De leer van God de Vader in de Nederlandse geloofsbelijdenis1
[Toen in 1555 de godsdienstvrede van Augsburg werd gesloten en voor de lutherse confessie reeds een zekere afsluiting was bereikt, stond de gereformeerde belijdenis nog in de kinderschoenen. De Gallicana en de Belgica zijn ontstaan in 1559 en 1561. Zij konden niet deelnemen aan de pacificatie in de lutherse landen, maar moesten tegenover Rome blijven staan in een houding van verweer. De calvinistische hervorming had een vacuüm om zich heen en de prediking vond geen beveiliging in de gezindheid van een vorst of in de grenzen van een gebied. Daarom moest zij zich bedienen van enige eenvoudige, nieuwe instellingen, waardoor oud-christelijke motieven, gaven en krachten konden worden gebonden, die bij Luther verloren zijn gegaan. In het gebied van de Augsburgse confessie, waar men meer op een bestand bedacht was, werden de presbyteriale kerkorde, de gemeentelijke tucht en ten dele ook de diakonale armenzorg als te gevaarlijk beschouwd. Calvijn had deze drie juist nodig, omdat zijn kerk zelfstandig en weerbaar moest zijn. Zo ontstond binnen de kerk een levenswijze die, meer dan dit vroeger bij het gros van] de leken het geval was geweest, onder regelrecht beslag van de prediking lag en die binnen de kerk een standaard van menselijkheid schiep van geheel eigen soort. Zonder, zoals de dopersen, een greep te kunnen doen naar het hemelleven, wilden de gereformeerden toch als schildwacht staan voor de eeuwigheid.a In de uitverkiezing hielden zij vast aan een heilige bestemming, waaraan zij al het aardse ondergeschikt wensten te maken. En dit levensgebied zochten zij te beschermen door een strenge tucht, opdat de Evangelieverkondiging, naar de uitgesproken bedoeling van Calvijn, ook op aarde niet geheel zonder uitwerking zou zijn en de instellingen bescherming zouden genieten.
Hiermee hangt het samen, dat in onze geloofsbelijdenis de schepping niet in zo absolute zin een geloofsartikel kan zijn als dat elders het geval was of bleef. Alle christenen geloven wel dat God de wereld geschapen heeft, maar zij gaan niet allen in gelijke mate daarvan uit. Sommigen leggen er grote nadruk op, dat de bijbel, als oorkonde der openbaring, niet in de eerste plaats geschreven is om ons ermee bekend te maken, dat God alle dingen gemaakt heeft, maar vooral opdat wij zouden weten dat Hij zijn Zoon op aarde gezonden heeft. Wanneer ons gevraagd wordt wat de inhoud van het Evangelie en van de prediking is, dan zullen wij ook altijd dat laatste noemen en niet het eerste. De bijbel is niet een geschiedverhaal, waarin alle feiten op eenzelfde vlak worden gedragen. Naast en boven het 'er is geschied' houdt het 'er staat geschreven' een toepassende kracht. Op de wijze van de profetie brengt het de dingen naar ons toe. Er is zaligmakende richting in de bijbelse geschiedenis en de profetische en apostolische beschrijving onderstreept die. Het is het ambt van de Heilige Geest die historie tenslotte in ons hart te schrijven.
Wanneer dat gebeurt kunnen wij tot de drie stukken, die men in het werk van de drieënige God vaak onderscheidt - schepping, verlossing en heiliging - ook onmogelijk in eenzelfde verhouding staan. De mededeling van elk van die stukken maakt in onze harten zulke verschillende reacties wakker, dat zij bijna niet te vergelijken zijn. Wij zouden misschien aldus kunnen onderscheiden: de schepping is geschied, de verlossing staat geschreven en de heiliging wordt gepredikt. Daaruit blijkt dan, dat deze drie niet in hetzelfde vlak liggen en dat de zaligmakende kracht van de mededeling in onze richting toeneemt. Pas het laatste, "dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is" (zondag 7), alleen dat maakt het geloof 'zaligmakend'. De kracht van het Evangelie - aldus Luther - zit in de voornaamwoorden, het 'ik' en het 'mijn'.
Zulk een troost kan mij de mededeling, dat God mij geschapen heeft, als afzonderlijk stuk van de werken Gods, niet bieden. Integendeel, dat maakt mij niet zalig, maar herinnert mij aan mijn ellende. De belijdenis van de schepping neemt de vorm aan van kennis van ellende. Dat is de reformatorische opvatting van de plaats der schepping in onze geloofsbelijdenis. De indeling van onze Heidelbergse catechismus is bekend. Op de vraag, hoeveel stukken wij voor onze zaligheid in leven en sterven nodig hebben, luidt het antwoord: "Drie stukken: ten eerste, hoe groot mijn zonden en ellende zijn; ten andere, hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde; ten derde, hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn." Het is duidelijk dat, waar elders in de eerste plaats van de schepping sprake is en van de vermogens die de mens zijn ingeschapen, of tenminste van kleine overblijfselen van het beeld van God, hier rondweg de ellende beleden wordt. De kennis der ellende wordt in zondag 2 wel uit de wet afgeleid, maar in zondag 3 wordt zij toch aan de schepping gemeten.
