Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 4 · p. 13–16

Weergave

Dankrede1

Mijnheer de Rector Magnificus.

Gaarne maak ik gebruik van de bestaande gelegenheid, om na mijn promotie een enkel woord te spreken.

Ik doe dat allereerst om de senaat dezer universiteit mijn diepe erkentelijkheid te betuigen voor de onderscheiding, die mij ten deel viel. Ik ben niet zonder schroom uit mijn gemeente naar deze stad gekomen om haar in ontvangst te nemen. Het gevoel van verrassing waarmee ik kennis nam van uw besluit van 1 oktober jl. was te groot, dan dat ik de titel als een rijpe vrucht zou kunnen zien, die mij in de schoot viel. Er schuilt altijd grootmoedigheid en royaliteit in de geste, waarmee een wetenschappelijke instelling de summos honores verleent. Allereerst echter wanneer, zoals nu, deze handeling niet met een gemediatiseerde noodzakelijkheid volgt uit de gedragingen van de kandidaat. De gedachte om het te doen, moet spontaan opkomen. Er zit gulheid achter het besluit dat mij hierheen bracht. En zo zal ik de mij verleende titel het liefst voeren als een geschenk.

De tweede reden waarom ik de senaat wil danken, is minder persoonlijk. Zij hangt samen met het feit dat ik theoloog ben. De theologie behoort zeer zeker tot het geheel der wetenschappen. Maar zij doet dat op een zeer bijzondere wijze. Daarom is ze vaak in de verleiding gekomen die plaats te handhaven door wat de biologen mimicry noemen. Zij deed alsof. Alsof ze geen theologie maar letterkunde of wijsbegeerte was. Het karakter der theologie geeft er aanleiding toe. De naam wijst het uit. Kan men 'God' en 'geleerdheid' tot één woord samensmelten?

Daarom aanvaard ik met grote blijdschap de titel. Wanneer er enige aanleiding bestond om hem te verlenen, dan kon die niet hierin liggen, dat ik mimicry zou hebben bedreven. Het theologisch gehalte van mijn publikaties was volgens velen zelfs te hoog karaats om bestaanbaar te zijn. - En nu het niet mij, maar de theologie zelve geldt, spreek ik niet meer van grootmoedigheid, en royaliteit, maar van gerechtigheid en eerbied. Als theoloog sta ik hier meo jure. De godgeleerdheid heeft, juist om haar paradoxale wetenschappelijkheid, een plaats aan de universiteit.

In de derde plaats ben ik de senaat dankbaar omdat dit doctoraat honoris causa een aanmoediging en een opdracht inhoudt.

Ik heb een kleine grief tegen de kerk. Ze doet soms haar dienaren met grauwe haren ten grave dalen. Zo om en bij de veertig jaar begint zij hen het stempel der seniliteit op te drukken. Heel anders dan in de politiek en bij het leger worden de latere jaren met negatief voorteken gerekend. - Ik heb het ongeluk van moederszijde af te stammen van een predikant, die geboren werd in het jaar van de vrede van Utrecht.2 Hij leeft thans niet meer, maar legde toch pas het hoofd neer in 1803, bene meritus de ecclesia op grond van 63 dienstjaren om daarna nog 5 jaren emeritus te zijn. Daarom verheug ik mij, dat de senaat dezer universiteit mij, die pas 32 dienstjaren heb, dat is goed geteld de helft van die van mijn voorzaat, aanmoedigt om voort te gaan. Wat de titel verder moge inhouden, toch zeker een opdracht om iets te doceren. Zoals de student niet zo mag heten a non studendo, zo de doctor niet a non docendo.

