Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1 · p. 389–400

Weergave

De reorganisatiebeweging in de Hervormde Kerk1

Toen mij 8 oktober jl. namens 't classicaal bestuur verzocht werd op deze vergadering een inleiding te willen geven over de reorganisatiebeweging in onze kerk, heb ik dat aangenomen onder voorwaarde dat men tegenover wat ik zou geven clement zou zijn. Het onderwerp is bijzonder ingewikkeld. Het staat in verband met allerlei andere vragen die op hun beurt weer even moeilijk zijn ... Bovendien ligt de veronderstelling voor de hand dat in deze vergadering de gedachten over dit onderwerp nogal uiteenlopen. En eindelijk was de tijd die mij voor gezette bestudering van het onderwerp overbleef niet zo lang als ik wel gewenst had.

Wanneer ik dan ook op mij heb genomen iets ter inleiding in het midden te brengen, dan bestaan daarvoor twee redenen. Ten eerste vind ik het vraagstuk zeer belangrijk en ten tweede ben ik geen pessimist ten opzichte van richtingsverschillen. Ik weet wel dat er absolute tegenstellingen in de wereld zijn, maar ik meen toch dat personen uiterst zelden absoluut tegenover elkander staan. In de waarheid ligt verdelende, maar ook niet minder verenigende macht.

Laat mij daarom, waar ik enkele gedachten wens uit te spreken, een beroep mogen doen op uw welwillendheid. Ik volg daarbij zoveel mogelijk de stellingen die ik opgaf.

1. De tegenwoordige organisatie werkt het partijwezen in de hand.

Voorop ga een kort overzicht van de reorganisatiebeweging. Volkomen algemene tevredenheid met de organisatie van 1816 heeft er nooit bestaan. Toch is het verzet eerst langzamerhand gerijpt onder de invloed van de kerkelijke geschiedenis der negentiende eeuw. Lange tijd is de strijd gestreden als een leerstrijd onder de organisatie van 1816. Wel heeft in 1848 een groep mannen zich beziggehouden met de vraag hoe de organisatie zou kunnen worden vervangen door een andere met de geschiedenis verband houdende inrichting. Maar men heeft zich bij de bestaande neergelegd toen men verwachting meende te mogen koesteren dat door leertucht de uiterste afwijkingen zouden worden afgesneden. In 1852 werd de instelling van 1816 bestendigd.2

Eerst na 1886 toen duidelijk gebleken was dat een op de spits gedreven partijstrijd tot afscheiding leidde, waarbij men elkander hoe langer hoe meer uit het oog verloor, begint steeds duidelijker de vraag naar voren te komen of de inrichting van onze kerk als zodanig ook schuld kon hebben. Het was vooral dr. Hoedemaker die deze gedachte na 1886 rusteloos bepleitte. Een vrij brede groep van jonge geestverwanten schaarde zich om hem heen. Maar ook buiten de kring van zijn naaste geestverwanten begon men zich warm te maken voor reorganisatie. Professor Gunning wijdde z'n laatste levensjaren aan het opkomen voor wat hij noemde ‘'s Heren heerschappij over onze kerk'. Bij de synode van 1901 werd een voorstel ingediend met verzoek om een commissie te benoemen tot onderzoek. En ook na 1901 is de zaak in allerlei vormen aanhangig gemaakt zonder dat echter enige vordering in die richting is gemaakt. Ik noem slechts de voorstellen van Slotemaker de Bruine en Blanson Henkemans en voor deze zomer die van Kromsigt en Van der Flier.3 Niet altijd was beginsel en motief precies hetzelfde, maar gemeenschappelijk aan alle voorstellen was toch de begeerte om een andere toestand voor te bereiden.

Bij de historie van de reorganisatiebeweging willen we ons echter niet lang ophouden. Het keerpunt, om een woord van dr. Vos te gebruiken,a is 1886. Vóór 1886, zo zou ik't willen zeggen, ging't om de leer. Na 1886 gaat't om de waarheid.4

Wat ik hiermee bedoel zal, hoop ik, wel duidelijk worden. Hierin ligt tegenover de gescheiden kerken een wijd program dat ons hervormden alle bestaansrecht geeft. Wij moeten daarop de nadruk leggen. Daarin ligt de toekomst van onze kerk.

Wij zijn echter niet vrij in onze bewegingen. Het schijnt alsof 't omgekeerde waar is. Het schijnt alsof wij zo vrij zijn als een vogel in de lucht. Deze vrijheid heeft echter iets van die waarvan 't boek Richteren aan't slot vertelt: 'Een iegelijk doet wat goed is in zijn ogen.' leder vecht op eigen vuist. We zijn in groepen uiteengegaan. En terwijl elk van die groepen op zichzelf een geheel tracht te vormen, liggen ze naast elkaar als nomaden die een land afstropen om met de behaalde buit elk zijns weegs te gaan. Geen ernstig man zal deze toestand in z'n hart goedkeuren.

