O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Dingen die verborgen warenInhoudPsychologie en Evangelie →

Verzamelde Werken, deel 2 · p. 84–95

De opstanding1

P.D. Chantepie de la Saussaye vertelde eens in een van zijn publikaties, hoe een jongmens hem kwam raadplegen over de keuze van een faculteit. Hij had aan de theologie gedacht, maar voelde toch bezwaren. Want dan was er al dadelijk 'die kwestie van God'.2 Tableau op de studeerkamer van de professor. De ouderen onder ons, die zich De la Saussaye nog herinneren van de predikantenvergadering, zijn bakkebaarden en zijn satire, kunnen zich voorstellen hoe hij de aspirant-theoloog zal hebben aangekeken. Die kwestie van God; een moeilijke, overigens interessante vraag.

Ik heb dezelfde De la Saussaye op genoemde predikantenvergadering ook in een omgekeerde rol zien optreden.3 Hij, de oudere, werd daarbij geattaqueerd door een jonge collega die, heel duidelijk met enige moeite zijn schroom terugdringend, de wijze hoogleraar aanvoer met een getuigenis. Deze laatste had in een causerie 'het absolute' etymologisch benaderd en het bepaald als het grote raadsel, dat zich losmaakt uit de empirische werkelijkheid, zich terugtrekt en daarbij natuurlijk wordt nagerend door een hele divisie vraagtekens. De opponent wilde weten, dat het absolute eerder moet worden gedacht als een invasie in die werkelijkheid, alle vraagtekens voor zich uitdrijvende. Ik zie nog in mijn herinnering het gezicht van de Leidse hoogleraar, zoals hij zich, blijkbaar geërgerd, maar toch ook min of meer verlegen, in een hoek terugtrok. Toen ik mij ging voorbereiden voor deze voordracht, moest ik onwillekeurig denken aan deze beide taferelen. Wij kunnen de waarheid van twee kanten bezien. Van de openbaring uit of van de zijde der kritische rede. Als onderwerp der prediking of als probleem der wijsbegeerte. De la Saussaye wist de eerste keer, dat God is de God van Abraham, Isaäk en Jakob; de tweede maal was hij dat vergeten. Het dooreenhalen van beide gezichtspunten heeft, met name in de negentiende eeuw, grote verwarring gesticht. - Wie over de opstanding gaat spreken, moet beginnen met zich daarvan te doordringen. Kierkegaard zegt in zijn Angst, dat de zonde alleen in de preek behandeld kan worden.4 Welnu, dat is ook zeer duidelijk het geval met de gerechtigheid, die Christus door zijn dood verworven heeft, en die volgens zondag 17 de eerste is, die ons op de paasmorgen tegenkomt. Het graf bezien kunnen wij niet meer en blijkens de evangelische verhalen hebben wij daarmee niet veel verloren. - De verschijningen hebben opgehouden. Zoals het vleesgeworden Woord, volgens een middeleeuwse voorstelling, door het oor werd ontvangen, zo kunnen wij de opgestane Heer ook niet anders dan door middel van het gehoor, dat is door de prediking, door het geloof aannemen.

De opstanding van Christus is een Godsopenbaring en de voorwaarden waaronder, evenals de wijze waarop deze openbaring geloofd wordt, zullen daarmee in overeenstemming moeten zijn. Het geloof is geen constructie, maar een reactie. Men zou het bijna een geestelijke reflex kunnen noemen. Barth heeft, jaren geleden, in zijn verklaring van 1 Korinthe 15, het apo tou teou in de hele eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs dik onderstreept.5 Het Evangelie komt van God, niet van Paulus of Apollos. De geestelijke gaven komen van het Hoofd der gemeente; zij ontstaan niet vanzelf in de leden; het zijn gaven. Hoofdstuk 13 steekt boven zijn omgeving uit; het is een lied van apostolische verwondering. - En zo is nu ook 1 Kor. 15 een berg Gods in de bijbel, vanwaar de opstanding als Godsopenbaring zichtbaar wordt.

Deze visie mogen wij bij de lezing der evangeliën en van de brieven en ook in de prediking nooit loslaten. Onder dit gezichtspunt hebben wij de opstanding van Christus te bezien. Laten wij zien wat daaruit voortvloeit.

Allereerst dit. De relaties van Christus' opstanding liggen in de Schrift en niet in de natuur. In de wet en de profeten en niet in de natuurwetten. Hij is opgestaan ten derden dage, naar de Schriften (1 Kor. 15 : 4). Jezus legt die samenhang zelf bloot voor de Emmaüsgangers en dezen zijn het juist, wier harten brandende worden, meer dan dat het geval was bij de eigenlijke verschijningen. Jezus' onderwijs aan Kleopas en zijn metgezel wijst reeds naar Pinksteren, waar de opstanding in de prediking wordt opgenomen. Dan pas wordt zij naar haar wezen en karakter aan de gemeente openbaar.

De opstanding is nooit feit-zonder-meer. Dat wil zeggen: zij staat niet, op hetzelfde plan met andere gebeurtenissen, om een verklaring te vragen, zodat de historicus haar op haar geloofsbrieven zou moeten gaan onderzoeken. Het zou de moderne mens dan niet goed staan, het kritiekste ongemoeid te laten. Dan zouden wij hier het geval hebben van het absolute, als aanvoerder van een leger vraagtekens, dat zich bij de hemelvaart van de aardse werkelijkheid losmaakt. Die hemelvaart zou een daad van barmhartigheid zijn, om aan de staat van suspensie en onzekerheid een einde te maken en de gewetens der twijfelaars te ontlasten. Onze prediking, onze theologie zou dan tegen het kerklied moeten ingaan, dat op de feestdagen de hoogste zekerheid vindt. Deze ontlasting der onzekere gewetens zou teruggrijpen op het Kerstfeest, waarbij zij Jezus' wonderbare geboorte zou moeten meten met de waarde der aardse liefde tussen man en vrouw.a6 Op Pasen zouden wij de opstanding moeten wegen met de gewichten, die de uitkomsten van fysische, psychologische en parapsychologische onderzoekingen in de schaal kunnen werpen.

