Stichting dr. O. Noordmans
Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken

Verzamelde Werken, deel 1 · p. 78–86

Weergave

Beslistheid1

Toen, nu ongeveer twintig jaar geleden, de Doleantie een scheuring in onze kerk veroorzaakte die we nog altijd, vooral op kleinere plaatsen, smartelijk gevoelen, toen heeft men wel weinig verwacht van de zijde der gescheidenen dat in de Hervormde Kerk zulk een krachtige toeneming van de invloed van het Evangelie te wachten stond. Eer dacht men aan die zijde: Israël is uitgetrokken. Zij zijn achtervolgd door synodale wagenen en paarden en wat overblijft is hopeloos verkocht aan vreemde overheersing.

Hoe geheel anders hebben de toestanden zich ontwikkeld en hoe moeilijk is het ook voor het scherpste verstand de geest des tijds te kennen. Altijd weer blijkt het dat alleen een profetische geest, een Da Costa, (dwz. een geest die niet wil loslaten maar vasthouden) het meest gezien heeft van Gods raad. Niet omdat daar scherper kijk, maar groter hart aan het woord is. Omdat Gods gedachten altijd hoger zijn dan onze gedachten. Zijn hart altijd ruimer en voller van barmhartigheid is dan het ruimste christenhart.

Daarom krijgen altijd weer die berekenende geesten ongelijk die u met getallen en cijfers aanwijzen dat het zo komen moet. En komt er omgekeerd zo véél van wat de christelijke liefde die niet wil loslaten voorspelt, - niet omdat men zo wijs en verstandig was, maar omdat men iets had gezien van de verbondstrouw van God die werkelijk niet gemakkelijk loslaat.

En zo heeft het er in onze tijd veel meer van dat deze hooggeroemde reformatie, deze uittocht, volstrekt niet is geweest de uittocht uit het land der slavernij, maar veeleer de tocht van een woelige stam, van Dan, die niet tevreden met zijn woonplaatsen van de ene zijde der vaderlijke erve zich heeft verplaatst naar de andere en naar het noorden is getrokken en daar zich gevestigd heeft in de woonplaatsen van een stil en zeker volk en zo een gemakkelijke overwinning zich heeft bevochten. Maar intussen heeft de strijd in het midden des lands niet stilgestaan en heeft op Efraïms bergen (waar het gaat om het land en niet om een buitenpost, waar het gaat om de wijnbergen, om berg en heiligdom) steeds doorgewerkt de langzame doordringing van de Geest van de God van Israël en is dan weer deze, dan weer die post in handen gekomen van de wettige bezetters. Waar op dit ogenblik de verovering van het land Kanaän door Israëls stammen ons voor ogen staat, denken we er aan hoe langzamerhand die plaatsen, die door de vijand bezet bleven, als vanzelf werden opgenomen in de rij van Israëls steden. Er waren in die dagen vele plaatsen in Israël, waar de invloed gedeeld was, half Israëlitisch, half Kanaänitisch. Zelfs werd eenmaal een koningschap beproefd op deze grondslag. Abimelech, uit een Israëlitische vader en een Kanaänitische moeder gesproten. Maar dit koningschap bleek geen kracht te hebben en tenslotte is het de nationale koning David die alle stammen onder zich verenigt. Dan komt ook Dan zijn volk richten als een der stammen Israëls. Naar de oude profetie.

Waar we enkele ogenblikken samengekomen zijn om de belangen onzer vereniging te bespreken en ik door het bestuur werd uitgenodigd iets te zeggen wat tot uitgangspunt van een bespreking zou kunnen dienen, daar kan het dunkt me zijn nut hebben om in verband met het evangelisatiewerk dat ons op de handen gelegd is na te denken over de aard van de beslistheid die ons hierbij moet dragen.