En daaraan heeft nu onze organisatie mede schuld. Ze is in 1816 afgekeken van de burgerlijke rechtsorde. Ze wil evenals de burgerlijke overheid naar Timotheüs zorgen dat wij een stil en gerust leven leiden (1 Tim. 2 : 2). Ze wil zorgen, wat Calvijn de roeping van de burgerlijke overheid noemt te zijn, dat elk het zijne privatim (elk voor zichzelf) kan bezitten. Met voorzichtige, laten we zeggen vaderlijke hand worden we uit elkaar gehouden. Elk kan zijns weegs gaan zonder de ander al te zeer te hinderen. Voor de broederlijke kwam de vaderlijke tucht in de plaats!

Als bestuursinrichting is onze organisatie voortreffelijk. De besturen zorgen wel dat alles zoveel mogelijk eerlijk en met orde geschiedt. Een klein verzuim tegen algemeen of huishoudelijk reglement wordt naarstiglijk onderzocht. Er wordt in deze dingen recht gesproken, gelukkig zacht recht. Voor mensen die muiterijen in kerken en wereldlijke regeringen wensen aan te richten is onder de bestuursinrichting geen ruimte. Geen muis kan er door. Wanneer een voorstel de verschillende trappen doorlopen heeft, beraden zich naar de trant van onze oude Republiek nog eens de provinciën elk voor zich en schudden hun eerwaarde hoofd over alles wat nieuw is. Een stil en gerust leven kunnen we leiden en het onze privatim genieten. De organisatie doet Willem 1 als bureaucraat alle eer aan. Het is een kunststuk geweest een eeuw lang zo verschillende geesten in een verband te houden.

Daarom mag het ons echter niet te doen zijn. Wij belijden te geloven in een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen. Dat wil zeggen, dat elk het zijne niet voor z ich, niet privatim, maar in gemeenschap met alle anderen zal bezitten. Daartoe helpt ons onze organisatie niet. Ze is burgerlijk, niet kerkelijk. In de besturen zitten de overheidspersonen, meestal dezelfden. De anderen worden geregeerd. Om die bestuursmacht wordt gestreden; dan geeft men zich eronder neer. Men wordt niet gehinderd, ook niet geholpen.

De rechte kerkelijke beweging is naar elkaar toe. In de kerk moet elke waarheid allen ten goede komen, elke dwaling terstond iedereen hinderen. Als één lid lijdt, lijden alle leden. Wij echter worden niet op elkander aangewezen, maar uit elkaar gehouden. Voorzichtig wordt wrijving zoveel mogelijk vermeden. Allerlei reglementaire bepalingen maken het samenleven van zeer verschillende richtingen gemakkelijk. En zo missen wij in ons leven die hogere kerkelijke stuwkracht, waardoor wij naar de eis der geestelijke wereld tot blijde arbeid in gemeenschap worden getrokken. Ons blijft onthouden die heilzame verlegenheid waarmee mensen voor elkaar komen te staan met de gedachte: moeten wij nu te zamen arbeiden? We groeten elkander, gaan elkander voorbij en denken: we weten wel wat we aan elkander hebben. Het kerkelijk leven dwingt ons niet met elkander rekening te houden dan alleen in zoverre de partijstrijd 't meebrengt. Het is dit individualisme waarvan de klacht schering en inslag is in de brochures van de edele prof. Gunning. Dit individualisme noemt hij de vijand van het individu. Het is niet tevreden wanneer wij zeggen: gij en ik hebben schuld. Zijn naar gemeenschap dorstende ziel leed onder het gebrek aan gemeenschap. Hij noemde het: onze zonde. Deze zonde is evenals alle zonde een ontbindende macht.

2. Zonder reorganisatie dreigt onze kerk haar oplossing tegemoet te gaan.

Noch de zuiver juridische, noch de zuiver medische methode brengen het resultaat dat men ervan verwacht. Dr. Hoedemaker heeft zeer ter snede opgemerkt dat onder onze organisatie iedere afwijking de 'beau róle' krijgt.b Zij kan opkomen voor de vrijheid van de christenmens. (De vrijheid krijgt dan iets negatiefs en heeft niet de positieve keerzijde en macht.) Het vooropstellen van het recht der belijdenis daartegenover krijgt een dwingend karakter waarvan degene tegenover wie het geschiedt het zedelijke recht niet gevoelt. In de juridische weg heeft zelfs de aderlating der Doleantie slechts een tijdelijke ontspanning teweeggebracht. Zij die meenden na 1886 rustig te kunnen zijn, hebben zich vergist. Recht en vrijheid staan weer scherper en schever tegenover elkaar dan ooit. En wat de medische methode betreft staat het niet beter. Vreedzame doordringing was hier de leus. De modernen hebben zich verkeken op de levensduur der orthodoxie. De orthodoxen hadden voor weinige jaren de nieuwe acties van het modernisme niet verwacht. Evangelisatie over en weer bestaat tientallen van jaren naast elkaar zonder dat het tot oplossing of een crisis komt. Er zit geen schot in. Men kan z'n opinie propageren zoveel men wil, maar het sorteert geen effect, het werkt niet beslist iets uit.