Dit is echter niet de betekenis van de hemelvaart. Het is om ons dat Jezus is heengegaan. Hij is heengegaan, omdat anders de Trooster niet kon komen. Pasen werd afgebroken, wijl anders voor Pinksteren geen plaats zou zijn. De Heilige Geest moest komen, opdat de opstanding in de prediking zou worden opgenomen. Daar hoort zij thuis en daar gaat haar beschouwing niet tegen het kerklied in. Daar gaat Gods gerechtigheid voorop en vindt Pasen zijn natuurlijke verbindingen in de schriften en in de heilsraad Gods. Als er in de evangelie-verkondiging één ding sub ratione Dei gezien moet worden, dan zeker de opstanding. De bezinning der gemeente plooit zich niet op het graf terug, maar gaat voort tot de meditatie vitae.b De opstanding is de vooronderstelling der gemeente en der prediking. Zij is niet het kritiekste, maar het stelligste. Als deze vooronderstelling wordt omgekeerd, dan is de prediking ijdel en zijn wij nog in onze zonden (1 Kor. 15 : 17). Dan is er geen gemeente.

Daarom moet, in de Tweede plaats, op Pasen niet gepredikt worden over de verhouding van lichaam en ziel en de vragen die, in verband met de dood, daaruit resulteren, maar over de handel tussen God en mens. Pasen ligt in het verlengde van Kerstmis; de opstanding is de voortzetting van de incarnatie. Daarbij gaat het ook niet over lichaam en ziel bij Jezus' geboorte, maar over zijn godheid en mensheid. In de prediking kan niet voorzichtig worden overwogen, of de ziel wel kan opstaan en het lichaam niet; of de ziel van nature onsterfelijk is. Zulke vragen mogen behoren tot de algemene religiositeit, zij behoren in de prediking niet thuis. Dat opstanding heel iets anders is dan onsterfelijkheid, dat zij in het verband der Schriften thuis hoort en niet in de metafysica, wordt tegenwoordig gelukkig bijna over de gehele linie erkend. Wij preken niet meer over 'de lachende beelden der onsterfelijkheid, zoals de predikanten in 't begin der vorige eeuw.c

Vergelijkenderwijze is de verhouding van lichaam en ziel op Pasen geen vraag in de gemeente. Dat is een kwestie uit de oude of nieuwere filosofie: geest en stof, denken en uitgebreidheid, maar het is geen bijbelse vraag. Er is wel de bekende twistvraag tussen de Farizeeën en de Sadduceeën, maar ook daar is het geen moment in de raad Gods, maar een interessant punt in een fundamentalistisch dispuut. De Sadduceeën maken er voor Jezus een strikvraag van en Paulus gebruikt het om, op een ongelegen ogenblik, de beide sekten er mee tegen elkaar in het harnas te jagen. Men make mij niet wijs, dat dit dezelfde opstanding is, waarover hij in 1 Kor. 15 schrijft en die de hoeksteen der hele prediking uitmaakt.

De opstanding heeft tot correlaat de val uit Genesis 3. Op Pasen heeft er een gesprek plaats tussen Oud en Nieuw Testament. Dat in dat eerste van de christelijke hope zo weinig te merken valt, betekent niet een compromitterend gebrek aan de wet en de profeten, maar is daar de keerzijde van een diep zondebesef, zoals dat bijv. in Psalm 51 zo sterk tot uiting komt. Van de voetzool af tot het hoofd toe met wonden en striemen, en etterbuilen bedekt te zijn (Jes. 1 : 6), komt in het Nieuwe Testament terug, maar nu niet met betrekking tot de ziel, maar tot het lichaam, bij de arme Lazarus. In Genesis strekt de doodsbedreiging zich ook uit tot de ziel en bij Lukas heeft het Evangelie ook betrekking op het lichaam. De wet en de profeten zijn niet materialistisch en de evangeliën niet spiritualistisch. Maar val en opstanding, Adam en Christus, de dood die tot alle mensen doorgaat en het Evangelie dat aan alle creaturen gepredikt moet worden, houden de dialectiek des bijbels en der prediking gaande.

Wanneer wij op Pasen in de prediking het lichaam zouden moeten terugwijzen, zou dat moeten gebeuren op bijbelse gronden. Met het vlees en bloed, die het koninkrijk Gods niet zullen beërven, zou dan het stoffelijke van het lichaam bedoeld moeten zijn. De stof als zodanig is echter niet uitgesloten. "De goede en ware Middelaar", zo leert Augustinus, "leert ons zien, dat de zonde een kwaad is, niet de natuur of de substantie van het vlees, die Hij met de ziel des mensen, zonder zonde, heeft kunnen aannemen en behouden en zo in de dood heeft kunnen afleggen en bij de opstanding in iets hogers veranderen en dat daarom de dood, ofschoon die een straf is voor de zonde en die Hij voor ons, zonder zonde, zelf heeft verdragen, niet moet worden ontweken door het doen van zonde, maar liever, als de omstandigheden dat meebrengen, om der gerechtigheid wil moet worden ondergaan. Want daarom heeft Hij ook door te sterven de zonde kunnen te niet doen, Omdat Hij wel gestorven is, maar niet om zijn zonde. Want het vlees is niet het beginsel, of de menselijke ziel, maar het Woord".d7 Hierin hebben wij alles bij elkaar, waarom het mij gaat. Hier gaat het niet om het lichaam of om de ziel of om de tegenstelling van die beide, maar om zonde en gerechtigheid. Hier zien wij het vlees-geworden Woord als 't ware tussen ziel en lichaam doorgaan om in de opstanding het pleit van zonde en gerechtigheid te beslechten.

