O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Andere prekenAndere prekenEen huwelijkspreek →

Verzamelde Werken, deel 7 · Andere preken · p. 409–413

Een catechismuspreek

Zondag 45

Van de Twaalf artikelen of het geloof; van de sacramenten; van de Tien geboden of de wet; van het Onze Vader en het gebed: dat zijn de vijf oude, grote hoofdstukken van het christelijk geloof. Wij komen met Zondag 45 tot het laatste: het gebed. Voor alle vijf hebben we een kort formulier: voor ons geloof, voor de Doop, voor 't Avondmaal, voor de wet, en voor het gebed.

Wij voelen echter dadelijk dat het bidden het meest vrije stuk van het christelijk leven is. Want ook al staat het Onze Vader als model in deze zondagsafdeling, wij voelen ons toch in ons bidden tegenover dat formulier vrijer dan in ons geloof tegenover de Twaalf artikelen, en in ons leven tegenover de Tien geboden. Wij bidden het niet altijd woordelijk na.

Wat deze christelijke vrijheid te betekenen heeft, zoudt gij misschien levendig gevoelen, wanneer ge roomse streken de 'Onze Vaders' hoordet afbidden op de rozenkrans, of erger nog, in een land als Tibet het eentonig brommen van het 'Om mani padme hum' kondet aanhoren. Wij bidden: al wat ons ontbreekt. En God geeft het, "zo gij 't smeekt, mild en overvloedig".

Wanneer wij dat eenmaal goed gevoeld hebben, dan begrijpen we ook dat die andere stukken ook deelhebben aan de christelijke vrijheid. Van de wet heeft Paulus dat alzo duidelijk gezegd: dat wij niet meer onder de wet zitten, maar tot vrijheid geroepen zijn (Gal. 5 : 18, 13). En zo wil ook onze regel des geloofs ons geloof niet doodmaken, maar het leiding geven en ondersteunen.

Het zou misschien wel eens goed zijn, dat we onze uiteenzetting van het christelijk geloof en leven met het gebed begonnen. Dan hadden wij een recht geestelijk begin, en zouden ons ten opzichte van onze geloofsregel en de wet niet zo gemakkelijk vergissen. Dit is niet zo gevaarlijk als gij denkt. Want let er maar eens op: in het gebed vallen alle ketterijen weg. Daar komen de dingen 't gemakkelijkst op hun rechte plaats te staan. Want geestelijk is de oefening des christelijken levens, en pas voor het aangezicht Gods en in gesprek met Hem vallen die vreemde dingen weg, die de mensen soms aan elkaar vertellen.

Het gebed heet hier dan ook het voornaamste stuk der dankbaarheid. Het andere stuk is de bekering en de goede werken. Die twee horen dus bij elkaar: de bekering en het gebed. Dat is samen de dankbaarheid. Dat is het nieuwe leven in gemeenschap met Christus.

Het gebed is het voornaamste stuk, zegt deze zondagsafdeling. Dat wil nu niet zeggen, dat de verrichting van het gebed een voornamer stuk der dankbaarheid zou zijn dan de werken der bekering. Dat hebben vele christenen gemeend, die zich tussen de kloostermuren terugtrokken en meenden dat dat de heiligste en Gode meest aangename houding des levens was, voor het altaar God aan te roepen en Hem te loven. Wij geloven echter dat de huisvader die z'n goddelijk beroep vervult, en de huismoeder die haar moeilijke taak vervult, Gode meer eren en Hem aangenamer zijn. Deze zuurdesem is ook onder ons nog niet uitgezuiverd. Velen onder ons menen ook nog, dat het dienen van God iets aparts is, en vergeten dat God hen elke dag in het leven zet, en aan 't werk zet, daar waar Hij wil.