Mijnheer de Rector Magnificus, vergun mij thans mij enkele ogenblikken te wenden tot de theologische faculteit die mijn promotie voorstelde. Wanneer ik u, hooggeleerde Aalders, even mag voorbijgaan, omdat ik zo meteen tot u als promotor het woord wens te richten, dan kom ik tot u, hooggeleerde Van der Leeuw. Ik ben er trots op, dat een man van zo erkende wetenschappelijkheid en zo fenomenale belezenheid mijn kandidatuur heeft willen steunen. Maar ik denk nog meer aan iets anders. Ik bedoel het geleidend medium dat gij, door uw vriendelijke belangstelling, schept voor de theologische gedachte, van de Dollard tot de Schelde. Theologie is geen onderonsje, maar een kosmische aangelegenheid. Maar zonder een persoonlijk element is zij toch lamgelegd.

Ook gij hooggeleerde Lindeboom,3 verhoogt mij door uw toebehoren tot de faculteit, de vreugde van deze dag en de waarde van mijn titel. Op de vergaderingen van Kerkopbouw waart gij soms tegelijk mijn rechter- en mijn linker-, maar steeds een goede buurman.

Hooggeleerde Ubbink. 4Wie dogmatiek studeert komt allereerst in aanraking met de teksten van het Nieuwe Testament. Gij zijt een voortreffelijke gids voor allen die zich daarmee bezighouden. Ik verheug mij ook u te tellen onder degenen die mij voorstelden.

Ook u, hooggeleerde professor Van Veldhuizen,5 behoort tot degenen die gunstig adviseerden. Ik kan de tijd niet noemen, sedert wanneer ik begon kennis te nemen van uw van ontzaglijke belezenheid getuigende en vaak zo puntige geschriften. Ook u dank ik voor wat u aan mijn vorming bijdroeg.

Hooggeleerde Haitjema.6 Ik sta hier niet als dialectisch theoloog, maar in 't algemeen als theoloog. Toch moet ik denken en even herinneren aan het zeldzaam tijdsgewricht waarin de theologie heden ten dage staat. Gij zult het kunnen begrijpen, als ik zeg, dat dit doctoraat misschien niet zou verleend zijn, als de theologie niet zo bewogen was als thans het geval is.

't Minst bracht mijn kerkelijk en theologisch werk mij met u in aanraking, hooggeleerde Bleeker,7 oudtestamenticus. Maar de herinnering aan uw kennismaking gaat misschien 't verst terug. Gij zult het misschien het best begrijpen, als ik de promotie aan deze meest noordelijke universiteit zie tegen de achtergrond van het vlakke land, waaruit de Oldehove en de Martinitoren oprijzen. Land van wijde perspectieven, als de wintersport ons langs lijnen van geleidelijkheid van standpunt deed veranderen of van scherpe oriëntering bij de voorjaarssport. Als de vogel, die aan de academie vanellus vanellus heet, maar die wij noemden met de naam waarmee hij zich aan ons voorstelde, ons tot nauwkeurige plaatsbepaling dwong.

Hooggeleerde Promotor, ik moet naar de theologie terug en ik doe dat zeker als ik mij tot u richt. Wanneer ik de theoloog had mogen kiezen, met het oog op deze promotie, dan zou ik gezegd hebben: laat prof. Aalders het doen. Ik dank u voor de wijze waarop gij het gedaan hebt en voor uw initiatief. Gij weet hoezeer ik u hoogacht om uw persoonlijke en wetenschappelijke kwaliteiten. Als er iets is dat mij de moed kan geven de titel te aanvaarden, dan wel in de eerste plaats het feit, dat een theoloog van uw gehalte en een man van uw stoere rechtvaardigheid het voorgesteld heeft. Daarin ligt ook een opdracht. Gij kent de nood des tijds. Gij luistert naar de stemmen des tijds. Maar gij wilt dat de jongste doctor in de theologie in Nederland spreke en schrijve van stemmen uit een hogere sfeer.