En het resultaat van die vergelijking wordt geboekt in vraag en antwoord 8: onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Die vorm neemt de belijdenis der schepping hier tenslotte aan.
Daarmee wordt dan ook de eis van de kerkvader Augustinus vervuld, dat de kennis en het spreken van de christen de vorm van een belijdenis moeten aannemen.2 De drie stukken moeten zich daarin tot één geheel laten verbinden. Zij moeten verenigd worden tot een getuigenis van een eigen karakter, waarin God tot zijn ere komt. Dat kan wel, wanneer de belijdenis ellende, verlossing en dankbaarheid tot uitdrukking brengt. Ieder verstaat, waarom verlossing nodig is, als wij onze ellende beleden hebben met de woorden van zondag 3. En ook, dat het derde en laatste dan dankbaarheid zal zijn. Tussen de toonhoogte van de belijdenis der ellende en die der dankbaarheid is een verschil, zo groot, dat in de confessie als vanzelf de rijzing komt, die haar maakt tot een lofprijzing van God. Maar ons getuigenis kan geen ware belijdenis zijn, als wij in het eerste deel enige uitspraken doen over natuur en geest, verstand en wil, om daarmee iets over het wezen van Schepper en schepsel te zeggen; wanneer wij dan daarna het dogma tot leidraad nemen, om een voorstelling te geven van de verlossing, zoals die in de bijbel is geopenbaard; terwijl wij dan in de derde plaats spreken over de genade, zoals die in de kerk, met name door de sacramenten ons wordt toegeleid. Dat is de roomse manier. In de belijdenis blijven dan drie werelden onverbonden staan: de natuur, de bijbel en de kerk. In de eerste komen de mensen dan voor als begaafden, in de tweede als zondaren en in de derde als heiligen. Dit wordt tot uitdrukking gebracht, als wij de belijdenis laten gaan over schepping, verlossing en heiliging of heiligmaking. Min of meer consequent heeft dit alles plaats in de roomse geloofsleer. De natuurlijke theologie, met haar wortelen in natuur en cultuur, legt dan de grondslagen. Zij leert de waarde van de mens die ook na de val in positieve zin voorwerp van belijdenis kan zijn. Zij mag met bescheidenheid naar voren worden gebracht en met een zekere onbevangenheid spreken roomse theologen er dan ook over. De dankbaarheid heeft voor hen haar natuurlijke plaats eigenlijk bij dit eerste stuk van de belijdenis. Het derde stuk gaat over de heiligen. Zij hebben deel aan de vleeswording van de Zoon, die zich in hen voortzet. Dankbaarheid is niet het geschikte woord om hun levensgevoel te vertolken. Daarvoor is de heiligheid hun te eigen, te veel één met hun wezen. De heiligen brengen, vooral voor de moderne roomse, na Newman, het wezen der kerk tot uitdrukking. Mocht men vroeger bij voorkeur de veiligheid in de kerk naar voren brengen, als men haar vergeleek met de arke Noachs, thans hoort men vaak daarvoor de heiligheid in de plaats stellen.
Tussen deze beide werelden ligt dan in het midden de wereld van de bijbel, waarin de drie stukken, die de gereformeerde belijdenis uitmaken, een plaats moeten vinden: niet alleen de verlossing, maar ook de ellende; niet alleen de ellende, maar ook de dankbaarheid. Ten opzichte van de bijbel en het dogma is er een vergaande overeenstemming tussen ons en Rome. Hier geven de roomse theologen zelf toe, dat bijv. het Oude Testament nauwelijks behoefte heeft om van natuurlijke Godskennis te spreken, omdat de God der openbaring erin spreekt. Pas de latere Griekse boeken brengen haar tegenover de heidenen naar voren.b
Wat ons van hen scheidt is, dat zij de natuurlijke mensenwaarde die wij vertonen en de bovennatuurlijke heiligheid die wij nog niet hebben, in de belijdenis betrekken, althans er zo mee verbinden, dat de tegenstellingen, in de openbaring gegeven, zich niet ten volle kunnen ontplooien. Tussen de natuur en de kerk komt dan de bijbel in het gedrang. De belijdenis van zonde, verlossing en dankbaarheid is er wel, maar de dankbaarheid wordt naar voren getrokken, waar zij de natuurlijke gaven geldt, en de belijdenis van zonde naar achteren, waar zij in de sfeer der sacramentele heiligheid haar diepte verliest of in die der ethische heiligheid tot een somber vrezen en beven dreigt te worden.
Het is wel heel merkwaardig om op te merken, dat in de Heidelbergse catechismus het omgekeerde gebeurt. Daar geldt de drieledige belijdenis van zonde, verlossing en dankbaarheid. Maar nu wordt die van schepping, verlossing en heiligmaking in het midden genomen. Midden in de behandeling van de verlossing uit de eerste trits, wordt de hele tweede trits, met de verlossing weer in het midden, ingelast. De verlossing komt hier dus nog eens ter sprake als onderdeel van de verlossing uit de hoofdindeling. Dit gebeurt naar aanleiding van de behandeling van de Twaalf artikelen, die tussen zondag 7 en zondag 23 worden besproken. Rome wordt in het midden gezet. En daaromheen worden de vleugelen van de Reformatie uitgeslagen.