Toen de bekende professor Doedes2 zijn professorale werkzaamheid begon, trad hij op met een rede waarin hij ook deze woorden gebruikte: 'Mihi constat', dwz. het staat voor mij vast." Een woord, dat toenmaals zeer de aandacht trok en zelfs een van onze dichters aanleiding gaf tot een puntdicht.3 Welnu, zonder zulk een 'mihi constat', het staat voor mij vast, is geen arbeid, allerminst een arbeid in het koninkrijk Gods, denkbaar. Het is in andere vorm hetzelfde als het apostolische woord: "Wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Here Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van zijn majesteit" (2 Petr. 1 : 16).

Voor alle arbeid in het koninkrijk Gods is nodig dat we gezien hebben de heerlijkheid van Jezus Christus. Dan alleen is ook een getuigenis mogelijk. De Heer vraagt van zijn discipelen ook niets meer dan eenvoudig van Hem te getuigen. Niet het woord op zichzelf, niet de overredingskracht van de christen, al is zijn woord nog zo welsprekend, is in staat om datgene te doen wat geschieden moet: het koninkrijk Gods uit te breiden. Alleen het beeld van Christus zelf, dat in het woord is, doet deze werking. En dit geldt niet alleen van de prediking des Woords, maar tegelijk van alle arbeid in het koninkrijk Gods.

Van deze zijde schijnt dus de voorwaarde voor een vruchtbare christelijke werkzaamheid gemakkelijk te voldoen, namelijk Christus te laten zien, van Hem te getuigen. Maar er komt een voorwaarde bij: dat wij - zo we Christus zullen laten zien - Hem eerst zelf moeten gezien hebben en aanschouwd. En hier geldt ten volle wat de bekende Deen Sören Kierkegaard4 ons geleerd heeft. Hij spreekt over de discipel-tijdgenoot en de discipel uit de tweede hand en hij stelt, dat voor beiden de voorwaarden tot geloof dezelfde zijn.

Ons komt het zo gemakkelijk voor alsof allerlei bezwaren die er voor Jezus' tijdgenoten bestonden om in Hem te geloven, voor ons niet meer bestaan. Wij hebben zo gemakkelijk het woord over méér licht, dat ons geschonken is. Het schijnt ons, of de dienstknechtgestalte na de opstanding des Heren geen beletsel meer voor ons behoeft te zijn om in Hem te erkennen degene die van de Vader gezonden is en die ons de Vader openbaart. Als het laatste geslacht, zegt Sören Kierkegaard, bij het beschouwen van het eerste en het bijna ziende bezwijken onder de verschrikking, er toe komen zou om te zeggen: "Dat is onbegrijpelijk, want het geheel is toch niet zo zwaar of men zou het kunnen oppakken en er mee weglopen", dan antwoordt Kierkegaard: "Het laatste geslacht heeft het voordeel van het gemakkelijke; maar zodra het ontdekt dat die gemakkelijkheid juist het hachelijke is, waaruit de moeilijkheid ontstaat, dan beantwoordt die moeilijkheid aan de moeilijkheid der verschrikking." Dat lijkt een beetje orakeltaal en we zullen trachten het in verstaanbaar Hollands nog eens te zeggen.

Het gemakkelijke is het hachelijke, horen we. Er is werkelijk niets wanhopigers dan dat het geloof in Christus ons iets gemakkelijks toeschijnt. Er bestaat werkelijk tegenover de dingen van het koninkrijk Gods geen hulpelozer gevoel dan wanneer ze zó voor iemand staan, dat hij zegt: nu ja, ik wil het laten gelden - en dan merkt dat, gelden of niet, hij zelf dezelfde blijft. Dat is, dat hij als 'natuurlijk' mens voor 'geestelijke' dingen staat. Dat betekent, dat hij niet voor de zaak, maar enkel voor de naam der dingen staat. Dit is ook een gevaar bij allerlei leerbepalingen. Kierkegaard zegt: als het zo gemakkelijk gaat, let goed op of hetgeen, waarmede gij wegloopt, werkelijk datgene is waarover gesproken wordt. En hierover twisten we immers niet. dat de wind licht genoeg is om mede weg te lopen. Dan pas is het de moeite waard een overtuiging te hebben, zo we merken, dat van onze heiliging ons leven, ons doen, onze handelwijze afhangen; zo we gevoelen: voor of tegen de Christus is een zedelijke beslissing.