Dit hebben wij met name ook te bedenken bij het Heilig Avondmaal, waarbij Christus rechts en links zijn lichaam en zijn bloed, zijn leven, zijn ziel uitdeelt en midden daartussendoor over de val, de zonde, de dood triomfeert.

Daaruit wordt ons het karakter der opstanding openbaar. En de plaats die lichaam en ziel daarbij innemen. Het zijn de twee delen van het verbond, waar God tussendoor gaat.

Ik geef nog een merkwaardige plaats bij Augustinus: "Want wie de natuur der ziel prijst als het hoogste goed en de natuur des vleses als een kwaad laakt, die zoekt voorzeker de ziel op vleselijke wijze en die ontvlucht het vlees op vleselijke wijze, omdat hij over deze dingen oordeelt in menselijke waanwijsheid en niet volgens de goddelijke waarheid"e8 "En zo is", schrijft hij, "de animalis homo niet iets anders dan de carnalis homo, maar dit is een en hetzelfde."f9 "Want", vervolgt hij verderop, "wij zijn allemaal niets dan voluntates."g10

Op dit punt is er bij de kerkvader niets overgebleven van zijn neoplatonisme, waarin de stof was: 'de bedelaar op het feest'.11 Hij wil de verderfelijkheid van het lichaam niet stellen tegenover de onsterfelijkheid der ziel, omdat die verderfelijkheid niet de oorzaak is der zonde, maar de straf daarvoor.h12 De wil en de zonde staan hier dus tegenover elkaar; niet lichaam en ziel.

Er valt een merkwaardige gelijkvormigheid op te merken tussen deze antropologie en deze christologie. Zoals bij de opstanding het Woord de val opheft, zo capituleert bij iedere val de wil voor de zonde. Men zou deze vorm de sacramentele kunnen noemen. Lichaam en ziel zijn teken en zegel. De ziel een teken, het lichaam, meer vast, een zegel.

Wanneer Augustinus elders verklaart dat hij slechts God en de ziel wil kennen en niets anders, dan past die uitspraak niet geheel in zijn christelijke prediking. Zij stamt uit zijn neoplatonische gedachten- en woordenschat. In de kerk moet het zijn: Woord en geloof, zoals Luther het heeft. In de prediking en in de theologie is het platonisme bij de kerkvader, zoals wij gezien hebben, doorbroken.

Wanneer dit het geval kon zijn in de oudheid, dan is een doorbraak zeker niet minder nodig in de moderne wereld met haar tegenstelling van denken en uitgebreidheid.

Wanneer op deze wijze val en opstanding tegenover elkaar worden geplaatst, dan wordt de laatste daardoor voorgoed aan de mythische sfeer ontheven en in de historie geplaatst. Met deze fenomenologische onderscheiding schijn ik buiten de taal der prediking te treden, waarbinnen ik toch dit onderwerp wilde behandelen. Toch meen ik goed te doen, met het oog op de bovenbedoelde doorbraak, haar te maken. Dit opstel is overigens ook zelf geen preek, maar een theologische verhandeling. Het dient er zich dus rekenschap van te geven, in welk gezichtsveld van de menselijke geest de openbaring Gods zich vertoont.

In het afgetrokkene is er niet veel tegen te zeggen, als iemand beweert, dat God ons zijn aangezicht evengoed kan toekeren in een mythe als in de historie. Hij heeft ook wel dromen gebruikt en gezichten. Jezus spreekt ook in gelijkenissen. Kunnen Mattheüs 28, Markus 16, Lukas 24 en Johannes 20 en 21 voor de evangeliën niet zijn, wat de Openbaring van Johannes is voor de hele bijbel en is dit laatste bijbelboek niet juist een openbaring? Gebruikt Jezus de gelijkenissen niet dan, als Hij niet vrijuit, als tot zijn discipelen, kan spreken? En onderscheidt dat spreken zich niet juist daardoor van het historische? Bedient Plato zich in zijn dialogen ook niet van deze leerwijze, als hij niet meer vrijuit kan spreken? En kan God, die zich van de menselijke taal bedient, ook niet van deze leerwijze gebruik maken? - Wordt het niet al bijna als iets heel gewoons beschouwd de geboorteverhalen van Jezus als mythen op te vatten en correspondeert daarmee niet als vanzelf de stof, die op het Paasfeest naar voren komt?

De evangeliën zouden dan dezelfde figuur vertonen als de bijbel in zijn geheel. Zij zouden beginnen met mythen en eindigen in visioenen, terwijl in die ring de heilige historie zou zijn gevat.

Wij mogen dit alles niet met een enkele handbeweging terzijde schuiven. Wij zien nu "in een spiegel een raadselachtig beeld" (1 Kor. 13, vert. Brouwer), schrijft Paulus, en bij Calvijn is de accommodatie een vaste theologische figuur, zowel bij de herschepping als bij de schepping13

Maar juist daarom komt het er op aan deze dingen in het verband der Schriften en der prediking te laten en ze niet te profaneren. En dat gebeurt als men ze benadert van de algemene religiositeit uit, 't liefst van de primitiefste kanten af, en de openbaring Gods op die wijze feitelijk opkookt in de godsdienstwetenschap. Het verzet daartegen is de bestaansreden van de dialectische theologie en misschien ook van sommige van haar eenzijdigheden. Het gaat hier om het to be or not to be der openbaring.

