Communisme bij de Toradja's1
Ik wens u hedenavond iets mede te delen omtrent de indrukken die een bekend zendeling, Alb. C. Kruyt,2 bij zijn arbeid heeft opgedaan. De heer Kruyt gaf in 1907 vier lezingen uit onder de titel De inlander en de zending. We willen uit één dier lezingen enkele grepen doen, die over het communisme bij de Toradja's.
Eerst iets over de persoon van de zendeling Kruyt zelf. Zendeling A.C.Kruyt, wel te onderscheiden van zijn vader en broer, heeft gearbeid op Poso, midden op Celebes, daar waar ook de heer Adriani2 van het Nederlands Bijbelgenootschap werkt. Het is een eigenaardig arbeidsveld, dat Poso. Nog niemand is gedoopt; men werkt er Fries-christelijk-historisch.3 Het zou ons thans te ver voeren wanneer we het terrein in bijzonderheden trachtten te beschrijven. Genoeg, men heeft het hier te doen met heidenen, die nog niet in aanraking gekomen zijn met de islam, de mohammedanen.
Onder deze vrij wilde inlanders bleef zendeling Kruyt, nadat hij er door de assistent-resident Jellesma gebracht was, alleen achter. Op eenzame post begon hij hier zijn arbeid. Wij mogen er wel eens aan denken, wat deze mannen over hebben voor het koninkrijk Gods. En wanneer iemand die wel eens iets doet voor de zending, of bij gelegenheid een kleine gave afzondert, misschien zou menen dat hij al heel veel deed voor dit werk, die stelle zich eens voor hoe hij zich gevoeld zou hebben alleen midden op Celebes tussen deze heidenen. We moeten niet te spoedig denken dat we al heel ijverig zijn, maar hebben menigmaal reden ons te schamen. In 1895 kwam Adriani. Meer in het binnenland. Tegelijk een paar inlandse helpers uit de Minahassa.
Zoals we reeds opmerkten: de methode van zendeling Kruyt - en op dezelfde wijze werkt dr. Adriani - is een eigenaardige. Men jaagt niet naar een dopeling, maar zoekt het heidendom te ondermijnen en de grond voor te bereiden voor het Evangelie. De verwachting en hoop van deze beide mannen is dat deze wijze van doen bekroond zal worden met een overgang tot het christendom van het volk in massa.
Het kan natuurlijk niet anders dan belangrijk zijn te vernemen wat iemand, die een zo goed opmerker is als de heer Kruyt en een zo nauwgezet arbeider, over zijn werk heeft te zeggen. In een der lezingen waarover ik u sprak spreekt hij over het communisme der Toradja's, dwz. over de manier waarop de bewoners van Poso, want die heten Toradja's, onder elkander verkeren ten opzichte van hun arbeid, hun goederen enz.
Wij christenen en Nederlanders van de twintigste eeuw verkeren in een zekere middentoestand. In de toestand waarin de Toradja's zich bevinden, in de natuurtoestand, hebben de mensen zo ongeveer alle dingen gemeen. Maar dat is de gemeenschap van de natuurlijke mens, gegrond op welbegrepen eigenbelang. En het moet er ook weer heen, dat we alle goederen gemeen hebben, maar dan niet op grond van welbegrepen eigenbelang, maar in de liefde geworteld en gegrond. Niet meer als een natuurstaat, maar in gemeenschap des Heiligen Geestes.
De opmerkingen van zendeling Kruyt geven ons hiervan het bewijs. De Toradja's dan kennen geen andere band dan die der bloedverwantschap en alleen die op gelijke graad van afkomst staan zijn volkomen aan elkander gelijk. Broeders, neven, achterneven zijn gelijk aan elkaar. Een achterneef staat tot een neef in de verhouding als een zoon tot zijn vader en noemt hem ook oom of vader. Wordt tenslotte een stam te groot, dan splitst ze zich vanzelf in tweeën, niet met opzet, maar als van zelf, zoals een grote waterdroppel in tweeën zich deelt. Want een droppel moet rond blijven en in een stam moet de een om de ander geven. Een vreemde geldt dan ook evenals bij alle natuurvolken als een vijand. Komt nu een zendeling of komen inlandse helpers in deze gemeenschap binnen dan worden ze gewantrouwd, of wanneer men ze niet meer vreest geëxploiteerd, men zoekt er voordeel van te halen. Zijn fouten worden meer dan die der stamgenoten uitgemeten en onbetaalde hulp krijgt hij moeilijk.