En zo zien we het gebeuren dat waar op buitenkerkelijk gebied hier en daar toenadering komt het kerkelijk leven daartoe niets bijbrengt. Maar dan verliest de kerkelijke band z'n bestaansreden. Wanneer hij alleen administratief is, zal hij 't niet houden. Geldelijke belangen zullen, zo moeten wij verwachten, niet als vergoeding genomen worden voor geestelijke schade. Onze meer sociale tijd zal wel niet weer nog eens honderd jaar overdoen, wat de meer individuele negentiende eeuw zich liet welgevallen op kerkelijk gebied. Er wordt weer meer gevraagd naar de kerk en wat we eraan hebben. Ook de modernen die in een vroegere periode soms zeer lauw voor de kerk gestemd waren, beginnen er voor te gevoelen. De Gereformeerde Bond jaagt hetzelfde doel na als dr. Kuyper: oplossing der kerk naar de partijen. IJverig wordt propaganda gemaakt voor deze gedachte. Langs politieke weg wenst men dit doel te bereiken. En wanneer we alleen op de werkelijkheid letten, dan schijnt deze oplossing voor de hand te liggen. Waarom zouden zeer verschillende geesten die niet samen kunnen werken tot elkanders last en verdriet in eenzelfde bestuursverband gehouden moeten worden? Waarom zou men niet liever uiteengaan dan elkanders arbeid afbreken? Waarom zou (laten we zeggen in 1916) een honderdjarig bestaan niet voldoende geacht worden voor een synode die cipiersdiensten verricht en de kerk gevangen houdt? Gemeenschappelijk samenwonen veronderstelt gemeenschappelijk samenwerken. En nu mag die samenwerking moeilijk zijn, toch moet alles erop ingericht zijn. Er moeten resultaten te verkrijgen zijn en juist alles schijnt het verkrijgen van resultaten te verhinderen. Dit slaat onze arbeid met onvruchtbaarheid. Ons arbeidsveld wordt willekeurig beperkt. Van groter arbeidsveld en moeilijker taak worden we verwijderd gehouden en dit drukt op onze arbeid in kleinere kring. Dit alles werkt ontbindend, vaak ontstemmend. Alleen een geestdriftige belangstelling in een hoger doel kan ons tenslotte bijeenhouden. In die richting moet reorganisatie ons leiden. Ze is middel, geen doel.

3. Calvijn heeft met machtige greep het vraagstuk van de kerk aangevat.

En de krachtigste volkeren in de oude en nieuwe wereld hebben in het vierde boek van de Institutie hun kerkelijk wetboek gevonden. Voor beide zijden van het kerkelijk leven koestert de reformator, ik zou haast zeggen gelijke belangstelling: voor de vrijheid en voor de band, voor de prediking en voor de regering, voor het individa en voor de gemeenschap. Luther was tevreden wanneer het Woord Gods gepredikt kon worden en de sacramenten bediend. Een kerkelijke regering wilde hij gaarne als een aards kruis aanvaarden. Door prediking en sacramenten werden de verborgen krachten van het koninkrijk Gods in beweging gebracht en dat was hem genoeg. Voor organisatie achten de luthersen de kerk eigenlijk niet vatbaar, tenminste geen organisatie die met haar wezen overeenstemt en eruit voortvloeit. Ze is van boven opgelegd. De leertucht oefent de overheid uit. Ze is geen zelftucht van een georganiseerd lichaam. Zichtbaar wordt de kerk naar lutherse opvatting in de genadegaven. Daar blijft het bij. Ze wordt voorgesteld als 't Koninkrijk der hemelen. Jezus goeddoende en rondwandelende op aarde is het beeld van de lutherse kerkidee. De krachten van het koninkrijk Gods reiken in de wereld in, maar niet ver genoeg om een eigen organisatie te vormen. Het zijn openbaringen van een verborgen rijk. Tot een krachtige samenvatting naar eigen wet komt het niet. Dat is de machtige greep van Calvijn geweest. Paulus komt hier in 't gezicht, niet alleen als de prediker van de rechtvaardigmaking uit 't oeloof, maar ook als organisator van de wereldkerk. Calvijn is het niet genoeg geweest dat hier en daar een goede preek of een geregeld Avondmaal zou worden gehouden, of een ijverig man werkzaam zou zijn, of een gave openbaar zou worden, of een stille in den lande geloof zou oefenen. Hij heeft deze 'Himmelskräfte', deze verspreide krachten van het koninkrijk Gods, met elkaar in verband willen stellen, elkander tot steun willen doen zijn, ze willen organiseren. Zo krijgt de kerk een aardse roeping en is toch niet van deze wereld. De kerk wordt een lichaam waarvan echter het hoofd niet op aarde is. Er blijft onderscheid tussen koninkrijk Gods en kerk. De kerk is de tijdelijke organisering van wat in Christus' naam beleden en gewerkt wordt. Het is aoed calvinistisch om met Chantepie de la Saussaye te zeggen dat dat gemengd karakter tot het wezen der kerk behoort.c Menige wolf binnen, menig schaap buiten. Maar juist door haar organisatie is de kerk een machtig instrument in de hand van Christus, haar hoofd. Over de onzichtbare kerk handelt Calvijn dan ook niet, dan alleen in 't voorbijgaan. Zij is zaak des geloofs.