Wij zijn al een heel eind van de primitiviteit af, als wij gezien hebben, dat de opstanding geen pleit is tussen ziel en lichaam. Een tweede, beslissende schrede doen wij, als het ons duidelijk wordt, dat de bijbelse geschiedenis, ook als zij mythische of visionaire vormen aanneemt, historie blijft. - Het is er mee als met de wonderen der Egyptische tovenaars. Deze hebben geen historie, geen uittocht tot achtergrond; die van Mozes en Aäron wel. De afgodsbeelden der heidenen worden door de profeten 'nietsen' genoemd. Er is geen God achter deze beelden. Gods openbaring toont ook een beeld, doch slechts één. Jezus Christus is het beeld van de onzienlijke God. En daarachter staat de ware God; het beeld is er slechts éénmaal; het is het beeld van de God der historie. - Wanneer wij de opstanding blijven verbinden met de incarnatie; haar laten in de betrekking van God en mens; haar niet verlagen tot een spel van lichaam en ziel, dan blijft zij daardoor voorgoed in de historie, in de bijbelse geschiedenis.

Datzelfde geldt trouwens van de hele bijbel. Men kan zeggen dat de bijbel het scheppingsverhaal aan de mythologische sfeer ontheft en het in de historie plaatst. Zoals Israëls God de God der historie is, de ware God, zo is ook dit scheppingsverhaal openbaring, een verhaal van de ware schepping. Ook wanneer de historiciteit van Genesis 1 - 11 een andere vorm heeft dan die van latere hoofdstukken en boeken, dan blijven ze toch historisch. Calvijn spreekt hier van accommodatie.i Het verhaal is aangepast aan ons bevattingsvermogen en geïnspireerd door de Heilige Geest. Het wijst naar de logos ensarkos.14 Wet en Evangelie zijn er in.

Overeenkomstige verhoudingen zijn er ook bij de paasevangeliën. Alleen, zij bestaan hier in een veel hogere macht. Hier wordt niet bericht omtrent de schepping maar over de herschepping. Dit is niet het begin van de tijd, maar zijn volheid. Wanneer hier ergens geen historie is, dan nergens. Hier ontstaat de christelijke gemeente en begint de kerkgeschiedenis haar loop. Het vlees, dat Christus heeft aangenomen is hier duidelijk de zonde, bezoldigd met de dood, en de gerechtigheid Gods, bezegeld door de opstanding.

Men moet sommige preken van Kohlbrugge lezen om te verstaan, wat er in het graf gelegen heeft en wat er op Pasen is opgestaan. Wat er in het graf gebleven is en wat er aan de discipelen verschenen is15. Niet alleen menige vrijzinnige, maar ook menige rechtzinnige preek zal dan als zuiver mythologisch openbaar worden, niettegenstaande een krampachtige historiciteit. En wel omdat deze historiciteit geen openbaringsgehalte heeft. In de preek moet de opstanding een volume krijgen, dat zich alleen kan ontwikkelen als duidelijk wordt, dat hier een heilige ruil plaatsvindt tussen God en mens, waarbij zonde en gerechtigheid elkaar door de poort des doods aflossen. Maar dan blijkt ook zonneklaar, dat de accommodatie aan ons bevattingsvermogen hier een rol speelt en wel in rechte evenredigheid tot het voortschrijden der openbaring en tot de versmalling van de baan der heilsgeschiedenis tot een absoluut éénmaal. De incarnatie is de samentrekking der openbaring op de éne mens Jezus Christus. Bij de schepping zweeft de Geest Gods nog over de volle breedte der wateren; op Pinksteren wordt Hij uitgestort op éne plaats. Het historisch karakter der openbaring is toegenomen en daarmee de behoefte aan accommodatie. Vleeswording is volledige accommodatie. En deze laatste neemt weer toe van de geboorte tot de graflegging in een mate, die voor de historische geloofsverbeelding niet meer bij te houden is. Dwz. wel, als men het Evangelie mythologiserend tot een vertelling maakt. Maar niet als men let op de voortgang der vernietiging en der vernedering. Niet, als men let op de climax van geboorte, doop en dood; van mens, vlees, zonde. Want Christus is zonde voor ons gemaakt (2 Kor. 5 : 21). Als geschiedenis van Gods openbaring, van Gods accommodatie, is het Evangelie zo geweldig voortgaande, dat wij alleen door de prediking en de verlichting des Geestes iets daarvan kunnen verstaan. Maar dan ook, door het geloof, verstaan. Want wel is God ons steeds nader gekomen en heeft zich steeds meer geopenbaard, maar het blijkt ook steeds meer God te zijn, die zich bekend maakt. De ware God; de God der historie. Er is meer Heilige Geest voor nodig om het Woord in de gelijkenis des zondigen vleses te herkennen en de gerechtigheid in zijn opstanding en dat éénmaal, op één dag, de zondag, Pasen, dan om op de zes dagen der week, zoals in het scheppingsverhaal, enig begrip te krijgen van Gods werken, waarbij God dan één dag, de sabbat, openhoudt voor het grote geheim, dat een verborgenheid blijft.

Dat heeft alweer Augustinus goed begrepen, als hij in zijn Enchiridion j16schrijft, dat de doop niets anders is dan het beeld van Christus' dood; de dood van Christus weer niets anders dan het beeld van de vergeving der zonden, opdat, zoals Hij werkelijk gestorven is, bij ons de ware vergeving der zonden zou zijn; en zoals Hij werkelijk is opgestaan. bij ons de ware rechtvaardiging zou wezen.