Wanneer dan ook zendeling Kruyt of dr. Adriani een reis ondernamen in Midden-Celebes waren de bevriende Toradja's steeds verbaasd dat ze er heelhuids afkwamen. Zelf zouden ze zo iets niet wagen, wanneer ze niet een vriend en beschermer in de vreemde stam hadden. Kan iemand echter van de mensen bewijzen, dat hij familie van hem is, dan zal hij hun het nodige beslist geven.
Ge moet daarom echter niet denken dat de Toradja's onbeleefd zouden zijn tegenover vreemdelingen. Plompweg iets weigeren doen ze niet. Ze zullen bijv. zeggen: wanneer wij het hadden, zou u het niet behoeven te kopen, we zouden het u geven. Voor wie hen echter beter leert kennen blijkt dat deze beleefdheid het gevolg is van vrees in menig geval. Hij is altijd bang dat een beledigde hem zal vervloeken en dat van die vloek iets zal nakomen.
Een dorp, dat is eigenlijk één grote familie. Zo gevoelt men het ook. Stel dat iemand een misslag heeft begaan of schulden heeft gemaakt, dan sluiten allen zich aaneen om het gevaar af te wenden. En bij zulk een gelegenheid komt het uit wie de flinkste is, de dapperste, wie het meest geschikt is voor anderen op te treden. In moeilijke omstandigheden komt zulk een man vanzelf naar voren. Is hij een krachtige persoonlijkheid, dan schikken zijn dorpsgenoten zich gaarne onder zijn leiding en zonder dat hij in rechte iets meer te zeggen heeft dan de anderen, zien we hoe zulk een zeggenschap als vanzelf ontstaat. Van dwang is geen sprake. Het gaat alles als vanzelf. Geen eigenlijk gezag, maar leiding gegrond op invloed en berekening.
We kunnen bij deze dingen telkens opmerken dat veel wat in onze tijd door sommigen begeerd wordt, eigenlijk behoort tot de natuurstaat. Zeker, het zou heerlijk zijn wanneer in onze menselijke samenleving de hoogste eenvoud heerste, wanneer als vanzelf de beste naar voren kwam, maar we moeten nooit vergeten dat deze dingen niet maar zo neergezet kunnen worden, maar dat wat velen zoeken in de natuurlijke weg eigenlijk het Koninkrijk der hemelen is. Dat het verwezenlijkt moet worden langs geestelijke wegen en door geestelijke groei.
Maar we keren tot ons stamhoofd terug. Ontstaat er oorlog dan heeft hij de leiding. Moet er onderhandeld worden met een tegenpartij die het dorp wil beboeten, dan zal daarbij blijken wie het handigste zijn argumenten weet te vinden. Wanneer hij een energiek mens is, kan zijn invloed op zijn dorpsgenoten zeer groot worden, want de Toradja's zijn vreesachtig en onderwerpen zich gaarne aan een krachtige natuur. Bij dat alles is echter van dwang geen sprake. Men gehoorzaamt omdat het belang van het dorp het meebrengt. Voordeel geniet het dorpshoofd dan ook minder dan eer. Wel krijgt hij een deel van iedere boete die geïnd wordt, maar daar heeft hij ook heel wat voor moeten lopen en praten en tijd en arbeid aan zijn rijstveld moeten onttrekken. Bovendien schenkt men hem gaarne deze vergoeding, want deed men het niet, dan zou men straks misschien tevergeefs zijn hulp inroepen. Alweer dus hier het goed begrepen eigenbelang.