Ik stel eens een ogenblik dat in een koninkrijk een vreemde overheersing bestaat. De herinnering aan de verdreven vorst is bijna vergeten. Maar er bestaat een verwachting dat hij terugkomt. Die koning komt echter niet met uiterlijke pracht en praal, maar alleen aan zijn karakter zal hij herkend kunnen worden. Wie hem echter herkent is geroepen tot arbeid. En nu gaat het dubbel op: wie iets van hem ziet, begint voor hem te werken. En wie iets voor hem doet, komt in zijn geest en bedoeling in, wordt vaster in de overtuiging dat hij het is. Wat het éérst is, kan men niet zeggen. Het gaat samen. 'Wie de wil deszelfs wil doen, die zal. . .'

Zo gevoelen we dat bij de dingen van het koninkrijks Gods ons gehele leven meer in beweging komt. Wij beslissen niet alleen met het hoofd en we beslissen niet alleen met het hart, niet alleen met overwegingen of alleen met onze wil, maar bij de dingen van het koninkrijk Gods is de gehéle mens in de beslissing gegrepen. Ja, nog sterker: in deze beslissing wordt een nieuwe mens geboren. Daarom zegt de Heer: 'Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien' (Joh. 3 : 3). En de Heer wil door deze dingen niet scheiden, maar ze gaan tegelijk en het ene door het andere. Het zijn deze dingen die (dunkt mij) de aard bepalen van de beslistheid, die bij het evangelisatiewerk ons dragen moet.

Christus te laten zien is niet zulk een eenvoudige zaak en zo vanzelfsprekend dat men het zou kunnen oppakken en er mede weglopen. Het zou blijken dat men wind droeg en geen Geest. En theologische wind is er genoeg in ons goede vaderland! Het kan er menigmaal mee gaan, met de christen, als met de bloemen in Psalm 103. Wanneer de wind zich over't veld laat horen, dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren. En zo is er naar we vrezen menige gemeente in ons vaderland waar een sterke theologische wind waait en waar men toch zou moeten vinden dat de temperatuur er vrij laag was, een koude noordenwind.

Geest daarentegen werkt gans anders. Geest werpt niet neder, maar richt op. Geest kleedt een ander niet uit, maar bekleedt hem. Geest maakt niet koud, maar verwarmt. Lees maar in Ezechiël, waar de verspreide doodsbeenderen door het waaien van de geest worden opgericht, met spieren en vlees bekleed en levend gemaakt.

Deze onderscheiding bedoelt niet te zijn een woordenspel, ofschoon voor beiden in de Schrift hetzelfde woord gebruikt wordt. Ook daarin ligt een gedachte. Het is op het eerste gezicht niet te onderscheiden. Een zelfde woord geldt voor beiden. De tegenstelling is echter ontzaglijk. En ze spoort aan tot zelfonderzoek en verootmoediging. Er is misschien niets dat hiertoe zozeer dringt als juist het evangelisatiewerk. Het komt tot uiting in deze regels van onze Beets5:

"Met God in 't hart, zult ge alle ding vermogen;
God in 't verstand, is God niet, maar een naam;
God in de mond een valsheid en een logen,

Die 't hart zich schaam! " Juist bij het evangelisatiewerk komt het aan op ontwikkeling van kracht, omdat de dwaling moet worden teruggedreven. Christus wordt gepredikt. En dat is volgens de apostel de kracht Gods. Ook zegt dezelfde apostel: "Mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht" (1 Kor. 2 : 4). En dergelijke woorden kunnen we telkens en telkens aantreffen in de brieven van de apostel. Wanneer hij behoefte gevoelt om daarop zo de nadruk te leggen, dan moet hij iets in zijn werk hebben waarvan hij gevoelt dat het er de hoofdzaak van uitmaakt.