Wij hebben hier beide elementen. Het werkelijke, dat is het sacramentele, het teken en zegel, de werkelijke dood en de werkelijke opstanding, even werkelijk als het water bij de doop; maar ook de gelijkenis - de similitudo de verklaring des Heiligen Geestes van de aanpassing, de accommodatie Gods. Dit gebruik van het woord 'beeld' vindt men ook bij de Griekse kerkvaders. Men leze daarover wat dr. C. J. de Vogel schrijft in haar Ecclesia Catholica.k Zij wijst er op, dat beeld (eikon) niet in symbolistische, maar in sacramentele zin moet worden verstaan. Dat het beeld de afgebeelde werkelijkheid in zich sluit. Dat is juist en Zwingli heeft tegenover Luther ongelijk, wat Calvijn ook toegeeft. Het 'is' van Luther is beter dan het 'betekent' van Zwingli. Wanneer de opstanding de gelijkenis is van de rechtvaardiging, dan draagt zij die laatste in zich.

Maar dr. De Vogel en Rome gaan met dat sacramentele in die gelijkenis de verkeerde kant uit, in omgekeerde richting. Zij gaan van de zaak terug op de tekenen. Zij roepen de Heilige Geest neder op brood en wijn, in plaats van op de harten der gelovigen. Het 'sursum corda' (de harten omhoog) verkommert in de mis. God echter wil tussen de twee delen van het verbond doorgaan, zoals bij Abraham (Gen. 15 : 17), tussen het lichaam en de ziel van Christus, om zijn gerechtigheid aan het licht te brengen. Pas wanneer men het 'is' in de gelijkenis de goede kant uit laat gaan, predikatief, dan komt men tot de machtige comperatieven bij Paulus, de 'niet-meer's' en de 'veel-meer's', waarmee hij de opstotende kracht van Gods gerechtigheid tot uitdrukking brengt.

Wanneer wij hier van accommodatie gesproken hebben, dan is dat nauwelijks meer te vergelijken met wat Calvijn zo noemt in zijn commentaar op Genesis. De similitudo - de gelijkenis - is hier zo geestelijk - dwz. zozeer het werk des Heiligen Geestes behoevend om van het teken tot de zaak te komen - dat Pasen niet zonder Pinksteren te denken is. Al kan men de opstanding de poort van het koninkrijk Gods noemen, toch is de afstand tussen deze beide werkelijkheden zo groot, het Rijk zoveel wijder dan de poort, waar het rechtvaardig volk door zal treden, dat er een nieuw werk Gods nodig is om de waarheid der gelijkenis in het aanzijn te roepen: de uitstorting des Heiligen Geestes en het werk van die Geest in de gemeente. Een Rijk waarin die gerechtigheid kan wonen; Gods kerk in de hemel en op aarde.

Barth heeft in zijn genoemde verklaring van 1 Korinthe 15 ook met deze verhouding van feit en getuigenis geworsteld. Hij schrijft dat men 1 Kor. 15 : 3-11, waar de verschijningen van Jezus worden opgenoemd, historiserend verstandig kan lezen, maar er ook een methodologie der apostolische prediking in kan vinden. Hij noemt het graf, ledig of dicht, een alpenhut tussen twee vierduizend meter hoge bergen, een contrast met wat links en rechts onbewijsbaar en zichzelf bewijzend, getuigd wordt en alleen geloofd moet worden.l

Zo is het inderdaad. Het graf op zichzelf wekt verbijstering en twijfel, zoals men lezen kan in de opstandingsverhalen. Jezus zelf wijst de Emmaüsgangers de weg in de Schriften en Hij wijst de discipelen van Pasen naar Pinksteren. Tot Thomas zegt Hij, dat het niet op het zien, maar op het geloven aankomt.

Zelfs in de parapsychologie, die de dingen van onze kant en niet van Gods kant beziet, komt men tot een soortgelijke methodologie. Dr.L.A. Rademaker schrijft: "De parapsychologische wonderen zijn volstrekt niet altijd groot, vaak zelfs zeer klein. Hun waarde bestaat dan ook niet in hun feitelijkheden, maar in hun getuigende kracht. Zij herinneren er aan, dat de mens niet is de knecht der wet, maar de zoon van het wonder."m Ik haal dit slechts aan als een treffende analogie. ⚑Het graf was ledig.

Maar dat wil niet zeggen dat men de opstanding als godsopenbaring historisch op het spoor kan komen. Dat leert de bijbel ons, als hij ons Petrus laat zien op de Pinksterdag, wanneer de volle kracht van het getuigenis gekomen is. Welk een verschil met de Petrus bij het ledige graf. Het ledige graf is opgenomen in de grote historie der goddelijke getuigenissen door de Heilige Geest. En daarin heeft het - als men het goed wil verstaan allegorische betekenis.

God spreekt allegorisch in het Oude Testament en evenzo in het Nieuwe. Er zijn dingen 'die andere beduiding hebben' (Gal. 4 :24). Wanneer God zich in de opstanding van Christus aan ons openbaart en zijn gerechtigheid daarin aan het licht brengt, dan heeft ook die opstanding een andere beduidenis, evenals Christus' dood. De gelijkenis is echter niet symbolistisch te verstaan, maar sacramenteel. Daarom moeten wij onderstrepen: Hij is opgestaan; waarlijk opgestaan. De sacramentele gelijkenis brengt dit 'is' mede. Luther heeft tegenover Zwingli gelijk.

Maar Calvijn heeft weer tegenover Luther gelijk, als hij dit 'is' geestelijk wil verstaan. Pasen vraagt om Pinksteren; om de Heilige Geest als uitleggen (Bunyan17) en uitwerken. En dat betekent niet een vergeestelijken in de richting van vrome innerlijkheid, maar in die van de opbouw der gemeente en de komst van Gods koninkrijk.