Wanneer ik zeg dat Rome in het midden staat, dan is dat niet helemaal juist. De Twaalf artikelen bevatten niet het roomse geloof, maar kortweg 'het geloof', zoals ze door Luther ook vaak genoemd worden. Zij geven de christelijke belijdenis naar westerse traditie. De schepping wordt er ook niet bijzonder naar voren gebracht; alleen wordt de Vader ook Schepper genoemd, om er de nadruk op te leggen, dat het Nieuwe Testament één is met het Oude. Overigens vatten zij, zoals onze Catechismus zegt, de beloften van het Evangelie in één hoofdsom samen. - Maar omdat deze samenvatting traditioneel is geworden heeft zij meer de invloed van de geschiedenis ondergaan.
De Twaalf artikelen vormden dikwijls het raam voor de uitleggingen, die van het christelijk geloof gegeven werden. En in die verklaringen kwam de roomse neiging op, om bij het eerste artikel te spreken over de schepping, waaraan de mens zijn waarde ontleent, en niet over de Vader, aan wie hij zijn schulden belijdt. Het eerste deel van de geloofsleer was dan, zoals wij reeds zagen, gewijd aan de behandeling van de natuurlijke verhouding tot God en de natuurlijke kennis van God en op die basis verrees dan pas later het gebouw van de leer der bovennatuurlijke dingen.
De kerkhervormers hebben daarom aanvankelijk die traditionele behandeling gemeden. Zij gingen hier van de traditie op de bijbel terug. In plaats van de Twaalf artikelen namen zij de voornaamste plaatsen (loci communes3) uit de bijbel tot leidraad. Zij gingen daarbij vooral uit van de Brief aan de Romeinen, omdat die reeds een uiteenzetting van het geloof geeft. Zij vonden daar de indeling, die zij ook aan hun dogmatiek wilden geven: ellende, verlossing en dankbaarheid.c
Dit is, wat ik zou willen noemen, de bijbelplaatsen-vorm van de geloofsbelijdenis, in onderscheiding van de geloofsartikelen-vorm, die meer traditioneel is. Zij blijven na de Hervorming niet streng gescheiden. Het woord 'plaats' heeft oorspronkelijk ook niet de betekenis van bijbelplaats. En zo konden beide manieren spoedig dooreenlopen. Dit is dan ook gebeurd. Calvijns Institutie van 1559 heeft weer de traditionele vorm van de geloofsartikelen.4 Maar ook reeds de Augsburgse confessie van 1530 zet de Drieëenheid in art. 1 voorop; art. 3 handelt van de Zoon; art. 5 van de Heilige Geest; art. 7 en 8 van de kerk; art. 9 en 10 over de sacramenten. Daartussen staan dan de dingen die wel op de voornaamste plaatsen in de bijbel staan, maar niet in de Twaalf artikelen: erfzonde, rechtvaardiging en de nieuwe gehoorzaamheid of ellende, verlossing en dankbaarheid.
De verantwoording die de hervormers moesten doen, maakte het noodzakelijk dat zij de overgeleverde stukken van hun christelijk geloof duidelijk in hun confessies opnamen. Zij hebben aan die stukken, die artikelen, ook nooit getwijfeld. Luther heeft, altijd onbevangen over 'het geloof' gesproken. Maar het eigene, wat zij over dat geloof te zeggen hadden, over erfzonde, rechtvaardiging door het geloof, uitverkiezing; of over Wet en Evangelie, bekering en geloof, dat nam als vanzelf een andere vorm aan. Het deed meer denken aan een preek, of zelfs een bijbellezing. Zoals dan ook de loci van de vroegste schrijvers over de protestantse geloofsleer een leidraad wilden geven bij de lezing van de Heilige Schrift.
Wij hebben nu enkele gegevens in handen, die het ons begrijpelijk maken, hoe het komt, dat de Heidelbergse catechismus twee indelingen heeft, beide in drie stukken, die allebei de verlossing in het midden hebben staan. De eerste sluit zich direct aan bij de lezing van de bijbel, de andere volgt de drie artikelen van de Apostolische geloofsbelijdenis. En de manier waarop van zondag 8 tot 22 de Twaalf artikelen worden uitgelegd, doet in sommige opzichten - niet in alle - nog denken aan de roomse beschouwingswijze. Zondag 9 en 10 bevatten een leer van de schepping en de voorzienigheid, die weinig verband houdt met de belijdenis van elielndein zondag 2-4. Zondag 9 en 10 vormen ook geen goede inleiding op zondag 11, waar de naam Jezus zo verklaard wordt, dat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost. Bij de hoofdindeling maakt de behandeling van de ellende het wel duidelijk, waarom er verlossing nodig is, maar bij de verklaring van de Twaalf artikelen, waarbij de verlossing weer in het midden staat van drie delen, doet de leer der voorzienigheid dat niet. Zij maakt niet duidelijk, waarom Jezus op aarde gekomen is. Zij rept niet van de zonde en stelt ons tot de Vader in een natuurlijkerwijze dragelijke verhouding. Deze laatste staat logisch niet in betrekking tot wat er van zondag 11 af volgt. Wij kunnen die beide zondagen 9 en 10 alleen plaatsen als wij zien dat wij daarmee in een ander veld staan. Zij grijpen terug op een voorzienigheidsgeloof dat niet tot de eeuwige verkiezing doorgaat, maar dat alle mensen kunnen hebben. Het is vlakker dan dat van de echte gelovigen, hoeveel warmte het ook nog moge bezitten. Het is een stukje natuurlijke religie die de heidenen ook zouden kunnen hebben.