Welnu, deze kracht is in het werk, die er het een en al van uitmaakt. Zo we geld hebben, dat is iets. Zo we een plaats hebben om samen te komen, we kunnen er niet buiten. Zo er bijeenkomsten zijn, ze zijn onontbeerlijk. Maar in en door deze dingen moet komen de kracht, Christus als kracht.

En dan denk ik dat we allen wel eens enige zwakheid gevoeld hebben. In een gesprek of anderszins. We wilden het ongeloof bestrijden; we wilden Christus laten zien om de dwaling te doen wijken. We grepen om ons heen, half angstig of we wel het rechte woord zouden vinden, half zoekende. En we vonden iets, maar gevoelden zelf dat de rechte kracht er niet in zat. Het was misschien een woord, maar geen kracht. Misschien een argument, maar geen kracht. Het was misschien wat zwaar en onhandig in onze handen. De gedachte was wel groot, maar ze viel vlak voor onze voeten neder. Misschien was het beter geweest, wanneer we een pijl hadden gevonden - wat kleiner, maar echt uit de pijlkoker des levens. Een pijl in eenvoudigheid, zodat hij de lever doorsneed van degene die we wilden treffen. Van argumenten gesproken: ze zijn eigenzinnig, nukkig. Soms doen ze wat ge wilt. Straks weer in 't geheel niet. 't Zit in de taaiheid van de huid van de tegenstander, maar ook in de kracht van eigen boog. De Heer Jezus gebruikt zo nu en dan argumenten. Hij spreekt met Sadduceeën, degenen die de opstanding der doden loochenden. En dan gebruikt hij dit argument: "En wat aangaat de opstanding der doden, hebt gij niet gelezen, hetgeen van God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaäks, en de God Jakobs! God is niet een God der doden, maar der levenden." En we lezen: "De scharen, dit horende, werden verslagen over zijn leer. En de Farizeeën, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceeën de mond gestopt ⚑had. . ." (Matth. 22 : 31-34).

Eerlijk gezegd: ons verbaast op een afstand die verbazing des volks. En ik geloof niet dat het ons gelukken zou met dit argument een tegenstander de mond te stoppen. We begrijpen het alleen wanneer we bedenken dat de grote kracht achter het argument ligt in de sterke levenspees waardoor deze pijl wordt gedreven, zodat hij harnas en hart doordringt.

'God is niet een God der doden, maar der levenden', dat klinkt uit de mond des Heren, zo vol van eeuwig leven, en overtuigt zo de tegenstanders van eigen doodsstaat, dat direct voor hen de vraag geworden is, niet meer een kwestie om over te debatteren, maar een gewetenskwestie: zijt ge dood of zijt ge levend? Niet de logische, maar de zedelijke kracht doet het hier. Zulk een bewijs uit de mond treft allereerst het hart.

Van deze dingen is de Schrift vol. We mogen zeggen: er staat niets anders in. Dat is de Heilige Schrift in zijn heerlijk karakter. Ik weet niet, of ge wel eens met aandacht het begin van Joh. 3 gelezen hebt. Nicodemus komt tot Jezus met een vraag. Hij begint vrij plechtig, maar de vraag komt niet ten einde. Met een wonderlijke wending, maar op de man af, zijn de rollen verwisseld en staat Nicodemus voor het geheimenis van het koninkrijk Gods. Niet anders doet de apostel Paulus in 1 Kor. 15, wanneer het gaat over de opstanding der doden. Ge kent zijn betoog. 'Indien de doden niet opgewekt worden, dan is Christus niet opgewekt, dan is onze prediking ijdel, enz.' Wat doet hier de apostel? Hij doet eigenlijk niets anders dan een consciëntiekreet slaken. Hij laat een toon horen uit zijn apostolisch hart. In zijn volle apostolische lengte richt hij zich op om de dwaling te bestraffen eerder dan haar te weerleggen. Om haar waar karakter bloot te leggen eerder dan haar weg te redeneren. De Schrift toont ons altijd de zonde in de dwaling. En wanneer de Heer of zijn apostelen de dwaling bestraffen, dan is het de morele verontwaardiging die ge in hun woorden gevoelt. Ook de tegenstander gevoelt dat.