Wat dit ledige graf is en wat de Heilige Geest daarvan leert, laat Kohlbrugge ons dat zeggen: "Met Christus zijn wij, toen Hij begraven werd, met al wat wij zijn, met alle werken des vleses, met al onze leden der aarde gelijk gemaakt geworden." - "Onze schuld, onze zonde, onze straf werd begraven in het graf van Christus, mitsgaders al onze zorgen en al onze noden." "Het vlees is vergaan, het heeft niets meer te zeggen." "En nochtans, nochtans, ook dit ons vlees, in Hem is het opgestaan." "Wij hebben daarbij niet te vragen naar hetgeen wij gewaar worden, maar naar hetgeen, Gods Woord zegt. . ."n "Maar het 'hoe' en 'wanneer' houdt Hij voor zich."o⚑ "Hij heeft de oude Adam - die de Geest niet had, met al zijn werken, zijn denken en willen, met al zijn begeerten, met huid, vlees en alle beenderen, met hart, hoofd en verstand, zoals wij leven en zijn, met zich in het graf genomen, en heeft hem aldaar begraven; Hij heeft ook in dit graf de oude Adam laten liggen, zodat die nooit weder kan opstaan. Hij zelf is echter uit Adams dood weder opgestaan."p "(En) Hij, de Heere, (is) uit het graf opgekomen met een nieuw mens ... om in zijn nieuwe schepping voor eeuwig te blijven.. ."q

Dikker kan het 'is' in de gelijkenis niet worden onderstreept. Dit is waarlijk existentiële taal. Maar hier is ook klaarlijk Pinksteren over Pasen gekomen, zo machtig, dat er een andere beduiding zich doet horen, die zegt dat het graf niet ledig was, maar dat de oude Adam daarin is blijven liggen. Een fundamentalistisch antwoord kan hier niet gegeven worden. Scheppen is scheiden: tussen licht en duisternis. Herscheppen ook: tussen de oude en de nieuwe Adam.

Ik grijp, aan het eind van deze beschouwing gekomen, nog eens terug op de tegenstelling van val en opstanding. Ik denk aan het paradijsverhaal, met de slang, en hoe een kerk daarover voor jaren in beroering kwam. Assen; nomen sit omen.18 De oplossing was fundamentalistisch en blijkt fout te zijn geweest. Hoe langer hoe meer.

Wij worstelen in onze Hervormde Kerk met een verwante vraag: maar nu aan de tegenpool in de bijbel, bij de opstanding. Dat wil zeggen, dat een beslissing veel en veel ingrijpender is. Over de feestdagen, maar vooral over Pasen loopt de waterscheiding tussen vrijzinnigen en rechtzinnigen. Onze kerk heeft geen fundamentalistische beslissing gegeven en zij mag dat onder de nieuwe werkorde19 of kerkorde ook niet doen.'

In dit verband denk ik aan het bekende boek van dr. H. J. Heering, De opstanding van Christus.r Ook hier worden de vragen van het historische en het pneumatische in beweging gehouden. Zij liggen trouwens reeds gegeven in een vergelijking van de evangeliën met de Paulinische brieven. Heering merkt op, dat in de evangeliën geen spanning gevoeld wordt tussen historie en waarheid. Maar toch vindt hij daar een pneumatische gegrepenheid. Hij schakelt het historisch bewijs voor ons geloof uit. De waarheid, die het ons moet doen, vindt hij in het pneumatische.

Omdat het woord 'pneumatisch' een modewoord dreigt te zullen worden, geeft hij daarvan vijf criteria, waarmee wij over de openbaring hebben te oordelen.

a. Het Pneuma, de Heilige Geest, is niet zonder redelijke aanvaardbaarheid en doordenkbaarheid. Het beroep op de Schrift, uit Lukas 24 : 25-27, moet daarom voor twintigste-eeuwse westerlingen gewijzigd worden.

b. Het Pneuma is zedelijk van aard; de pneumatische werkelijkheid behoort, bij alle verzet, het diepste verlangen op te wekken.

c. Het Pneuma draagt steeds in zich de categorie van het Heilige, dat de eerbied en de schroom oproept.

d. Het Pneuma draagt steeds in zich het zaligheids- en heerlijkheidsmotief.

e.Het Pneuma openbaart zich met kracht. Het maakt zich niet slechts bekend aan de geest, maar het vernieuwt het gehele leven.

De Heilige Geest stemt nu, volgens Heering, het geloof op de openbaring af, met behulp van deze vijf criteria. Het geloof schift de psychische en historische gegevens. Niet alles wordt als openbaring aanvaard. Het schift ook tussen Jezus en Christus. Men kan een 'balans' opmaken van Jezus' uitspraken. Ja zelfs van zijn karakter. In de nieuwtestamentische geschriften géïnspireerde vrijheid ten opzichte van de oorspronkelijke feiten. Dit moeten wij, in het klein, ook doen. Ik kan hier niet grondig op het boek van dr. Heering ingaan. Het is een oprecht zoekend, eerlijk en gelovig werk. Ik zie hem op de weg tussen Pasen en Pinksteren. Maar toch geloof ik, dat de kerk uit de Schriften meer heeft ontvangen en in haar belijdenis heeft vastgehouden dan Heering in zijn boek heeft getoond. De eis der redelijke en zedelijke aanvaardbaarheid als beperking van het Schriftgezag schijnt mij gemakkelijk veel te kunnen afdoen aan het volle gehalte van Gods openbaring. Ook herinneren die beperkingen, zoals zij daar staan, mij te veel aan namen uit het oud-modernisme. Liefde en barmhartigheid zijn niet altijd redelijk of zedelijk in onze menselijke zin. Ook het derde criterium, het Heilige, waarbij ik aan Rudolf Otto20 denk, kan gemakkelijk te minutieus worden opgevat. Bij de heerlijkheid en de kracht, de criteria die Heering in de vierde en vijfde plaats noemt, hoor ik echter een doorgaand bijbels geluid, als uit de doxologie van het Onze Vader. Bij de balans (onzaliger gedachtenis), die Heering wil opstellen van Jezus' uitspraken en karakter, wordt het sacramentele in de openbaring, het 'dit is' bij het teken en zegen, zoals ik dat hierboven heb toegelicht, uit het oog verloren. Jezus is geen symbool van de Christus. Hij is het vleesgeworden Woord.