De onzichtbare kerk behoeven we niet te kennen. We geloven dat ze er is. Ten opzichte van de zichtbare kerk heeft God, omdat de zekerheid des geloofs niet nodig was, een zeker oordeel der liefde in de plaats gesteld ten behoeve van de gemeenschap die we nodig hebben.

Met forse strepen schildert Calvijn dan de trekken van het gelaat van deze kerk opdat men haar zou kunnen kennen. Het wonderlijke is, dat - terwijl het gehele vierde boek polemiek is tegen de kerk en de rechten van het individu worden bepleit, want de Reformatie is een antikerkelijke beweging geweest - Calvijn toch met zeldzame wijsheid tegenover de hoogmoed van de enkele mens plaatst, "dat onze botheid en onvatbaarheid en de waanwijsheid van ons verstand uiterlijke middelen noodzakelijk maken, waardoor het geloof in ons wordt gewekt en vermeerderd"d, en de leiding op de voorgrond stelt die we nodig hebben.

Het calvinistisch beeld van onze kerk heeft onder de organisatie van 1816 geleden. De vrijheid van het individu is er. De vrijheid der kerk, de band, is slap. De prediking heeft z'n loop. De regering is ongeestelijk geworden en in de hand gekomen van enkelen. De krachten en gaven ontbreken niet, maar ze w-erken verstrooid en haken niet in elkander. Er is geen correctief voor individuele willekeur. Calvijn heeft de moeilijkheden die in deze tegenstellingen liggen natuurlijk niet opgelost. Kwesties van kerk worden niet eenvoudigweg opgelost. Maar hij heeft in de goede richting geleid.5

De noties van kerk hebben onder het lutherse beeld van onze organisatie geleden. Voor de materiële belangen is er organisatie, voor de geestelijke ontbreekt ze.

4. Toch acht ik dat op hervormd (gereformeerd) terrein aan de oplossing van dit vraagstuk 't best kan worden gewerkt.

Ik bedoel daarmede tegenover de gescheiden kerken. Het gaat met de gescheiden kerken enigszins als Izaäk die z'n vader Abraham wilde nadoen. Hij imiteerde z'n fouten en wist z'n geloof niet na te volgen. Ik zou er niet voor zijn de Dordtse kerkenorde in te voeren. Dergelijke herhalingen vallen in de geschiedenis niet mee. Volgens het ambt der gelovigen om zich bij de kerk te voegen, ging men in de zestiende eeuw de brandstapel op. Volgens datzelfde ambt kon men in 1886 allerlei mensen wederrechtelijke dingen zien doen. Het geloof kan men niet nadoen, wel navolgen. De profetische gedachten van Calvijn zijn in de geschiedenis vaak afgekort. Wij hebben bij al onze verwarring de mogelijkheid voor ons een weg te zoeken waarbij wij partij kunnen trekken van de lessen der historie.

Dr. Hoedemaker bestrijdt ten sterkste dat er in de Schrift een model van kerkregering zo maar voor't grijpen zou staan. Des te minder mogen we de calvinistische lijnen eenvoudig als model nemen. De organisatie ligt niet gereed. Er moet aan gewerkt worden in verband met de tijdsomstandigheden en de gegevens. Vanuit de samenhang der dingen moeten ook hier de beginselen gegrepen worden.

Daartoe hebben wij de ruimte. We zitten niet vast in een te slaafse navolging van calvinistische lijnen. We lijden aan een luthers gebrek aan samenwerking van geestelijke krachten en dat gebrek hebben we uit Calvijns gedachten aan te vullen naar de eisen van onze tijd.

Hier komt het mij voor dat dr. Hoedemaker, die zulke uitnemende gedachten over dit onderwerp heeft gezegd, te zeer dweept met een historische kerkorde. Zijn confessioneel idealisme, zoals Gooszen het genoemd heeft,e maakt soms de indruk van naïviteit. Chantepie de la Saussaye noemt het een onnozele illusie dat de classicale vergaderingen tot alle goed bekwaam zouden zijn.f

Wij mogen niet vergeten dat 1618 en 1913 zeer verschillende jaartallen zijn. De zending bijv. is uitgewassen tot een wereldorganisatie die de gehele aardbodem omspant en waarin mannen als Mott6⚑ en anderen met geniale hand leiding geven. Het zou onnozel zijn te denken dat het beter ware aan een of andere classicale deputaat de dirigeerstaf in handen te geven omdat dit nu eenmaal Dordts is. Men ziet dan ook telkens gebeuren wat aan gouverneur Idenburg7 wel eens nagegeven werd tegenover de vorige minister van Koloniën: de dirigeerstaf ging per mail naar Indië. De zendeling doet wat hij vindt dat nodig is; de deputaten moeten 't goedkeuren. Paulus en de Jeruzalemse synode!