Ik wil nog op een ander voorbeeld wijzen. Bekend zijn de brieven, die Blaise Pascal6 geschreven heeft tegen de Jezuïeten. De Jezuïeten die in de zeventiende eeuw bezig waren zich van de consciëntie meester te maken en de wet Gods met hun redeneringen verkrachtten waren wel eerder bestreden, maar op hetzelfde niveau, op dezelfde hoogte. Wanneer ik een rede stel tegenover een drogrede wordt mijn rede eveneens een drogrede. Wanneer ik op straat door iemand word lastig gevallen, kan ik alleen fatsoenlijk burger blijven door niet te gaan vechten, maar de politie er bij te roepen. De dwaling kan eerst recht bestreden worden, als ik een punt boven de dwaling gevonden heb. Zo heeft Pascal de Jezuïeten bestreden. Zijn redenering is logisch als geen andere. Maar de kracht ligt in de verontwaardiging, waardoor de dwaling zedelijk geoordeeld werd en die hem woorden deed vinden die nog altijd de bewondering gaande maken. En zijn tegenstanders hebben gezwegen, veertig jaar lang; ze zijn zedelijk dood gebleven.

Zulk een verontwaardiging na te doen zou niet baten, zou alleen bespottelijk maken. Ze kan er alleen zijn, wanneer we het zondige in de dwaling zien. Die verontwaardiging kan alleen ons heel persoonlijk eigendom zijn, wanneer wij zien. En dat zien van het koninkrijk Gods moet altijd weer vernieuwd worden. Het is met deze dingen als met het manna in de woestijn. Het brood van gisteren is morgen verdorven. En het is evenmin andersom, dat het alleen op de sabbat vergaderd wordt en de gehele week dienen kan. ⚑Het is dagelijks brood. Ook dat merkt de tegenstander en, merkt iemand zelf. Een wapen dat mij heden dient in de strijd kan over enige tijd onbruikbaar geworden zijn, wanneer het alleen in mijn herinnering is en niet levend. Het wreekt zich altijd wanneer ge iemand beschimmeld brood aanbiedt. Het moet vers zijn.

En nu vragen we: staan we tegenover het modernisme, dat we bestrijden, hoog genoeg? Dat wil zeggen: beslist genoeg? Want dit is m.i. de rechte beslistheid: boven de dwaling staan. En nu bedoelen we daarmede niet alleen een persoonlijke vraag, maar ook en vooral in 't algemeen. Staat de orthodoxie in deze zin beslist genoeg boven het modernisme? Naar mijn overtuiging komt een verschijnsel als het modernisme niet geheel zonder reden op. Er is veel ongeloof in, zeker, maar tevens stelt zulk een verschijnsel een vraag. Het modernisme heeft een vraag gesteld aan de christelijke kerk en die vraag komt, dunkt mij, hierop neer: geef ons de christelijke waarheden eenvoudig, zodat we aan ons hart kunnen gevoelen dat ze waar zijn.