Deze gewillige gehoorzaamheid heeft echter een schaduwzijde ook. Wij belijden in onze Geloofsbelijdenis, 'dat de overheid het zwaard niet tevergeefs draagt'.' En nu is juist dat vrijwillige bij de Toradja's een reden waarom hun maatschappij niet vooruitkomt. Vele van hun hoofden staan boven het volk in inzicht en ontwikkeling. Ze zien wel in dat veel verbeterd zou kunnen worden, maar ze kunnen hun volk er niet toe dwingen. Ze zouden hun invloed verliezen en daar ze eerzuchtig zijn, zouden ze daar moeilijk tegen kunnen. We zien dus ook hier weer wat er waar is van het voorgeven dergenen die zeggen dat de dwang in onze maatschappij uit den boze is. Integendeel, ze is uit God en de overheid is Gods dienaresse. Het treedt ons hier aanschouwelijk voor ogen. Zeker, er is een vrijheid der kinderen Gods die hoger staat. Christus bereidt zich een gewillig volk op de dag zijner heirkracht. Maar dat is de vrijheid des Geestes en niet der natuur, zoals men het wil; de vrijheid der liefde en niet van het goed begrepen eigenbelang. Men vergeet met de zonde te rekenen als men terug wil naar de natuurstaat en wanneer men meent dat dwang en gezag uit den boze zijn.
En nu letten we nog op een andere zijde van het leven der Toradja's. ⚑Doordat de Toradja's communistisch, d.i. gemeenschappelijk leven, hebben de leden van zulk een broederschap of stam alle goederen gemeen. Zo is het bij de Toradja's. Persoonlijk bezit van de Toradja's is eigenlijk alleen z'n hakmes. Buffels behoren aan de broederschap, aan het dorp. Stel dat iemand voor geld dat hij verdiend heeft een kist met kleren koopt, dan is hij die binnen zeer korte tijd kwijt, want ze wordt hem eenvoudig afgevraagd en weigeren doet men niet. Men geeft wat gevraagd wordt. Kledingstukken, wapenen enz. rollen het gehele dorp door, nu eens het zgn. eigendom van de een, dan van de ander, tot zij hem weer afgevraagd worden. Wil de Toradja iets voor zichzelf behouden, dan moet hij het verbergen. Soms ook brengt hij het bij de zendeling. Zo gaan de Toradja's soms naar de bossen van de Soemara-vallei, niet alleen, maar in gezelschap. Ze verzamelen daar gom. Zij doen dit om schulden die ze hebben te delgen, want om rijk te worden, daaraan denken ze niet. Komen ze nu met hun verdienste thuis, dan moeten ze die weer delen met degenen die thuis gebleven zijn. Weigeren mag men niet.
Dit vragen strekt zich zelfs uit buiten de broederschap. Zodra de Toradja met iemand op voet van vriendschap is gekomen, vraagt hij u van alles. Maar dan neemt men een weigering niet kwalijk. De Toradja zelf weigert aan vreemdelingen zelfs niet licht; zo is hij doordrongen van het gevoel dat niets zijn absoluut eigendom is. Er is zelfs onder die Toradjastammen een stam die berucht is door het stoute vragen dat hij doet. Dekens en hoofddoeken vragen ze de mensen en als ze bezwaar maken omdat ze er niet buiten kunnen brengen ze er een oude voor in de plaats. De To Napoe, zo heten ze, zijn daartegenover ook weer goedgeefs. Zo waren er eens vierjonge Toradja's uit een andere plaats met hun hoofden meegegaan naar Napoe. Hun werd schier alles afgevraagd. En uit balorigheid gingen ze op een wandeling door de rijstvelden overal de drinkpotten en de drinknappen afvragen. Niets werd hun geweigerd. Ze waren er verbaasd over. Maar ze konden er niets mee en wierpen ze op hun tocht door de wildernis weg.
De gemeenschap van goederen bij de Toradja's doet ons eigenaardig aan. We worden genoopt om te vergelijken met onze toestanden. We denken onwillekeurig aan de christelijke gemeente in dorpen in ons vaderland en vergelijken met de gemeenschap van goederen de toestanden onder ons. We denken aan de vrijgevigheid onder ons. Hoe geheel anders. Hoe zou het iemand vergaan die hier ging vragen: geef mij dit eens of geef mij dat? Zou het lang duren voor hij een weigerend antwoord kreeg? Of reeds dadelijk? We moeten eerlijk zeggen dat het in onze christelijke dorpen vaak moeite kost iets los te krijgen en dat er van gemeenschap van goederen wel heel weinig gezien wordt. We mogen ons wel eens schamen. Maar zouden we terug moeten naar deze natuurtoestanden? Moeten we socialist zijn? Neen! De weg ligt voorwaarts, niet terug. Eigendom is vooruitgang vergeleken bij een communisme, een gemeenschap van goederen als de Toradja's. Want wat zijn de gevolgen van dit communisme? Het doodt alle energie bij deze natuurmensen. Waarom zouden de energieken zich inspannen daar toch van hun resultaten het meest geprofiteerd wordt door de minder energieke leden van de stam. Waarom zouden ze hun best doen? Het wordt hun toch afgevraagd.