Calvijn kon nog aan een kerkstaat denken. Het leven begon pas zich uit klerikale omarming los te wikkelen. Het is opvallend in de Institutie te lezen hoe Calvijn aan het leven op zichzelf, het menselijk leven, een zekere gedempte toon toestaat. En aardig is het in de acta van provinciale synoden te lezen hoe men van daaruit tracht het leven te regelen.

Maar het menselijke, de maatschappij en haar noden, is gegroeid en de staat was een sterke concurrent. Wij staan er geheel anders voor. De kans om te heersen is klein. Er blijft echter iets over. Het dienen, waartoe Christus in de wereld gekomen is.

De noden naar ziel en lichaam zijn groot. Er zijn charismata, genadegaven nodig om te kunnen helpen. Lust en opgewektheid om het te doen. En de bron van die genadegaven is niet opgedroogd.

Wanneer wij iets van onze ongebonden vrijheid wilden afstaan, zou het misschien mogelijk zijn de verschillende gaven en krachten in beter verband te zetten. Velen staan voor een taak waarvoor ze niet in de wieg gelegd zijn. Anderen zien hun gave verroesten en verteren en hebben geen arbeidsveld dat hun past. En hieraan is niets te doen. We hebben een administratie, geen organisatie. Moet dat zo blijven?

Hier komt de leertucht om de hoek kijken. Men vreest dat men naar het beeld van de profeet met een visroede uit de kerkelijke vijver gehaald zal worden en op het droge geworpen (vgl. Amos 4 : 2). En wat een vis op het droge betekent, wist Potgieter wel.8 Het zou mij te ver en op zijpaden voeren, wanneer ik dit onderwerp in den brede besprak. Toch is het een hoofdbezwaar tegen de reorganisatie. En ieder heeft er recht op dat hier klare wijn geschonken wordt.

5. Ik wil het gaarne uitspreken dat ik leertucht naar art. 11 van het Algemeen Reglement ongeestelijk en onkerkelijk vindt.

Calvijn wil niet verder gaan dan aan een beslissing van een kerkvergadering de kracht te geven van een voorlopig oordeel.g Dit is een van die plaatsen waar Calvijn bezig is kerkelijke banden minder dwingend te maken. Zijn opvatting van Gods Woord verdedigt hij tegen de kerk. Wij mogen niet vergeten dat Calvijn hier over onze zaak gehandeld heeft. Hij verdedigt hier het leven van de gemeente tegen dode historische uitspraken. (Het is echter, dit moeten we er dadelijk aan toevoegen, zeer goed mogelijk dat met een beroep op zulk een woord een dood lid zich gaat verzetten tegen een levende belijdenis.) Het formele recht geeft hier zo weinig. Hoe eenvoudig het ook klinken moge, het komt er maar op aan wie gelijk heeft. De band tussen belijdenis, Woord en Geest heeft men vaak doorgesneden. Wat waar is, wordt niet bij formele procedure uitgemaakt, maar komt als getuigenis van God in de geschiedenis. De veronderstelling van dr. Kuypers theorie is, zo schreef prof. Kleyn eens, dat de kerk als inrichting iets is dat boven de gelovigen zweeft. Deze kerk heeft haar vastigheid niet in haar hoofd Jezus Christus en in de Heilige Geest, maar in de door haar concilies gegeven belijdenissen. Wat hier van het profeet-, priester- en koning-zijn der gelovigen overblijft, begrijpt prof. Kleyn niet.h Toch is deze beschouwing zeer gangbaar. Groen heeft er aanleiding toe gegeven. Hij heeft het echter niet bedoeld. Veel te veel meent men dat de kerk een soort rekenmachine is waardoor men bij goede inrichting de waarheid eruit kan malen. Zulk een machine is er niet.

Hier liggen geweldige historische spanningen-, profeet en priester, individu en gemeenschap botsen hier. Wanneer wij niet geloven aan de levende leiding van Gods Geest, dan zal ons een mooie inrichting niet baten. Natuurlijk moet er tucht zijn. Maar is dat een geringe zaak?

Het separatisme, de Afscheiding, wanhoopt aan de tucht, ofschoon het er de mond vol van heeft.

6. Het separatisme ontloopt de moeilijkheden.

Wij behoeven dit nu niet in bijzonderheden aan te wijzen. Men snijdt daardoor zelf banden door die God gelegd heeft. De akker waarop men meent te zaaien, is hard en vastgetrapt en op de akker die braak gelegen heeft, komt men niet. De band tussen Gods Woord en kerkorde wordt erdoor doorgesneden. De schaduwkanten daarvan vallen hoe langer hoe meer in 't oog, ook binnen onze kerk. Allereerst moet men leren op het geheel te letten.