Natuurlijk gaat dit niet helemaal op. Zondag 9 en 10 kunnen niet helemaal uit de toon van het boek vallen. Zij grijpen door hun innigheid ook terug op zondag 1 en preluderen op zondag 23. Maar voor zover zij dat doen, staan zij niet op hun plaats; en voor zover zij het niet doen, laten zij ons zien, hoe de schepping staat in de roomse geloofsleer, en hoe zij in de onze daar geen goede figuur maakt. Wij nemen niet aan, dat wij een dubbele verhouding tot God hebben, de ene voor dit leven, de andere voor het eeuwige leven. Wij geloven, dat wij de keus hebben tussen leven en dood. Tussen de vloek der wet en de beloften van het Evangelie. En dat wij buiten dat Evangelie geen pied á terre hebben.
Wanneer wij nu verder vragen hoe het in dit opzicht staat met de Nederlandse geloofsbelijdenis, dan zou men, oppervlakkig gezien, geneigd zijn te zeggen, dat deze nog veel meer onder invloed staat van de traditionele beschouwingen en dat zij van de bijbelplaatsen weer geheel tot de geloofsartikelen is teruggegaan. Immers zij heeft de indeling van Calvijns Institutie gevolgd, op het spoor van de Franse, die in hoofdzaak van de hand van de Geneefse hervormer is. De indeling van de Twaalf artikelen is er gevolgd. En de geloofsbelijdenis van De Bray is in dat opzicht nog wat strakker van lijn dan de Franse en zeker dan het ontwerp van Calvijn zelf, dat daaraan ten grondslag ligt5.
Maar als wij nu de Geloofsbelijdenis op het punt van de schepping vergelijken met de Heidelbergse catechismus,6 dan blijkt, dat de leer der ellende en die der schepping elkaar in dit geschrift meer doordringen dan in de Heidelberger. Het opzeggen van de twaalf artikelen wordt nauw verbonden met de lezing van de Brief aan de Romeinen. Het is niet zo als in de Catechismus, dat ze beide een eigen verdeling meebrengen, die dan enigszins kunstmatig worden samengevoegd, zodat de schepping traditioneel behandeld kan worden. Neen, in onze geloofsbelijdenis wordt het trinitarische schema strenger gevolgd. Er wordt niet eerst over de wet en de zonde gehandeld, om dan pas op de schepping te komen. De Heilige drievuldigheid wordt, na een inleiding over de Godskennis, dadelijk te berde gebracht. En dan handelen artikel 12 en 13 zoals het schijnt over schepping en voorzienigheid. In artikel 14 volgt eerst nog de schepping van de mens en dan pas komt de val en de erfzonde. Maar wie deze artikelen nauwkeurig leest, merkt, dat hier over schepping en voorzienigheid nergens zo neutraal gesproken wordt als in zondag 9 en 10. Zij worden veel dieper in de spanningen van de eigenlijke geloofsleer getrokken. Er is in de confessie van De Bray geen aanleiding om over regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren te spreken. De leer der voorzienigheid houdt niet die algemeen-religieuze toon, zodat wij ze ook bijv. bij Plutarchus zouden kunnen terugvinden.7
De leer van schepping en voorzienigheid in onze Confessie is meer bijbels gehouden. Zij staat geheel in de sleutel van de val en de daaruit voortvloeiende erfzonde en ellende. Het is geen religieuze idylle die ons hier getekend wordt, maar bijbelse geschiedenis met alles wat daarin voorkomt.