In tijden dat er schaarste van rijst was vroeg zendeling Kruyt wel eens, waarom een der meer gegoeden niet een van zijn buffels verruilde tegen een goede hoeveelheid rijst. Men antwoordde niet veel daarop, men zei: we kunnen het nog wel een poosje uithouden met sago en boombladeren. De eigenlijke reden ontdekte hij later. Men dacht: het geeft mij niet. Ik moet het toch weer weggeven. Ge gevoelt dat deze gemeenschap van goederen niet rust op het gebod der liefde, maar geworteld staat in het goed (of slecht) begrepen eigenbelang. Het is niet: al het mijne is het uwe, maar al het uwe is het mijne. Het rust op het vragen meer dan op het geven. Men moet geven en gevoelt er zich niet toe gedrongen.
En zo zeggen we ook weer hier: niet terug! Eigendom is vooruitgang tegenover deze natuurlijke gemeenschap van goederen, evenals het gezag tegenover de natuurlijke vrijheid en vrijwilligheid. Zoals die vrijwilligheid de vooruitgang terughoudt, zo hier de gemeenschap van goederen. Tot zulk een gemeenschap van goederen moeten we niet terug. Dat zou zijn een terugval tot de natuur en tot nog groter egoïsme. De eigendom schept tenminste de gelegenheid om uit vrije wil iets te geven, dwz. uit liefde en niet uit eigenbelang. We denken aan Petrus' woord tot Ananias en Saffira: was het niet het uwe? (Hand. 5 : 4). En daarom: de gemeenschap van goederen ligt vóór ons. Alle goederen gemeen te hebben, daarvoor is eigendom de onmisbare voorwaarde. Het is een gemeenschap van geven en niet van nemen. Een gemeenschap des Geestes en niet van natuur. In het geven betoont de Geest de liefde die dringt en die de gave vergroot om zich te uiten.
Maar met zulk een beschouwing zijn we nog niet gereed. We mogen dan niet zeggen: ziet, nu zet ik mij rustig weer neer bij mijn bezit en zeg: mijn is mijn en gij blijft er af. Neen, pardon, daar zijn we allerminst mee klaar. We moeten ons zelf afvragen, wanneer we dan niet terug willen naar de natuur en de natuurstaat met zijn eigenbelang, maar naar de staat des Geestes en der liefde: waar, waar zijn dan de vruchten des Geestes? Waar de werken der liefde? Men moet met de Geest toch verder komen dan met de natuur en met de liefde meer bewerken dan met het welbegrepen eigenbelang? Hebben we anders het recht zendelingen uit te zenden? En we vragen het niet zonder ontroering: zou er niet in menig opzicht omgekeerd veel voor een Toradja-zendeling onder ons te ⚑doen zijn? Wij mogen dan ook nooit, ook niet op sociaal of maatschappelijk gebied, conservatief zijn. We mogen niet eenvoudig zweren bij de eigendom en zeggen: mijn is mijn. Eigendom is middel tot liefdebetoon. De gulden of rijksdaalder, het dubbeltje of het kwartje dat ik in mijn beurs heb heeft voor mijn leven een zekere betekenis. Ik kan er voedsel voor kopen of kleding, omdat het 't mijne is. Maar dat is de geringste betekenis. Dat heeft de Toradja ook en dat kan hij ook. Maar het bezit heeft voor ons een hogere betekenis ... Het is middel tot geven. Wij kunnen geven. De Toradja niet. Omdat zij eigenlijk geen eigendom hebben. Hem wordt alles afgevraagd. Wij kunnen vrijwillig geven. De eigendom moet ons zijn middel tot betoning des Geestes en der liefde. Anders is het ballast die ons ter helle trekt. Er wonen genoeg mensen op christelijke dorpen die toonbeelden zijn dat de eigendom hen bederft en in hen de liefde