Het gebeurt menigmaal dat iemand sprekende met een ongelovige hem plaatsen moet voor de geheimenissen van het kruis, want geheimenissen blijven het. Maar kan het dan niet menigmaal gebeuren, en gebeurt het feitelijk niet menigmaal dat hier de gelovige aan de ongelovige iets voorlegt en voorhoudt en wel zo dat het hier op neerkomt: dat moet ge nu maar geloven? En dat de ene partij eenvoudig bevestigt wat de andere ontkent. Geen overwicht. En dan gebeurt het dikwijls, dat het modernisme aanvaller is en de orthodoxie verdediger. Omgekeerde wereld! Het is mij wel eens gebeurd dat iemand uit moderne kring, maar die onder invloed der waarheid gekomen was, niet een gezicht dat werkelijk medelijden opwekte verklaarde als over deze dingen gesproken werd: ja, men moet het maar gelóven. Wat hierop neerkomt: omdat het nu eenmaal in de bijbel staat. In zo'n geval zou ik willen schreeuwen: niet geloven. Gij kunt u overtuigen van de waarheid. De waarheid wil zich kenbaar maken aan het hart. De waarheid zal u vrijmaken. Wat in zo'n geval het medelijden opwekt, dat is dit, dat men op het gezicht de vraag ziet spelen die het modernisme gesteld heeft: geef ons de christelijke waarheid eenvoudig en niet wonderlijk, zodat we voelen dat het waar is. En dat we gevoelen dat deze vraag teruggedrongen wordt en niet beantwoord, dat wekt iemands medelijden, neen, zijn toorn op.

Want dat is verlies van waarheid en verlies van leven en verlies van toekomst. En nu geloven we en weten we dat vele christenen ook hierin geoefend zijn de waarheid aan het hart van de tegenstander te leggen. En hoe zou ook, waar de liefde van Christus werkt, hierin de waardigheid geheel gemist worden?

Nu vragen we: komt de orthodoxie ons hierin te hulp, dwz. worden de gangbare opvattingen gevormd naar deze eerste behoefte aan uitbreiding van het koninkrijk Gods, omdat ze het kenmerk dragen eenvoudig overtuigende waarheid te zijn? Of dragen ze nog vaak te veel sporen van de achttiende eeuw, toen men zo hoog deze waarheden verhief, de bovennatuurlijkheid zo op de voorgrond stelde, dat ze feitelijk uit het leven werden weggenomen? En ze wel voor de poort van het hart werden geplaatst - maar zonder dat iemand merkte, dat ze aanklopten om binnen gelaten te worden?

Ik vrees dat deze trek de orthodoxie nog te veel aankleeft. Voor de ethiek, het zedelijk leven, het leven der gehoorzaamheid, is de bevrijding reeds lang een feit. Bij de vraag naar goed en kwaad beslist onder ons overwegend het christelijk geweten. De casuïstiek, de gevallenleer, ligt al lang gebroken ter aarde. Die richting moeten we ook uit met de geloofsleer. Het modernisme heeft ons gevraagd dat te doen. Die vraag zal niet van de baan komen. Zeg mij de waarheid zó, dat ik haar in mijn hart kan gevoelen. De christelijke waarheid moet opnieuw worden bevestigd, maar met het oog op evangeliseren. Ze zal er bij winnen. Het is niet te doen oude kringetjes eenvoudig weer te herstellen. De waarheid moet uitgesproken worden met het oog op het modernisme. Dat gebiedt reeds de christelijke liefde, dat ge de dwaling antwoordt op de vraag waarvan ze het slachtoffer geworden is. Ik zou willen dat men zich daarin oefende. We kunnen dit thans niet in bijzonderheden aanwijzen, maar willen dit zeggen, dat we bijv. bij Christus' wonderen kunnen beginnen. Niet het wonderlijke, maar het helpende en genezende op de voorgrond stellen. In de achttiende eeuw bouwde men het christendom op het wonderlijke. ‘t Is er nog niet uit. We kunnen bij Christus' koningschap deze waarheid op de voorgrond stellen, dat de Heer gezegd heeft: 'Wie van ulieden de meeste wil zijn, die zij aller dienaar' (vgl. Matth.

23 : 11).

