping. Meer gericht op de Vader van het Koninkrijk.

    P. 3: 't Moet geloofsartikel zijn want: onbewijsbaar dat God moest iets naast zich hebben en ook dat de wereld meer dan droom is. 't Is een hypothese waarop men niet sterven kan.

    Kleine letters: Het lijkt dat de schepping vaststaat; maar de Schepper onzeker. De andere theologen waren meer of minder nootvast. Bewijzen voor bestaan van God. Strauss: terugtochtgevechten! 't Schepsel is eer onzeker. Dat had de theologie meer moeten bedenken.

    Kritiek: Dit is te zeer een bestaanskwestie: Descartes.

    P. 5: De wereld kan niet alleen zijn. Wereldgrond is echter ook niet evident. De mens zou middelpunt van een goddelijke wereld kunnen zijn. Wereld kan ook toeval of luim van een wezen zijn. 't Moet geloofsartikel zijn.

    Kleine letters, p. 7: Nieuwere theologie: Schleiermacher enz. Het Abhängigkeitsgefühl. Een conceptie van een mens is het scheppingsdogma. Op het Abhängigkeitsgefühl geen huizen te bouwen. Daartegenover Augustinus.

    Kritiek: Bij Augustinus meer in verband met Evangelie P. 9, punt 3: Wij moeten het scheppingsbegrip winnen uit het spraakgebruik der Schrift. Schepping evenals andere Twaalf artikelen uit de samenhang der Schriften. Het Christus-getuigenis. Scheppingsgeloof antwoord op Christus-getuigenis. God niet = wereldgrond. Hij is het subject van de Twaalf artikelen. 't Is God de Vader. Hij is in de Zoon tot Schepper bepaald.

    P. 11: Kleine letters: De kerk zag dit vaak niet goed. Nalezen de tekst. De God van Israël is de Schepper.

    Kritiek: Dat de Schepper de God Israëls is, is juist, maar daardoor wordt het begrip Schepper en schepping meer beïnvloed dan hier bij Barth.

    P. 12: Creator = creavit. Perfectum, ook praesens, maar toch perfectum. Art. 1 is even historisch als andere artikelen. Schepping heeft analogie in de generatie van de Zoon, niet in 't creatuurlijke leven. God wilde naar analogie van de generatie creatie. Is dat niet analogia entis?

    Kleine letters: Nagaan.

    Kritiek: Eeuwigheid en tijd één; is hier parallel met eenheid van God en mens in Christus. Het Chalcedonense is hiermee betracht.

    P. 14: Tekst nagaan.

    Kritiek: Teveel analogia entis. De tegenstelling moet meer uitkomen, zonde en genade.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Karl BarthInhoudDankrede →