doodt. Het was beter voor hen Toradja's te zijn, al sieren ze zich met christelijke namen. De liefde werd dan tenminste niet gedood, maar bleef sluimeren. De eigendom moet de liefde wekken. De huisvader werkt allereerst voor zijn gezin. Dat maakt hem de arbeid zacht. Dat is het naaste. Maar daaroverheen moet zijn hart verwijd om de wereld te omvatten, zoals Christus hem de einden der aarde heeft aanbevolen. En zo zegt het het formulier, dat hij arbeidt om iets te hebben om mede te delen tot nooddruft van anderen en het koninkrijk Gods. Zo worden we heengewezen naar de gemeenschap des Geestes en van goederen van de eerste christelijke gemeente. En zo verstaan we bovenal het Lukasevangelie, dat zo vol is van waarschuwingen tegen de gevaren van de eigendom. De eigendom is middel voor het koninkrijk Gods, tot betoning van liefde. Dan wordt de dode gulden, of het kwartje, of het dubbeltje, of ook de cent opgenomen in de levende gemeenschap des Geestes. Dan wordt het een instrument voor de bewegingen uws gemoeds. Maar dan versta ieder de gelijkenis van het penningske van de weduwe. Alles moet naar evenredigheid zijn. En wie iets geeft en er niets van merkt dat hij iets geeft, omdat de gave hem geen enkele opoffering kost, die geeft niet, maar geeft in schijn. Die oefent zich niet in de liefde, maar in zelfbedrog en in hebzucht. Daar ligt onze weg vooruit. Niet terug, maar 'vergetende, hetgeen achter is, zich uitstrekkende tot de prijs der roeping Gods' (Fil. 3 : 14). Want achter ligt de zelfzucht en het egoïsme. In het communisme der Toradja's ligt op de bodem de zelfzucht. Zo brengt men voor het huwelijk van een der dorpsgenoten gemeenschappelijk de bruidsschat bijeen. Maar men hoopt dan omgekeerd, als er later een bruidsschat te verdelen valt, daarin ook te delen. En het is verwonderlijk zo goed als men al die bijdragen, klein en groot, weet te onthouden. Zo ook wanneer iemand door schulden dreigt geruïneerd te worden. Dan betaalt men gezamenlijk zijn schuld. Maar daarna staan deze 'losgekochten', zoals men hen noemt, niet meer geheel vrij tegenover de gemeenschap. Ze mogen zich niet elders vestigen. Zelfs een kleinkind van zulk een 'losgekochte' niet. Hier is dus niets te bespeuren van wat de Heiland wil: 'Laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet' (Matth. 6 : 3). En we denken aan de heerlijke woorden des bijbels, dat God 'mildelijk geeft, en niet verwijt' (Jak. 1 : 5).
Op één gebied gaat het gemeenschappelijke bij de Toradja's niet zo sterk door. Bij het onroerend goed, het landbezit. Daar spannen ze zich dan ook voor in. Wel geschiedt de landbouw ook gemeenschappelijk, maar men is verzekerd dat men er de vruchten van eigen inspanning genieten zal. Iedere Toradja kiest zijn eigen gebied uit. Wanneer hij bosgrond heeft gezien dat hij in het komende voorjaar wil ontginnen hakt hij op sommige plaatsen een stuk van een boom en klemt in de ontstane spleet een bosje gras of bladeren vast. Zolang iemand een veld in gebruik heeft is het van hem. Heeft hij dan de geplante rijst geoogst, dan maakt hij een gedeelte van hetzelfde veld schoon voor een tweede aanplant, maar daarna verliest hij het en verliest daarmee alle recht op die grond. Het kan dan dadelijk niet weer gebruikt worden om het vele onkruid dat er opschiet. Eerst moet er weer hout op groeien en het onkruid doden.