De eerste schepping zien wij daarbij overgaan in de val der boze engelen, "als moordenaars loerende op de kerk".d In het volgende artikel wordt de voorzienigheid Gods zo bepaald, dat God "zijn werk beschikt en doet, ook neer de duivelen en goddelozen onrechtvaardig handelen". Artikel 14, waarin de schepping van de mens behandeld wordt, geeft geen uiteenzetting van de waarde des mensen. Wel wordt in het begin van het artikel in bijbelse termen over het beeld Gods aan de mens gesproken, maar dat wordt hier bij wijze van tegenstelling gezegd. Een leer van de mens, in positieve zin, een beeld der ere, wordt er niet gegeven. Het stuk is geschreven om de demonie van de val tot uitdrukking te brengen. Het is verwonderlijk dat men dit meestal zo weinig opmerkt en zich midden in het catastrofale geweld van het artikel, als aan strohalmen poogt vast te houden aan de "kleine overblijfselen", waarvan het spreekt. Dat het wezenlijk over de val en niet over de schepping gaat, althans niet over vormgeving maar over oordeel, dat blijkt nog duidelijker als men de oorspronkelijke Franse tekst van 1561 of de Nederlandse vertaling daarvan van 1562 ter hand neemt.8 Daarin wordt de gelijkenis Gods nog hoger gesteld: "er ontbrak alleen aan dat hij God was." Maar dit geschiedt alleen om de val des te dieper te doen zijn en hem "den vee gelijk"e te maken. Deze uitdrukkingen komen niet voor in de Franse geloofsbelijdenis en zij zijn ook uit de Nederlandse uitgezuiverd. Deze laatste is later min of meer gehumaniseerd en de demonie is wat teruggedrongen. De oorspronkelijke figuur verraadt zich nog slechts in een enkel zinnetje: "Maar als hij in ere was, zo heeft hij het niet verstaan."f Dat is thans enkel een aanhaling uit een psalm, maar was oorspronkelijk uitdrukking voor een opvatting van de val, waarvan de trekken ook elders zijn aan te wijzen. Het jansenisme heeft daaraan de volste vorm gegeven.
Maar ook de meer sobere uitdrukkingswijze van de Franse geloofsbelijdenis en van de herziene Nederlandse blijft zich in dit artikel bezighouden met de val en met de schepping alleen, voor zover zij criterium is voor de diepte daarvan. De eerste zegt, dat door de vervreemding van God de natuur des mensen helemaal (du tout) bedorven is en dat deze zijn volmaaktheid verloren heeft, zonder er iets van over te hebben (rien de résidu). Wel maakt de mens nog enig onderscheid tussen goed en kwaad, maar toch belijden wij, dat dit licht in duisternis verandert, als er sprake is van God-zoeken. Door zijn verstand komt hij geen stap dichter bij Hem. Met de wil is het evenzo. Daarmee kan hij wel 'dit of dat' willen, maar de wil blijft gevangen onder de zonde en heeft geen vrijheid ten goede dan alleen voor zover God het geeft. Men lette hier op de nevenstelling van het goed en kwaad, waartussen wij onderscheid maken, het dit of dat, dat wij willen. Ten opzichte van het oordeel staat het eerste niet hoger dan het laatste met betrekking tot de wil. Geen overblijfsel (rien de résidu), zo staat het hier. De kennis des goeds en des kwaads is in deze leer, zoals ook in de bijbel zelf, een moment in de val zelf. Het onderscheid is niet groter dan tussen het 'dit of dat', dat wij willen. Het verstand blijft verduisterd, zoals de wil onvrij blijft. Een leer van de mens, een positieve antropologie, is dit niet. Het is een ontkenning van verstand en wil in de ware zin dier woorden.9
Minder kernachtig, wat uitvoeriger en met bijbelteksten bewezen, staan dezelfde dingen in de Nederlandse geloofsbelijdenis, zoals die te Dordrecht werd vastgesteld.10 Wel was het artikel, als belijdenis van de val, reeds vroeger ietwat gezuiverd en van zijn bijna-mythologische trekken ontdaan, maar de 'kleine overblijfselen', waarvan hier sprake is, willen evenmin een grondslag voor een leer van de mens zijn als het 'geen overblijfsel' van de Franse confessie. In die laatste wordt gezegd dat, wat over is voor het verkeer met God, van geen betekenis is; in de onze nog bovendien, dat het ons voor God nog schuldiger maakt.
Als geheel genomen blijft artikel 14 van onze Confessie een verschil vertonen met het overeenkomstige uit de Franse. Ook nadat de boven aangegeven versobering heeft plaatsgehad, blijft het de beschrijving van een gebeurtenis, terwijl het Franse nog met een toestand rekent. Het is minder verstandelijk dan dat van Calvijn en bezit epische trekken, die aan Vondel en Milton doen denken.
De geschiedenis uit Genesis 3 is erin; de mens heeft het oor geboden "aan het woord des duivels". En de gevolgen worden beschreven als in Romeinen 1 en 2. Het is weergave van bijbellezing, meer dan traditionele leer. Niet een artikel van het Apostolisch Credo, maar een voorname plaats (locus) uit de Schrift. Het is de leer der ellende, naar de hoofdindeling van de Catechismus en niet het stuk der schepping uit zondag 9 en 10.