Over die stemmen en die sfeer zou ik graag nog iets zeggen. Wanneer ik daarmee tot mijzelf kom zal ik toch niet veel over mijzelf zeggen. Ik heb de ronde gedaan langs de drie rijksuniversiteiten. Te Leiden deed ik mijn propaedeutisch; te Utrecht mijn kandidaatsexamen. Mijn doctoraal sloeg ik over. Ik verzoek de jongeren hieraan geen voorbeeld te nemen. Het is niet de kortste weg om naar het doctoraat te promoveren.

Toen ik in mijn vierde academische jaar naast de stof voor het kerkelijk examen de godsdienst van Israël en de dogmengeschiedenis bestudeerde, stelde ik mij voor in de pastorie de ethiek door te nemen. Maar gezellige collega's, het edele schaakspel en meerstemmige muziek brachten mij voorlopig daarvan af. Ik liet niet de studie, maar wel de handboekstudie varen en wendde mij tot de grote wereldlijke en kerkelijke schrijvers. Maar daarvan spreek ik nu niet.

Ik zou graag nog iets zeggen van meer elementaire dingen, over sfeer en stemmen. Over de schoot der vroomheid, de kerk, waarin ook mijn theologie is ingebed. Niet allereerst aan het kerkelijk instituut denk ik nu, maar aan de kerk als moeder. Ik denk aan de sfeer en de stemmen, zoals die openbaar worden in de huiskerk en de groep. De Schrift leerde ik kennen viva voce gelezen en niet als palimpsest. De mystieke tonen van psalmen en gezangen streken over het bewogen leven. Het gebed was geen formulier maar gemoduleerd, zoals het de Geest gaf uit te spreken. Rondom de huiskerk was de hele levenssfeer in beweging. Symbool daarvan blijft mij een zeldzame ervaring toen ik eens van de academie terugkerende op een afstand van nog geen vijf minuten gaans van mijn ouderlijke woning de 64 trillingen van de lage C van de bourdon op het huispijporgel kon waarnemen.

Zo heb ik de kerk leren kennen, vol sfeer en vol stemmen. En in die sfeer vormde zich viva voce de dogmatiek, de godgeleerdheid, die geen geleerdheid is: maar toch een universiteit kan doordringen.

Tussen deze kerk en de geïnstitueerde kerk is de grens, als men van de huiskerk uitgaat, niet scherp getrokken. In de preekkerk is de sfeer minder voelbaar; de stemmen zijn er klaarder. Maar er is geen klove. Een kerk die te ambtelijk wordt, te veel klare stem, afgepast wordt, bindt de tijd, de geslachten niet meer. Het Woord heeft een betekenis, maar ook een lading. En de bliksem der goddelijke dialectiek zou celebraal zijn, als ze haar contacten niet maakt in de sfeer der broederen van hetzelfde huis. Daarop de nadruk leggen is geen neoplatonisme maar paulinisch christendom.

Er is geen absolute tegenstelling tussen de dialectische theologie en de Groepsbeweging.8 De laatste is verbreding van de huiskerk die ik zopas karakteriseerde. De dialectische theologie komt van de zijde der geïnstitueerde kerk. Het gevaar dat zij loopt is dat ze de binding van de sfeer en de geladenheid van het Woord zal miskennen.

Tussen kerk en staat zelf zie ik, van de huiskerk uit, geen onoverkomelijke klove. Alleen als men andersom, van de staat tot de kerk komt, ontstaat de scheiding tussen kerk en staat, tussen kerk en huiskerk. De reden waarom de dialectische theologie de stemmen zo scherp afbijt tegenover de sfeer, is tenslotte in de politiek gelegen. Het profane leven openbaart z'n heidens karakter en daarmee raakt de natuurlijke theologie failliet. Zo moet alle nadruk op de stemmen vallen, omdat de christelijke klankadem, het trillingsbereik rondom de huiskerk, de moedersfeer des Geestes, wegvalt. Prediking wordt zending. De kerk blaast retraite. Kerk en staat treden tegenover elkaar; zelfs kerk en gezin vallen uiteen. Het parool des levens wordt oorlog.