Voor de aanplant van een rijstveld is heel wat arbeid nodig. Het hakken van hout en het beteugelen van de enorme groei, ook van het onkruid, vordert heel wat inspanning. Moest ieder nu zijn eigen veld alleen doen, dan zou er geen egaal rijstveld ontstaan. Bijv. bij het zaaien dat met gepunte stokken geschiedt zou het ene al zijn opgekomen als het andere nog gezaaid moest worden. En voor het wieden gereed was zou een gedeelte van de rijst er reeds door verstikt zijn. Daarom doet men het samen. Eerst het ene veld, dan het andere.
We merken dus dat ook klimaat en andere invloeden een woord meespreken bij het bepalen van de maatschappelijke verhoudingen. Zo bouwt men ook gezamenlijk een huis. Soms gebeurt het dat de oogst zo totaal mislukt, dat men rijst om te zaaien lenen moet. Het hoofd van het dorp koopt dan vaak voor allen en deelt het uit voor niets. Ook hier komen weer allerlei overwegingen bij te pas. Allereerst geeft men meestal wat tot onderhoud van de soort moet dienen cadeau. Dan weet men dat men later zelf ook geholpen zal worden. En bovendien wordt hij niet graag gierig genoemd.
Weer worden we tot vergelijking gedrongen en dan denken we aan de speculatiezucht in onze christelijke maatschappij om in tijden van schaarste de prijzen zo veel mogelijk op te drijven en het koren in te houden. En we denken aan het woord van de Spreukendichter: 'Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk' (Spr.11:26). Men heeft in de negentiende eeuw zich warm gemaakt voor de onbeteugelde concurrentie en gemeend dat het een onbetwistbaar mensenrecht was, dat de een de ander dood mocht drukken. We willen deze vraagstukken thans niet behandelen. Maar onwillekeurig gaat men over zulke beweringen eens nadenken en vraagt of dat nu de vruchten des Geestes zijn en of er ook een Toradja's zendeling nodig is.
Wanneer we nog eens samenvatten, dan merken we dat de zgn. natuurtoestand, het alles gemeenschappelijk hebben, het vrijwillig gehoorzamen, het bereidwillige geven, uit de verte schoon schijnt. Het is dan ook niet geheel onbegrijpelijk dat men in de achttiende eeuw, toen men met zulke volkeren meer en meer in aanraking kwam, er een poos mee gedweept heeft en dat Rousseau en anderen geroepen hebben: tot de natuur terug. Maar zij die het Evangelie hebben te brengen aan deze volkeren weten wel anders. Zij ontdekken niet altijd dadelijk, maar op den duur het eigenbelang dat hier de grondslag uitmaakt en soms breekt dit dan ook uit, wanneer een of ander stamhoofd zich sterk genoeg voelt om het masker af te werpen. Dan wordt hij een tiran.
We merkten dit op bij het bereidwillige geven, bij het ontbreken van gezag en de vrijwillige gehoorzaamheid, in het algemeen bij het ontbreken van de eigendom. Wij zagen hoe hierin bij dit natuurvolk geen drijfveer naar hoger, maar een hindernis gelegen is om verder te komen. We merkten op, dat het gezag en de eigendom goddelijke instellingen zijn, waarvan we niet terug te vallen hebben in de natuurstaat, maar verder te gaan tot het koninkrijk Gods. Maar dan hebben we ook deze instellingen slechts als middel te beschouwen. Om der zonde wil slechts. Het zijn oefenscholen. Geboren moet worden het rijk des Geestes en der vrijheid. 'Daar is Eén uw Meester, en gij zijt allen broeders' (Matth. 23 : 8). Daar geldt het: 'Wie van ulieden de meeste wil zijn, die zij aller dienaar' (Matth. 20 : 27). Daar heet het: 'Maar indien gij aalmoes doet, zo laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet' (Matth. 6 : 3). En: 'Het is zaliger te geven, dan te ontvangen' (Hand. 20: 35).
Dat moet in ons geboren worden en in de Toradja. Alles wat uit dit geloof niet is, is zonde. En alles wat we buiten Christus hebben of houden, is stof en kaf, ergernis en dood. Zo bidden wij dan: 'Uw Koninkrijk kome' (Matth. 6 : 10). Dat zij zo!