Daarom vraagt men zich af, of de val ook grenzen heeft. Wanneer er dan geen leer van de mens is, ook al laat het artikel na zijn herziening niet meer de hele ruimte tussen God en het vee voor de val open, - als er dan toch geen leer van de mens is; geen juiste bepaling van zijn vermogens: geen verstand, geen wil, maar duisternis en slavernij; als hij tenminste met zijn verstand God niet kan kennen en met de wil het goede niet bereiken; als er althans geen verstand en wil zijn die in een geloofsartikel thuisbehoren, omdat zij aan het verstand en de wil van God niet gelijkvormig zijn; als het goed en het kwaad dat de mens zelf zou kennen, en het 'dit of dat' dat hij kan willen, voor de ere Gods en voor zijn eigen zaligheid zonder betekenis zijn; wanneer het bij de schepping waarmee wij werkelijk in aanraking komen, niet gaat om een vorm, maar om een val - waar zijn dan de grenzen van die val? Waar is hij begonnen en waar zal hij eindigen?
Dit is een vreselijke vraag, die wij alleen in het gebed aan God kunnen stellen en daarom ook in de theologie. Wie haar van een andere zijde tracht te benaderen, moet wel tot twijfel en wanhoop vervallen. - Wanneer in de eerste uitgave van onze Confessie de benedenste grens bij het vee gesteld wordt, dan is dat niet biologisch bedoeld, maar er schuilen bijbelse voorstellingen achter. In Psalm 49 maakt de dood de mens, die in waarde - dat is in ere of aanzien - is, maar geen verstand heeft - geen wijze is - aan de beesten gelijk. Dat is genomen uit de theologie van de oudtestamentische wijsheidsleraars en spreukendichters. In Daniël 4 overkomt het Nebukadnezar bij zijn leven. Onze Geloofsbelijdenis past het op Adam toe: Als hij in ere was, zo heeft hij het niet verstaan. Hij is niet wijs geweest; dat hij daarom aan het vee gelijk geworden is, stond er oorspronkelijk wel, maar werd sedert 1611 vervangen.11 Dat is enerzijds jammer, omdat de voorstelling nu niet meer compleet is, maar anderzijds is het goed, wijl daarmee het gevaar ondervangen is, dat de val een biologische grens zou krijgen. Er is van de oudheid af een populaire filosofie, waarin de mens de ruimte tussen God en mens en de dieren restloos opvult. De val zou dan kunnen betekenen, dat hij op de benedenste grens werd teruggeworpen. Wanneer de mens een met rede begaafd dier is (animal nationale) en hij "het niet verstaan" heeft, maw. zijn rede heeft verloren, dan zou hij aan het vee gelijk worden. Hij zou niet meer homo sapiens - d.i. mens - zijn. Zulke voorstellingen heeft onze Confessie vermeden, omdat zij haar naar de wezenlijke bedoeling van het begin af ook vreemd waren. Zulk een betrekkelijk veilig terugzinken op een lagere trap, op een beschermende grens, is de val niet. Wanneer in art. 14 de verlichte rede en de vrije wil ontkend worden in de gevallen mens, dan is dat erger dan dat de specifieke kenmerken van een soort wegvallen, waardoor deze eenvoudig door een lagere groep zou opgevangen worden. Een gevallen engel wordt geen mens maar een duivel; een gevallen mens wordt geen dier, maar onder hem dreigt de verdoemenis. Een grens is hier niet te zoeken; 'kleine overblijfselen' hebben in dit verband geen positieve betekenis. De plaats waar de verlichte rede aanwezig was, wordt buitenste duisternis en de verdwenen vrije wil laat geen ledige plaats achter, maar schept een chaos. Het is een val en geen vorm die wij in art. 14 belijden.
Toch zijn wij altijd weer geneigd in de 'kleine overblijfselen' uit art. 14 van de Ned. geloofsbelijdenis een zekere troost te zoeken, alsof de val tenslotte ergens op stuit en alsof er in de schepping ergens een meet zou lopen, die hij niet zou kunnen passeren. Dit zouden dan de vonkskens zijn, waar Calvijn over spreektg en de 'kleine overblijfselen' van art. 14 der Nederlandse geloofsbelijdenis,h zodat het 'rien de résidu' van de Franse als een overdrijving zou moeten worden aangemerkt.
Nu is het waar dat Calvijn, in zeker verband, tot het menselijk leven (humanitas) gaarne bepaalde stukken rekent, die hij daarvan onafscheidelijk acht, o.a. de kerkelijke en burgerlijke orde en de moraal.i De toestand die daarbij bestaat, noemt de hervormer humaniteit. Het zijn de uiterlijke middelen, die God in dit leven de pelgrim naar de eeuwigheid heeft meegegeven, zolang hij op aarde is. - Maar wanneer Calvijn in het vierde boek van zijn Institutie deze leer van de middelen opstelt, dan doet hij dat niet aan de benedenste, maar aan de bovenste grens van de humaniteit. Hij is dan niet bezig een scheidslijn tussen de mens en het vee te trekken, maar tussen God en mens. Mensheid wil hier zeggen, dat wij maar-mensen zijn en niet bijna goden. Wij hebben de hulpmiddelen die God heeft ingesteld om de vergadering der uitverkorenen mogelijk te maken, nodig en mogen ze niet verachten. Calvijn keert zich daarbij tegen de dopersen, die dat wel deden. De hier bedoelde menselijkheid is dus geen overblijfsel van de oorspronkelijke schepping, maar een middel tot bescherming van de herschepping.