Toch 't voornaamste stuk. Wanneer we daaraan twijfelen, moeten we maar letten op de plaats waar 't staat: eerst de Tien geboden, dan 't gebed. Neem nu maar elk van die Tien geboden en weeg ze gebod tegen gebed. Stel dat iemand die geboden volkomenlijk gehouden had van z'n jeugd aan, maar niet bidden kon. Dan moet hij zich bedroefd afwenden van 't koninkrijk Gods. Denk aan de Farizeeër, die de geboden zo goed onderhield, en niet bidden kon; en denk aan de tollenaar, die 't gebed verstond (Lk. 18 : 9-14). Dan voelen wij: hier raken we aan de wortel van 't christelijk leven. 't Is wel 't voornaamste stuk der dankbaarheid.

Men kan 't ook zo beschouwen. Eerst komen de Tien geboden. Dan komt 't grote gebod: het gebed, hetwelk God van ons vordert.

Soms voelt men dat ineens. Ik denk aan die reiziger, die zich wat ongerust te slapen ging leggen in een eenvoudige, eenzame woning en de gastheer niet goed vertrouwde ten opzichte van 't gebod: gij zult niet doodslaan. Als hij echter merkt dat die gastheer neerknielt in de avond, vertrouwt hij dat het met alle Tien geboden in orde is. Dit is 't voornaamste stuk.

Bidden is buigen voor God. Dan wordt God erkend en wordt er voor Hem gebogen. Want het gebed vat eigenlijk de gehele eerste tafel der wet samen. Wie de Vader in de hemelen aanroept, kan geen andere goden voor z'n aangezicht hebben. En wie de Naam Gods wil heiligen, kan die niet ijdellijk gebruiken. En wie Hem aanbidt in geest en waarheid, zal geen beelden dienen. En wie z'n handen vouwt, rust en viert van alle boze werken.

Zover om Godswil. Maar nu in de tweede plaats om onzentwil. God wil z'n genade en de Heilige Geest alleen die geven, die Hem met hartelijke zuchten, zonder ophouden, daarom bidden en daarvoor danken. Misschien kan men zeggen dat God, met eerbied gezegd, het ook niet doen kan. Bidden is geen toverij. En wanneer de genade Gods en de Heilige Geest zullen meegedeeld worden, dan gebeurt dat niet zonder dat het hart van een mens in beweging is en biddende is. Het water loopt waar het 't laagst is, en Gods genade en Heilige Geest komen nergens waar ze niet begeerd worden en nodig zijn.

Middeneeuwse mystieken zeiden: Gij moet uitgaan, dan moet God ingaan, want Hij kan geen ledig gedogen. En zo is het ook wel. Het is een vaste regel, dat de Heilige Geest komt in verbroken geesten en verslagen harten (vgl. Ps. 51 : 19). Onze catechismus vat echter de dingen persoonlijk op. God is niet alleen een overvloedige fontein aller goeden, maar vooral de géver alles goeds. Het is zijn wil, waarop hier gewezen wordt, en de persoonlijke omgang met Hem.

En al is het dat de gesteldheid van ons hart niet onverschillig is voor het ontvangen van gaven, nog veel meer komt het erop aan op de gesteldheid van Gods hart te letten, op z'n barmhartigheid en genade. De ware vroomheid zal zeer zeker letten op eigen hart en gemoed en op de gesteldheid daarvan, maar veel meer van belang is het nog kennis te krijgen van Gods Vaderhart in Jezus Christus.

Zolang wij alleen weten dat er een zee vol genade is en een hemel vol Heilige Geest, dan baat ons dat niet. Het zal ons neerdrukken. De deur van ons hart blijft gesloten door het geweld der goddelijke volheid rondom ons. Wij kunnen niet uitgaan en God wil niet ingaan. God is geen zee en geen hemel, maar een Vader, die ook in Christus onze Vader wil zijn. Hij is de Eeuwige, maar is in de tijd gekomen.

En nu is het als wanneer een vriendelijke verschijning u, wanneer gij dorstig zijt, een glas water aanbiedt. Voor gij 't weet hebt gij 't aangenomen. Zo is de rechte bidder. Hij wordt uitgelokt uit z'n gesloten huis, als hij God leert kennen in Jezus Christus. Hij komt onder de indruk van zijn persoon en gaat spreken, als het kind onder 't oog van de vader. God wil zijn Heilige Geest alleen geven, die Hem met hartelijke zuchten, zonder ophouden, daarom bidden en daarvoor danken. Dat is z'n ere als Vader, en dat is ons behoud. Zuchtende creatuur.