Wanneer de richting omgekeerd is, als men van de huiskerk naar de preekkerk gaat en van de preekkerk naar de kerk van leven en werken, dan staat, dan staan de dingen anders. De pastoraal kan dan tot pastorale worden. Longfellow heeft die pastorale gezongen.

Deze jeugddroom zal ik nooit loslaten. Wij staan in oorlogshouding.
Maar wij bidden zonder ophouden om vrede.

Vergeef mij dat ik, de jongste doctor onder u, mijn visie gaf op het leven.

Ik dank u, mijnheer de Rector Magnificus, voor de gelegenheid die u mij gegeven hebt om het te doen.

Eindnoten

  1. 1

    Deze Dankrede sprak N. uit bij zijn promotie tot doctor honoris causa in de theologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen op 16 oktober 1935, op gezag van de rector magnificus prof. dr. L. Polak Daniëls. De tekst van de rede werd opgenomen in Woord en Dienst 20 (17.7.1971) nr. 14, p, 213-215. Zie voor Woord en Dienst VW., dl. 3, p. 504, noot 1↩

  2. 2

    N. doelt op Petrus de Gavere (1713-1803), die van 1739 tot 1798 predikant was te Oosterend. Een van zijn achterkleinkinderen, Anna de Gavere, was N.' grootmoeder van moederszijde.↩

  3. 3

    J. Lindeboom was vanaf 1914 hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis te Groningen. Zie VW., dl. 5, p. 105, noot 2. Als vrijzinnig theoloog was hij toegetreden tot Kerkopbouw Zie voor N.' verhouding tot de vrijzinnigen in KO. VW., dl. 5, nr. 15 en 18.↩

  4. 4

    J. Th. Ubbink (1885-1965), hervormd theoloog, vanaf 1930 hoogleraar te Groningen in de oudchristelijke letterkunde en de uitlegging van het Nieuwe Testament. U. schreef o.a.

    Het eeuwige leven bij Paulus. Een godsdiensthistorisch onderzoek (diss.; 1917). Hij werkte mee aan de bijbelverklaring Tekst en Uitleg.↩

  5. 5

    A. van Veldhuizen (1871-1937), hervormd theoloog, vanaf 1910 hoogleraar vanwege de Ned. Herv. Kerk te Groningen in de bijbelse en praktische theologie, de zending en de christelijke zedenleer. O.a. hoofdredacteur van het tijdschrift Nieuwe Theologische Studiën en initiatiefnemer tot de verschijning van de bijbelverklaring Tekst en Uitleg (1914-1949).↩

  6. 6

    Th. L. Haitjema was vanaf 1923 hoogleraar vanwege de Ned. Herv. Kerk te Groningen in de dogmatiek, de vaderlandse kerkgeschiedenis en het kerkrecht. Zie VW., dl. 3, p. 220, noot 2.↩

  7. 7

    L. H. K. Bleeker (1868-1943), hervormd theoloog, vanaf 1907 hoogleraar te Groningen in de geschiedenis van Israëls godsdienst, de letterkunde van Israël en de uitlegging van het Oude Testament. B. publiceerde in Theologische Studiën en Tekst en Uitleg. Hij was een der bezorgers van de uitgave van de Gezamenlijke geschriften van dr. Is. van Dijk, 6 dln., Groningen z.j. (1917 vv.). Vermoedelijk nam B. evenals N. deel aan de studiekring rond Is. van Dijk en kenden zij elkaar uit dien hoofde.↩

  8. 8

    Op het verschil dialectische theologie - Groepsbeweging gaat N. uitvoeriger in in zijn lezing De boodschap der Zwitsers (1937), opgenomen in VW., dl. 3, p. 668-67 1. Vgl. ook dl. 5, p. 441 v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De scheppingsleer van BarthInhoudVerschuivingen in de theologie van de laatste honderd jaar →