Iets anders is het, wanneer Calvijn in boek 1 en 2 van zijn Institutie handelt over het beeld Gods en daarbij de zielsvermogens van de mens, verstand en wil, bespreekt. Maar daarbij gaat hij dan zo te werk, dat alle valse gronden worden weggenomen. Hij meent met Chrysostomos, dat de humilitas het fundamentele van onze levensbeschouwing moet zijn, en rept daarbij niet van humanitasj Wilt gij met God delen, zo haalt hij Augustinus aan, neem dan de zonde weg, want de gerechtigheid is van God. Van uzelf zijt gij een Satan, dat gij zalig wordt hebt gij van God. Calvijn stelt als grens van de val niet de 'cleyne voncxkens'k die zo beroemd zijn geworden en die dat zo weinig verdienen. Doedes heeft dat niet begrepen. In zijn verklaring van art. 14 schrijft hij: "Hier is het artikel met zichzelf in tegenspraak. Indien de mens al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen heeft, door de zonde heeft verloren, dan heeft hij er niets van overgehouden, en indien hij van die gaven niet anders heeft overig behouden dan kleine overblijfselen derzelve, dan heeft hij ze niet geheel verloren. Dit is zeer duidelijk."l - Dit is niet duidelijk. Want als er van de gerechtigheid een aanklacht overblijft, van de heiligheid zonde, van de kennisse Gods duisternis, van de vrije wil slavernij, dan is er niet alleen niets, maar minder dan niets overgebleven. Doedes blijkt dat ook zeer juist in te zien, als hij dadelijk daarop schrijft, dat "hier gesproken wordt van gaven die men òf heeft òf niet heeft, maar die men nimmer ten dele heeft."m Hij valt eigenlijk alleen over de keuze van die beide bekende woordjes, die alleen uit het geheel van Calvijns Institutie zijn op te helderen. Uit de Franse geloofsbelijdenis en uit de oorspronkelijke Nederlandse, blijkt trouwens, dat ze voor het geloof niet als overblijfselen gelden en dus eigenlijk ook als zodanig geen bestanddelen van de Confessie Zijn.
Onze Belijdenis kent een ander antwoord op de vraag naar de grenzen van de val. Deze wordt niet ergens gestuit door overblijfselen of door de humaniteit of zelfs door de conditie van het vee. Dat zou een zielige belijdenis zijn. Dat blijkt wel heel duidelijk hieruit, dat op art. 14 over de val, een art. 15 over de erfzonde volgt. "Wij geloven", zo begint het, "dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het ganse menselijke geslacht, welke is een verdorvenheid der gehele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hun moeders lichaam en die in de mens allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel daarvan; zij is daarom zo lelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menselijk geslacht te verdoemen."12 De verdoemenis is hier een grens en een andere is er niet, wanneer God niet tussenbeide komt. De val gaat zo ver als hij kan, omdat hij afval is van God. Onze belijdenis zegt: "En heeft zich van God, die zijn ware leven was, afgescheiden."13 Daarom wordt hij niet gemeten met biologische categorieën of door wijsgerige onderscheidingen en bepalingen van onze moraal, maar door de oordelen Gods. Wat afval van God betekent, staat God ter beoordeling. Hij wordt daarom in art. 14 beschreven met bijbelse uitdrukkingen als: geheel verdorven natuur, lichamelijke en geestelijke dood, vijandschap tegen God.
Deze dingen staan in onze confessie in die artikelen, waar men, volgens de indeling in schepping, verlossing en heiliging, billijkerwijze heel andere dingen zou verwachten. Wanneer dan al niet een vormleer van het geschapene, dan althans een vrome uitbeelding van het voorzienigheidsgeloof in de geest van zondag 9 en 10 en van vele stukken uit de christelijke liederenschat. Deze schijnt in art. 13 ook aanwezig te zijn. Maar nauwgezette lezing overtuigt ons, dat dit artikel, naar zijn eigenlijke bedoeling, handelt over de regering Gods over duivelen en goddelozen, en over zijn macht om uit het kwade het goede te doen voortkomen.n
Het is een vervolg op art. 12, waarin de val der boze engelen beschreven wordt, en past dus geheel in de leer van de val en van de ellende. De eigenlijke strekking is een geheel andere dan die van zondag 10. De belangstelling is hier niet bij vruchtbare en onvruchtbare jaren, gezondheid en krankheid, maar bij "de rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn" en waardoor God het kwade in zijn macht houdt en aan de val een grens kan stellen. Deze verborgenheid neemt nog toe, als naar art. 14 de regering Gods de duivelen niet belet de mens ten val te brengen, die hun het oor leent; en naar art. 15, dat de erfzonde beschrijft, die genoegzaam is om het ganse menselijke geslacht te verdoemen.