7. De kerk als zodanig heeft een roeping.

Onze personen zijn ondergeschikt. Het is uit dit oogpunt beschamend de brochures van een zo eminent man als wijlen professor Gunning te lezen. Waar had deze man die wondere bescheidenheid geleerd? Hij was bezig z'n individualisme te bestrijden en zag zichzelf als lid van de kerk in haar geheel. Gunnings gemoedshouding kan misschien niet die van alle zijn. "Zijn kader", schreef Smit Kleine,9 "blijft de tijd van de reuzenbloei van het kerkelijk dogma, de vroegere en latere middeleeuwen."i Er is iets van waar. Maar wie geeft ons het recht hem daardoor buiten onze tijd te stellen? Wanneer Gunning over armenzorg spreekt, zal hij zeggen dat onze liefdesbetoning aan de arme de liefde van het hoofd der kerk, Christus, niet kan vergoeden. Alleen, zo meent hij, als wij in de nederige gestalte van een lidmaat van Christus tot de armen komen, zal hij z'n gerechtigd deel der christelijke barmhartigheid ontvangen.

Is zulk een gedachte niet beschamend voor onze eigen vaak voordelige, persoonlijke bemoeiingen? Schuiven wij niet vaak ons bloedeigen lichaam te veel tussen Christus en de gemeente? Is niet vaak de vraag gewettigd: wat een mensen en waar is Christus? Wat een meningen en waar is de waarheid? Ik wil gaarne toegeven - en het frappeert mij, wanneer ik hem lees - dat een mystiek-katholiek sentiment Gunnings uitingen beheerst. De kerk als mystiek lichaam wil naar de aard der mystiek zijn persoonlijkheid weg doen vallen.

Maar wie zegt ons dat we gelijk hebben wanneer we menen dat we ons steeds verder van deze pool hebben te verwijderen? Ik geloof niet dat de berekenende Kuyper gelijk heeft wanneer hij ons in de richting van steeds doorgaande splitsing wijst. De kerk als zodanig heeft een roeping. Niet alleen gij en ik.

Gunning zou zeggen: de kerk moet belijden. In de houding des gebeds en der aanbidding vindt elk zijn plaats en z'n roeping. Dan organiseert het lichaam zich vanzelf. Organisatie volgt uit belijden. Dit is de biologische wet voor de kerk. Het geheel gaat voor de delen.

Dr. Hoedemaker ziet als echt gereformeerde meer de mensen en de vergadering. Maar ook hij zal zeggen: de gehele waarheid voor het gehele volk.

Wie geeft ons het recht een tittel of jota van de waarheid prijs te geven? Deze en dergelijke gedachten wijzen ons in de richting van de kerk als een geheel en van de eenheid der waarheid. Zij herinneren ons eraan dat wij bezig zijn ons aan de tegenovergestelde pool op te houden.

Hebben wij het op te geven uit een geheel te leven? Hebben wij de Korinthenbrief te lezen: Christus is voortaan gedeeld (1 Kor. 1 : 13)? Onze tegenwoordige organisatie doet niets om in die richting te leiden. Alleen administratief. Zij is een verhindering om tot geestelijke éénheid te komen. Ze sanctioneert de status-quo evenals het Europese concert op de Balkan,10 tot de partijen elkaar te lijf gaan. Dat behoeft toch ook niet. Wat heeft de kerk dan te doen? Belijden is het eerste voornaamste wat de kerk doet. Het een en het al is de belijdenis, roept Gunning uit. Wij begrijpen het in deze eerwaardige, grijze belijder op z'n laatste levensjaren, voor de poorten des doods. Wij eren de houding der aanbidding die er uit spreekt. Wij willen gaarne het zoveel wij kunnen nazeggen. De kerk is een pilaar en vastigheid der waarheid.

Wij mogen onder allerlei praktische arbeid, onder allerlei standen, bij allerlei onderzoekingen, op allerlei gebied, omtrent allerlei aangelegen punten, die liefde voor de ene waarheid niet verliezen. Die liefde heeft Tertullianus en Augustinus en alle pilaren der kerk gekenmerkt. Aan onze belijdenis hebben wij ook te arbeiden. Daarbij behoeven we niet dadelijk aan belijdenisdwang te denken.

8. De belijdenis heeft een dienend karakter.

Wij zijn zo gewoon van een heersende belijdenis te spreken. Ze heeft een dienend karakter. Toen Groen van Prinsterer voor het recht der hervormde gezindheid opkwam, deed hij dat nog niet in de eerste plaats om meester van de kerk te worden, maar om steun te vinden voor de arbeid. Het verworven inzicht, met anderen gedeeld, geeft rooilijn en houvast aan de arbeid. Om waarheid en klaarheid moet het ons bij alles te doen zijn. De historische belijdenis van onze kerk heeft aan tal van geslachten houvast in het leven gegeven. En nog altijd helpt ze om velen tot klaarheid te brengen over de -rote levensvra en. Waarom boezemt belijdenis in verband met de kerk genoemd velen een zekere schrik in? Ik meen dat het in verband staat met de miskenning van het dienend karakter der belijdenis. In het persoonlijk leven ontmoeten we gaarne mensen van sterke overtuiging. De recht gefundeerde christenen zijn naar 1 Kor. 13 een steun, geen schrik voor anderen.