De kerk wil in Genesis geen Assen.
Maar in de evangeliën vooral geen Bakels.21
De Heilige Geest leide haar in het rechte spoor.

Voetnoten

  1. a

    *Vgl. Ph. Kohnstamm, De Heilige, p. 170-179.*↩

  2. b

    *De bepeinzing des eeuwigen levens;*vgl. Calvijn, Inst.III,9.↩

  3. c

    *A.Pierson, Willem de Clercq naar zijn dagboek,*dl.I, Haarlem1889,p.113.↩

  4. d

    *De Civitate Dei l0,24.*↩

  5. e

    *A. w. 14, 5. *↩

  6. f

    *A. w. 14, 4. *↩

  7. g

    *Wilsbetoningen;*a.w. 14,6.↩

  8. h

    *A. w. 14, 3* (CChrSL. 48, 417).↩

  9. i

    *In zijn commentaar.* Zie ook noot 13.↩

  10. j

    *Enchiridion, 14, 52* (CChrSL. 46, 77).↩

  11. k

    *C. J. de Vogel, Ecclesia Catholica. Redelijke verantwoording van een persoonlijke keuze, Utrecht/ Brussel 1946, p. 100, 106 en 138.*↩

  12. l

    Karl Barth, Die A uferstehung der Toten, München 1924, p. 61 v.; p. 76.↩

  13. m

    *L. A. Rademaker, Lente in de logica. Van materie tot mysterie, van mysterie tot religie, Amsterdam 1946, p. 112.*↩

  14. n

    *H. F. Kohlbrugge, Feeststoffen, Amsterdam 1893, p. 73.*↩

  15. o

    Kohlbrugge, a.w., p. 76.↩

  16. p

    A. w., p. 80 v.↩

  17. q

    Ibid.↩

  18. r

    Vgl. voor het hier volgende H. J. Heering, De opstanding van Christus, Amsterdam 1946, p. 205-210; vgl. ook 159 vv.; 175-187.↩

Eindnoten

  1. 1

    Lezing, gehouden voor de Ned. Hervormde Predikanten-vereniging te Utrecht op 15 april 1947, daarna gepubliceerd in Weekblad van de Ned. Hervormde Kerk (14 juni 1947) en in ZI., p. 116-130 (pag.). Voor Noordmans' 'Ter inleiding' zie boven p. 26 v., noot 1.↩

  2. 2

    Vindplaats onbekend.↩

  3. 3

    Mogelijk de vergadering van 2/3 mei 1916, waar De la Saussaye sprak over 'De christelijke Godsidee'; vgl. Kerkelijke Courant, Weekblad voor de N. H. Kerk, 14.4.1916.↩

  4. 4

    S. Kierkegaard, Angst, vert. S. van Praag, Amsterdam zj., p. 17; of: Der Begriff Angst. Eine schlichte psychologische Überlegung in Richtung auf das dogmatische Problem der Erbsünde, uitg. E. Hirsch, Düsseldorf 1952, p. 13.↩

  5. 5

    Karl Barth, Die Auferstehung der Toten. Eine akademische Vorlesung über 1 Kor. 15, München 1924, p. 4.↩

  6. 6

    De verwijzing naar de betreffende plaats bij Kohnstamm kan alleen betrekking hebben op deze zin en niet op het "zou" in de voorafgaande en volgende zinnen, daar deze gedachtengang bij Kohnstamm niet te vinden is. Wel wordt in genoemde samenhang duidelijk, dat Kohnstamm in de leer van de maagdelijke geboorte een bedreiging van de waarde van gezin, vaderschap en sexualiteit ziet.↩

  7. 7

    Het citaat Civ. (CChrSL. 47, 297) luidt: "Bonus itaque verusque Mediator ostendit peccatum esse malum, non carnis substantiam vel naturam; quae cum anima hominis et suscipi sine peccato potuit, et haberi, et morte deponi et in melius resurrectione mutari; nec ipsam mortem, quamvis esset poena peccati, quam tamen pro nobis sine peccato ipse persolvit, peccando esse vitandam; sed potius, si facultas datur, pro iustitia perferendam. Ideo enim solvere potuit moriendo peceata, quia et mortuus est, et non pro peccato ... neque enim caro principium est aut anima humana; sed Verbum . . ."↩

  8. 8

    Civ. 14, 5 (CChrSL. 48, 420): "Nam qui velut summum bonum laudat animae naturam, et tamquam malum naturam carnis accusat, profecto et animam carnaliter adpetit et carnem carnaliter fugit: quoniam id vanitate sentit humana, non veritate divina."↩

  9. 9

    14, 4 (419): ... atque ita non est aliud animalis homo, aliud carnalis, sed idem ipsum est utrumque, .↩

  10. 10

    14, 6 (421): "Interest autem qualis sit voluntas hominis: quia si perversa est, perversos habebit hos motus; si autem recta est, non solum inculpabiles, verum ctiam laudabiles erunt. Voluntas est quippe in omnibus: immo omnes nihil aliud quam voluntates (Noordmans: wilsbetoningen, vgl. p. 88) sunt."