Maar dan blijkt tenslotte ook, waar de strekking van deze hele artikelen-reeks over God de Vader op gericht is; deze wonderlijke leer, zogenaamd van de schepping, maar in werkelijkheid van de val. En toch weer niet van de val, maar van Gods macht over de val en van zijn goedheid, waardoor Hij hem een grens weet te stellen. Want deze stukken van onze Belijdenis zijn zwanger van een geheimenis. Zij willen dat niet geheel trachten te verklaren, maar er alleen van leren hetgeen God "ons aanwijst in zijn Woord"; verder willen zij de "rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn" niet curieuselijk onderzoeken.o
Wat daarvan dan voor wie leerjongeren van Christus zijn, openbaar is, dat wordt beleden in artikel 16: "Wij geloven, dat het gehele geslacht van Adam door de zonde van de eerste mens in verderfenis en ondergang zijnde, God zichzelve zodanig bewezen heeft als Hij is, te weten barmhartig en rechtvaardig. Barmhartig, doordien Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen die Hij in zijn eeuwige en onveranderlijke raad, uit enkel goedertierenheid, uitverkoren heeft in Jezus Christus, onze Here, zonder enige aanmerking van hunne werken. Rechtvaardgi, doordien Hij de anderen laat in hun val en verderf, waar zij zichzelven in geworpen hebben."14 Hier wordt de grens van de val aangewezen: het is de uitverkiezing Gods. Dit is het eindpunt van de leer van God de Vader en onze ellende. Op deze verborgenheid waren alle vorige artikelen gericht. Hier staat geen Hooglied der vormen, als ergens bij Cicero;15 geen stuk vol voorzienigheidsinnigheid als hier en daar bij Plutarchus.16 Hier staat de bijbelse leer der schepping, die ons in art. 17 in enkele ontroerende woorden wordt beschreven: "Wij geloven, dat onze goede God, door zijne wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de mens alzo in de lichamelijke en geestelijke dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, zichzelve begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood en heeft hem getroost, belovende hem zijn Zoon te geven."17 Deze leer van de hemelse Bruidegom, die aan de bevende en vluchtende, gevallen bruid op aarde door de Vader beloofd wordt, is van een inwendig schoon, waar geen vormenschoon bij haalt. En deze mystiek is van een innigheid, welke die van regen en droogte, loof en gras, verre overstraalt. - De Vader is dan toch ook de Schepper. Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus (Ef. 2 : 10). Maar Hij is het zo, dat de schepping bij de verlossing aansluit en er in overgaat. Het eerste stuk is van God de Vader en onze ellende.
Zo verstaan wij ook het geweldige art. 16, dat ik boven heb uitgeschreven. Daar staat dat God "uitverkoren heeft in Jezus Christus". De Zoon is de -rens van de val. Hij is het begin der schepping; de eerstgeborene aller creature (Kol. 1 : 15). Alles valt in Jezus' armen.
Artikel 16 beschrijft wat Calvijn genoemd heeft: het "vreeselick besluyt"p Gods. Bij de beschouwing van art. 14 over de val des mensen uit het beeld Gods, heb ik er al op gewezen dat de val gemeten moet worden door de oordelen Gods. Hier gebeurt dat nu. De 'horrenda deformitas',q waar toe het beeld Gods vervallen is, wordt voorwerp van een 'decretum horribile'. Wij zijn gewend bij een leer van de schepping andere adjectieven aan te treffen. De vormen brengen ons tot oordelen, waarvoor wij woorden gebruiken als mirabilis en magnificus. Maar de Here ziet het hart aan. Zijn oordelen gaan dieper. En zij passen beter bij de werkelijkheid dezer wereld.
Wij moeten met onze belijdenis in de weg van Gods oordelen blijven en mogen niet, op welke wijze ook, in die der vormen terugkeren. De weg naar het Paradijs is versperd door een engel met een vlammend lemmet. Alleen de weg naar Golgotha staat open. Artikel 17 staat als een handwijzer juist midden in onze Confessie, als op een tweesprong.
Vlak daarvoor staat het artikel over de grote verborgenheid, waaruit de openbaring uitgaat. Wie op dit punt onze belijdenis onderzoekt, zal moeten bekennen dat zij zich houdt aan het voornemen om de oordelen Gods "niet curieuselijk (te) onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan".r Want dadelijk in art. 17 wordt de weg der openbaring ingeslagen en die weg houden alle verdere artikelen. Het is de belijdenis der gemeente die in eeuwigheid niet zal ophouden, hoe God een grens aan de val heeft gesteld. Het is het stuk van God de Vader en onze ellende. Van God de barmhartige. Dat deze God ook rechtvaardig is, wisten onze vaderen zeer wel en zij hebben het ook beleden, maar niet verder onderzocht. Dat de val ook doorgaat tot de verdoemenis hebben zij niet ontkend. De wereld ontkent het, de kerk niet. Maar terwijl de gemeente leeft van Gods barmhartigheid, ondergaat de wereld Gods rechtvaardigheid. Want de dag van de Here der Heerscharen zal zijn tegen alle hovaardige en hoge en tegen alle verhevene, opdat hij vernederd worde ...
En tegen alle hoge toren en tegen alle vaste muur.
En tegen alle schepen van Tarsis. .s
Dat is tegen alle vaste vormen.
Maar een gebroken hart zal God niet verachten.t
Dat is de leer van God de Vader uit onze Belijdenis.