Waarom zouden wij, die de kerk als onze moeder hebben te beschouwen, in haar beginselloosheid moeten verlangen? Zullen wij in haar een neutraal lichaam moeten zien waarin wij met onze overtuigingen te koop lopen? Dat kerkbegrip kan nooit onze liefde opwekken of ons warm maken. Zonder belijdenis geen organisatie, geen doel, geen eenheid.

Maar ook zonder organisatie geen belijdenis. Ik vrees echter dat wanneer een reorganisatie werd ter hand genomen tot handhaving of herziening onzer belijdenis dat dan het resultaat niet mee zou vallen. Ik zou bang zijn dat de dingen dan te theoretisch en verstandelijk zouden komen te staan en behandeld worden. Inzicht zou dan tegen inzicht komen te staan. Reorganisatie is geen tovermiddel.

9. Reorganisatie moet haar beslag krijgen in verband met kerkelijke arbeid.

De leergeschillen in de Hervormde Kerk onder de Republiek zijn niet verkwikkelijk geweest. Een directe herhaling behoeven we niet te verlangen. Maar kunnen we niet een stap in de goede richting doen? We herinneren ons waarom het te doen was. Om organisatie der krachten die in de gemeente openbaar worden. Het ambt rust op de -enadegaven, op de charismata. Het schept een geregelde toestand, waar anders misschien wanorde zou zijn. Wie een ambt aanvaardt, zegt dat hij zich geroepen gevoelt. Deze betrekking tussen gave en ambt mag nooit vergeten worden. Een ambt zonder gave is dood. Een gave zonder ambt komt niet tot haar recht en heeft geen aansluiting. Zou het niet mogelijk zijn bij betere kerkelijke organisatie de gaven en krachten beter tot hun recht te doen komen? Allereerst in de ambten, dan ook daarbuiten? Rome weet er wel van te profiteren en zet op de rechte plaats de rechte man. Onze kerk administreert alleen en weet niet de genadegaven te regeren en met elkaar in verband te zetten. Alleen de arbeid waarvoor we aanleg hebben, heeft de liefde van ons hart en onder de arbeid komt vaak het inzicht. Zouden heel veel ketterijen niet uit verveling komen of doordat iemand nadenkt over dingen waar hij niet mee bezig is? Die hij uit tijdverdrijf beoefent? Aanvankelijk gaat onze kerk wel enigszins in die richting. Zou men niet mogen zeggen dat de modernen weinig lust hebben de leiding der zending uit de handen van mannen als Gunning11 en anderen te nemen, ook wanneer 't mogelijk was? Is het niet denkbaar dat men meedoen wil aan dingen waarvan men de leiding niet begeert? Meningen laten zich niet organiseren, alleen systematiseren. Gaven en krachten kan men organiseren. In deze weg zou geweldige kritiek geoefend worden. Men zou kunnen zeggen: probeer het maar eens met uw inzicht! Zo zou de waarheid meer uit de arbeid opkomen, ook op geestelijk gebied, zoals overal elders meer een proefondervindelijk gehalte krijgen.

Zeker, de waarheid wordt uit Gods Woord gekend. Maar dat Woord moet eerst in de akker vallen, opkomen, vruchten dragen. De waarheid leest men op uit het leven. Men leest ze zo maar niet uit de bijbel. Dan zou ieder bekwaam zijn tot het koninkrijk Gods.

De strijd zou er ernstiger en bezadigder bij worden. Bescheidenheid zou worden gekweekt. Het geheel zou meer naar voren komen.

Deze vergadering ligt reeds op die lijn. Werd onze kerk zo gereorganiseerd, dan kregen we geen doublet van de Gereformeerde Kerken. We hebben een eigen idee te verwerkelijken. Wat er van komen zou, kan ik niet ze-gen.

I0. Het is geloofszaak.

Voetnoten

  1. a

    Zinspeling op G. J. Vos Azn., Het keerpunt in de jongste geschiedenis van kerk en staat. De eerste bladzijde van de tweede Afscheiding, Dordrecht 1887.↩

  2. b

    Ph. J. Hoedemaker, De kerk en het moderne staatsrecht, Amsterdam 1904, p. 11.↩

  3. c

    P. D. Chantepie de la Saussaye, Het christelijk leven, dl. 2, Haarlem 19233, p. 294 en 300.↩

  4. d

    Inst. IV, 1, 1.↩

  5. e

    Vindplaats onbekend.↩

  6. f

    Chantepie de la Saussaye, a.w., p. 302.↩

  7. g

    Inst. IV, 9, 8.↩

  8. h

    Vindplaats onbekend.↩

  9. i

    F. Smit Kleine, Denkers en dichters. Beelden en omtrekken, Utrecht 1905, p. 116.↩

Eindnoten

  1. 1

    De reorganisatiebeweging in de Hervormde Kerk was een referaat dat N. op 6 november 1913 hield op de classicale en diaconale conferentie te Leeuwarden. Een samenvatting van zijn rede en van de daaropvolgende discussie verscheen in de Leeuwarder Courant van 6 november 1913. De lezing is in manuscript bewaard gebleven.↩

  2. 2

    Omdat de Algemene Synode ten gevolge van de grondwetswijziging van 1848 het Algemeen Reglement wilde herzien, werd er door de Vereeniging van Christelijke Vrienden uit haar midden een commissie samengesteld, die een grote vergadering moest voorbereiden, waar het onderwerp van de kerkorganisatie besproken zou worden. Deze commissie bestond uit Capadose, Da Costa, Groen van Prinsterer, Heldring, Mackay, Seerétan en Van Toorenenbergen. De vergadering werd gehouden op 18 augustus 1848 te Amsterdam.