Hij heeft zich het diepst vernederd. Wie zou vrezen daarmee Christus' koningschap te na te komen, die zal zich kunnen troosten met de gedachte dat, wanneer hij op deze wijze een zondaar aan Christus' voeten brengt, hij een onderdaan heeft gewonnen en dat hij meer voor Christus' koningschap heeft gedaan dan wanneer hij er tienduizend woorden over gesproken had. We kunnen bij het behandelen van de Heilige Schrift ophouden met te zeggen: alles geloven of niets, en de hoofdlijnen waarin wereld en leven voor ons gesteld zijn in hun waarheid tot uitdrukking trachten te brengen. De Schrift zal aan invloed winnen! Het zijn slechte pleitbezorgers Gods, die naijveriger zijn op Gods eer dan Hijzelf.

Wij wijzen thans slechts de richting aan waarin we bedoelen dat gewerkt zou moeten worden. Maar sommigen achten dit een hellend vlak. Ik denk hier aan twee mensen die elkander tegenkomen. De een heeft een ledig vat en de ander een vat gevuld met kostbare vloeistof. En de een wil niet voor de ander uit de weg. Als ze gaan worstelen, gaat de inhoud verloren en de vaten worden verbroken. Maar zie, daar giet de beter bedeelde iets van zijn schat over in het ledige vat. Maar dan krijgt hij immers zelf minder? Ge kent echter de geschiedenis van de weduwe van Sarphat. Juist dan wordt de olie niet verminderd. Zulk een ledig vat draagt ook het modernisme als vraag aan de gemeente. Zelf heeft het geen kracht. De vraag is zijn betekenis. Geef ons zó de waarheid Gods, dat we aan ons hart gevoelen dat het waar is. Laten we dan overgieten in dat ledige vat, ook al schijnt het dat onze voorraad vermindert. Het is schijn, in werkelijkheid is het winst. Alleen zo blijft de voorraad strekken. Zo worden we van ons modernisme verlost. Anders is er het gevaar, dat de beslistheid en de ijver meer verwant zijn aan het genot dat aan elke strijd verbonden is dan aan de lust om de waarheid te hebben. Ik denk hier nog eens terug aan de stam Dan, waarover we spraken. Dan is als een jonge leeuw. Hij zal uit Bazan voortspringen (Deut. 33). En we kunnen van Dan in dat opzicht veel leren. Maar de andere zijde van Dans karakter is, dat hij is als een slang, een adderslang aan de weg bijtende in de verzenen van het paard zodat zijn berijder achterover valt (Gen. 49 : 17). Die eigenschap moeten we niet mede hebben. We spreken hiermee over de gescheiden kerken. En we geloven dat dit karakter - deze strijdlust, maar ook bitterheid - en deze strijdwijze, die niet altijd de toets doorstaat, samenhangt met de aard der beslistheid.

Men wil de waarheid bevestigen, maar met een zekere jaloersheid die een ander geen droppen waarheid gunt. Het neocalvinisme erkent de vraag niet in het modernisme. Overgieten! Pascal zegt: men moet de mensen toegeven dat ze van één kant gelijk hebben. Iemand geeft wel toe dat hij niet alle kanten ziet, maar ongaarne gedupeerd. Wij, die hervormd willen zijn, wij moeten in ons zelf het modernisme overwinnen. De Baälsdienst is niet buiten, maar in Israël overwonnen. Het profetisch woord, dat de strijd beheerst, dat de drank kent en de droesem laat, dát voert verder en verenigt en behoudt. Onze leerbepaling, onze prediking, ons gesprek moeten staan in het teken der evangelisatie.

Eindnoten

  1. 1

    N. hield zijn referaat Beslistheid eind 1906. Verdere gegevens ontbreken. De lezing is als manuscript bewaard gebleven.↩

  2. 2

    J. I. Doedes (1817-1897), hervormd theoloog, vanaf 1859 hoogleraar te Utrecht. Met Van Oosterzee was hij de voornaamste vertegenwoordiger van de 'apologetische richting', die de geloofwaardigheid van de bijbelse grondwaarheden wilde verdedigen met de middelen van het historisch-kritisch onderzoek.↩

  3. 3

    Doedes hield in 1859 bij de aanvaarding van het hoogleraarschap te Utrecht een inaugurele onder de titel Oratio de critica studiose a theologis exercenda, waarin hij het recht van de historische kritiek verdedigde, maar tegelijk de wijsgerige methode van zijn tijd bestreed die meende op grond van de 'vaste, onveranderlijke natuurwetten' het wonder te mogen ontkennen. Voor Doedes zijn de wonderen één van de zaken in het christendom die boven onze kritiek uitgaan en de waarheid van het christendom bewijzen.