De volgende vraag sluit zich geheel bij het gezegde aan: Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is, en van Hem verhoord wordt?

Eerstelijk, dat wij alleen de enige ware God, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit verootmoedigen. Ten derde, dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heren Christus' wil 'zekerlijk' wil verhoren, gelijk Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

Wij moeten de enige ware God aanroepen, die zich in z'n Woord geopenbaard heeft. Deze woorden herinneren ons aan de tijd der opstelling van ons leerboek, toen de leermeesters het volk moesten waarschuwen tegen heiligendienst en Mariaverering. De waarschuwing heeft echter betekenis voor alle tijden. Wij maken van God zulke eigen en vreemde gedachten. Toch mogen wij ook hier de gewetens niet verschrikken, alsof we een volkomen kennis van God zouden moeten hebben. Dat kunnen alleen de zalige geesten, die altijd voor zijn aangezicht staan. Zij ademen steeds geest van zijn geest en drinken licht in zijn licht.

Daarom behoeven wij ook niet te denken dat alleen het gebed om de Heilige Geest voorwerp van het gebed is. Alsof wij reeds geesten waren, die niets meer nodig hadden dan door zijn Geest gevoed te worden. Bij brood alleen zal de mens niet leven (Mt. 4 : 4), maar ook bij geest alleen niet. Daarom staat hier zo troostrijk voor een mens hier op aarde: al hetgeen God ons geboden heeft te bidden; en straks: alle geestelijke en lichamelijke nooddruft.

En nu weten wij van dat alles niet zo zeker of God het zal willen geven, als het gebed om de Heilige Geest. Onze begeerten en onze wensen, ons vlees en ons bloed zijn dikwijls even zovele hindernissen om God te kennen, als dat ze door onze behoeften ons tot Hem zouden heenleiden.

En de enige ware God aanroepen, dat wil zeggen: niet alleen zijn Naam van buiten kennen, maar ook zijn wil ten onzen opzichte, is niet steeds zo gemakkelijk. Soms bidden wij dan verkeerd, en worden niet verhoord. Daarom is het goed dat wij onze nood en ellendigheid recht kennen en ons voor Hem verootmoedigen. Van het bidden komt er werkelijk niet veel terecht, als dit niet 't geval is. Want om een goed gezicht op de Vader in de hemelen te hebben, moet het hart niet te hoog zijn. Een opgezwollen hart is als opgezwollen ogen: men kan er niet mee zien. Ook hier is het gebed de beste proefsteen van het christelijk leven. (Meer dan wet en geloofsregel.) Wanneer iemand bidden geleerd heeft, dan wordt het beeld Gods in hem weerkaatst.

En toch wil God dat die verootmoediging het vertrouwen niet wegneemt. En dat vertrouwen kan pas recht komen, als wij ons voor God verootmoedigen. Want een bidder die niet vertrouwt, is als een kind dat bang is van z'n vader en moeder. Dat is onze geestelijke geboorte, dat wij door de snoeren van vrees, die hart en mond gesloten houden, heen breken, en het 'Abba', 'Vader' eruit komt (Rom. 8 : 15). Op het Woord moeten wij daartoe vertrouwen; op de beloften. Zolang het stil blijft en wij bij onszelf overleggen, vrezen wij. Het geklank, het Woord des Heren moet onze vrees overwinnen.

Gemeente, dat is vaak onze kwaal. Wij laten het Woord niet inwerken en uitwerken. Wij zoeken het achter het Woord, daar waar het stil is, in het besluit Gods . Daar graaft gij dan naar verborgen dingen. Het Woord moet het doen. De evangeliën, de geschiedenis van Christus, de beloften moeten ons overtuigen. Dan breekt de mond open. Dan leert gij alle geestelijke en lichamelijke nooddruft. Niet te hoog, niet te bang; toch eerbiedig en vol vertrouwen: Onze Vader.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Andere prekenAndere prekenEen huwelijkspreek →