    Noordmans betrekt hier "omnes" en "omnibus" op de mens en vervangt de derde persoon door de eerste. "Omnes", "omnibus" lijkt ons toch eerder te betrekken op "motus": want in alle bewegingen is wil aanwezig, ja zij zijn zelf niets anders dan wils-bewegingen. Volgens de Dietionnaire de Théol. Cath. (Parijs 1903 vv.), 1, 1003 is Noordmans' interpretatie niet ongebruikelijk, maar onjuist.↩

  11. 11

    Vgl. Plotinus, Enneaden, 111, 6, 14 (uitg. A. H. Armstrong, 1957, 111, 266 vv.). - Plotinus geeft hier een verklaring (verwant aan die van Plutarchus) van Plato's mythe (Symposion 202 d.), waarin Penia de materie voorstelt, "de altijd beroofde, de eeuwige bedelares, vol brutaliteit, die altijd weer wordt misleid en nooit bevredigd" (aldus Jean Pé0in, Mythe el A llégorie, Parijs 1958, p. 193). Zij wil zich verenigen met het ware zijn, hetgeen vanwege haar armoede-aan-zijn verhinderd wordt, en haar vereniging met Poros is die van de materie met een illusie, een afglans van het zijn, uit welke vereniging dan Eros wordt geboren.↩

  12. 12

    Civ. 14, 3 (CChrSL. 48, 417): "Nam corruptie corporis, quae adgravat animam, non peceati primi est causa, sed poena; nec caro corruptibilis animam peccatricem, sed anima peccatrix fecit esse corruptibilem carnem."↩

  13. 13

    De accommodatie aan het menselijk bevattingsvermogen speelt op verscheidene plaatsen bij Calvijn een rol, met name in de Institutie (bijv. 11, 16, 3) en in zijn Commentaar op Genesis.↩

  14. 14

    De onderscheiding is afkomstig uit de strijd in de vijfde eeuw om de interpretatie van het Chalcedonense; er wordt mee uitgedrukt, dat de menselijke natuur van Christus haar zelfstandigheid niet in zichzelf, maar in de Logos heeft: de menselijke natuur is geen hypostase (anhypostasie). Noordmans verwijst hier dus enerzijds naar 'Christus in het vlees', anderzijds is hem in dit verband aan de gedachte van de anhypostasie veel gelegen.↩

  15. 15

    Vgl. H. F. Kohlbrugge, Feeststoffen, 2e dr., Amsterdam 1893, p. 73-8 1. Zie ook p. 93.↩

  16. 16

    Enchir. 14, 52 (CChrSL. 46, 77): "deinde (se. apostolus) sacri baptismatis in cruce Christi grande mysterium commendavit eo modo ut intelligamus nihil aliud esse in Christo haptismurn nisi mortis Christi similitudinem; nihil autem aliud mortem Christi cruciflxi nisi remissionis peccati similitudinem: ut quemadmodum in illo vera mors facta est, sic in nobis vera remissio peccatorum, et quemadmodum in illo vera resurrectio, ita in nobis vera iustificatio." Vgl. ook hfdst. 53 (p. 78).↩

  17. 17

    De 'Uitlegger' speelt een rol in het begin van de Pelgrimsreis (vgl. Johannes Bunyan, Eens christen reize naar de eeuwigheid, uitg. Lambertus de Beveren, Leiden zj., p. 56-77). Hij is degene, die Christen raad geeft voor het volbrengen van zijn reis. Bij het afscheid van Christen en Uitlegger verwijst deze laatste naar de Heilige Geest als de Trooster - hetgeen de conclusie zou kunnen rechtvaardigen, dat de Uitlegger en de Heilige Geest twee zijn en niet één en dezelfde. Noordmans ontleent zijn interpretatie waarschijnlijk aan J. H. Gunning J. H.zn (vgl. J. H. Gunning J. H.zn, Blikken in Bunyan's Pelgrimsreize, Kampen 1928, p. 258-282), die de Uitlegger duidelijk met de H. Geest identificeert. Voor Bunyan, zie ook dl. 1, p. 238, noot 3.↩

  18. 18

    Met Assen wordt de synode van Assen bedoeld, welke in 1926 door de Gereformeerde Kerken in Nederland aldaar gehouden werd ter behandeling van de zaak-Geelkerken. Deze zaak betrof de historiciteit van Genesis 3 ('de sprekende slang'), welke door dr. Geelkerken werd opengelaten, en de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek t.a.v. de betreffende Schriftplaats. De zaak eindigde met schorsing en vervolgens afzetting van dr. Geelkerken en had de stichting van de 'Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband' tot gevolg, welke kerkengroep zich in 1946 met de Ned. Hervormde Kerk verenigde.↩

  19. 19

    'Werkorde' is de benaming voor het ontwerp tot een nieuwe kerkorde, dat in 1944 werd aanvaard.↩

  20. 20

    Bedoeld is het bekende boek van Rudolf Otto, Das Heilige. Über das Irrationale in der Idee des Göttlichen undsein Verhällnis zum Rationalen. Vgl. bijv. hoofdstuk 4d: Das Moment des Mysterium, Das'Ganz Andere'.↩

  21. 21

    H. Bakels (1871-1952), oorspronkelijk doopsgezind predikant, wel genoemd 'het enfant terrible van het vrijzinnig protestantisme', predikte een universele godsdienst boven alle geloofsverschillen uit. Hij trok, bijv. in zijn Bouquetje dogmatiek (1906), te velde tegen materialisme en atheisme, maar uitte zich daarbij ook zeer scherp ten aanzien van geloof en christendom (in het bijzonder de orthodoxie).↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Dingen die verborgen warenInhoudPsychologie en Evangelie →