    Dit standpunt ondervond met name van de kant van Allard Pierson scherpe bestrijding. Pierson diepte uit Doedes' inaugurele de uitdrukking 'mihi constat' op en noemde het in zijn artikel Een programma van theologisch onderwijs (in De Gids, 23 (1859), p. 472-529) professoraal-aanmatigend als iemand dit zomaar in de wetenschappelijke wereld durfde te poneren. In dit verband maakte hij mede bezwaar tegen een door Doedes in 1847 neergeschreven stelregel die inhield dat men bij hem nooit de 'onwetenschappelijke'bewering kon aantreffen dat iets onmogelijk zou zijn. In Piersons voetspoor persifleerde P. A. de Genestet de oratie van Doedes en wel in zijn Leekedichtjes nrs. XXIX, XXX, XXXI en XXXVIII. Leekedichtje nr. XXIX gaat als volgt:

    Mihi constat.

    Daar wordt eensklaps de strijder opgenomen in de rij der Theologiae professores.

    Mihi constat (bij mij staat het vast) klinkt het uit de wolk, en de stem der profetie roept ons vertroostend toe:

    "Vindt mijne methode ingang, dan houden alle twisten weldra op, enz."

    Dr. Pierson. 'Een programma van theologisch onderwijs.' Gids, okt. 1859.

    Bravo, dat's orakeltaal!

    Dat klinkt recht professoral!

    Dat zijn weer de goede zeden Van een vijftig jaar geleden!

    Groot Goôn! zoo je ook niet meer Wist, besliste en profeteerde Dan een ZEER GELEERDE heer-Waarvoor wasje een HOOGGELEERDE?

    Volledige dichtwerken van P. A. de Génesiet, Amsterdam 191720 p. 281. Voor deze noot is gebruik gemaakt van P. L. Schram, Jacobus Isaac Doedes, Wageningen 1952, p. 38-40.↩

  4. 4

    S. A. Kierkegaard (1813-1855), Deens wijsgeer en theoloog, die wordt beschouwd als voorloper en grondlegger der moderne existentiefilosofie. In Nederland werd hij rond de eeuwwisseling bekend door de Jonkers en Van Dijk.↩

  5. 5

    N. Beets (1814-1903), hervormd predikant, van 1874 tot 1884 hoogleraar te Utrecht, waar hij onder andere ethiek doceerde. Als letterkundige werd B. behalve door zijn Camera Obscura (1839) vooral bekend als stichtelijk dichter. Hij ontwikkelde zich tot een der voormannen van de ethisch-irenische richting.↩

  6. 6

    Blaise Pascal (1623-1662) schreef tegen de Jezuïeten eerst anoniem, later onder pseudoniem tussen 23 januari 1656 en 24 maart 1657 achttien brieven. Deze polemische brieven verschenen gebundeld onder de titel Lettres écrites par Louis Montalte à un Provincial de ses amis et aux RR.PP. Jésuites sur la morale et la politique de ces Pères. Zij werden bekend als Les provinciales. In zijn lezing Blaise Pascal, gehouden op 14 februari 1936 te Laren, houdt N. zich uitvoerig met deze brieven bezig, die naar zijn mening daarom werkten, omdat P. de taal wist te spreken van het grote publiek.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet onder Weergave de correcties aan om de verbeterde OCR-fouten en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Dogmatische zekerheidInhoudWillem de Clercq →