    Het door de Algemene Synode herziene Algemeen Reglement trad in 1852 in werking; hierin werd het oude artikel 9 vrijwel ongewijzigd weer opgenomen als artikel 11, zodat de 'handhaving harer leer' even problematisch bleef als tevoren.

    De tekst van artikel 11 van het herziene Algemeen Reglement luidde: "De zorg voor de belangen, zo van de christelijke kerk in het algemeen als van de hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering der godsdienstige kennis, de behartiging van de zending, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweking van liefde voor koning en vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen, met het kerkelijk bestuur belast zijn."↩

  3. 3

    In 1889 werd een 'Vergadering van Ambtsdragers' te Utrecht georganiseerd. Deze kwam ook de jaren daarop bijeen en bracht een samenwerking tot stand tussen confessionelen en een deel van de ethischen. In 1901 benoemde de 'Vergadering' een commissie, die bestond uit J. H. Gunning Jr., Ph. J. Hoedemaker en P. J. Kromsigt. Deze stelde een motie op en verzond die aan de classicale vergaderingen en aan de synode van dat jaar met het verzoek een reorganisatiecommissie in te stellen. Dit bleef evenwel zonder resultaat.

    In 1905 dienden J. R. Slotemaker de Bruine en J. L. Blanson Henkemans een Concept-Algemeen Reglement voorde Nederlandsche Hervormde Kerk in, dat ondersteund werd door de meerderheid van de classicale vergaderingen. Dit voorstel liep uiteindelijk op niets uit.

    In 1913 diende A. van der Flier G. Jzn., ondersteund door een aantal classicale vergaderingen, en met medeweten van en in overleg met H. H. Barger en P. J. Kromsigt, in de vorm van de brochure Onbeteekenend? het verzoek bij de synode in haar samenstelling te wijzigen. De indieners hoopten, ook al bleef hun voorstel geheel binnen het kader van de bestaande organisatie, door een verschuiving in de samenstelling van de synode haar meer een afspiegeling te laten zijn van de werkelijke verhoudingen tussen de richtingen.↩

  4. 4

    Terzijde: Vgl. Groen van Prinsterer in Het regt der hervormde gezindheid, Amsterdam 1848, p.70: "Wanneer het om herstel van de kerk te doen is, behoren wij die handhaving te eisen, niet omdat het met de leer van het Evangelie en met de uitspraken van de Heilige Schrift, maar omdat het met de leer der kerk ... overeenkomt."↩

  5. 5

    Terzijde (half doorgestreept): De botsingen tussen de enkele en de gemeenschap dreunen door de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw heen. Het rommelt en bommelt.↩

  6. 6

    J. R. Mott (1865-1955), Amerikaan. Organisator op het gebied van internationaal studentenwerk, zendingswerk en oecumene. Hij was o.a. voorzitter van de Wereldzendingsconferentie te Edinburgh (1910), die het startpunt werd van de huidige oecumenische beweging. Zi e p. 413 vv.↩

  7. 7

    A. W. F. Idenburg (1861-1935), antirevolutionair politicus, minister van Koloniën van 1902-1905, van 1908-1909 en van 1918-1919. De christelijk-ethische politiek, die hij als minister bepleitte, trachtte hij gestalte te geven tussen 1909 en 1916 als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Deze politiek stuitte er echter op hevige tegenstand.↩

  8. 8

    E. J. Potgieter (1808-1875), Nederlands schrijver, behoorde in 1837 tot de oprichters van De Gids. P. bepleitte een nationale herleving, waarvoor hij de kunst en het leven van de zeventiende eeuw als voorbeeld en maatstaf zag.

    N. zinspeelt hier op P.s Als een visch op het droge (1841), verschenen in Proza 1837-1845, Haarlem z.j.7 p. 417-446.↩

  9. 9

    E. G. F. Smit Kleine (1845-1931), Nederlands schrijver, met name bekend onder zijn pseudoniem Piet Vluchtig. Zijn werk is ernstig gekritiseerd door de Beweging van Tachtig.↩

  10. 10

    Met het Europese concert op de Balkan wordt bedoeld de politiek van de gezamenlijke Europese staten met betrekking tot de machtsverhoudingen op de Balkan.↩

  11. 11

    J. W. Gunning (1862-1923), vanaf 1886 hervormd predikant te Eerbeek, vanaf 1896 zendingsdirector van het Nederlands Zendelinggenootschap. Mede door zijn inzet besloten de Samenwerkende Zendingscorporaties in 1913 tot een gemeenschappelijk directoraat.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Iets over volkskerkInhoudA. Kerk en coalitie →