O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 40 jaar ambtAndere prekenGedrukte preken en overdenkingen →

Verzamelde Werken, deel 7 · Andere preken · p. 430–434

Afscheid Laren

2 Korinthiërs 5 : 17-20

Gemeente, tegen deze afscheidsure heb ik opgezien als tegen een berg. Maar dat doe ik nu niet meer. Ik zal u zeggen, wat ik daarmee bedoel. Ik zag er zo tegenop, omdat ik de bediening der verzoening, die mij veertig jaren en meer was toebetrouwd, niet in een geest van volkomen verzoendheid kon afsluiten. Zou dit het einde zijn? Zou ik dan wel afscheid kunnen nemen? Zou ik niet, zonder ergens over te spreken, een laatste preek houden, zonder meer?

Gij weet wat de reden was. Ik zal er nu wèl over spreken, omdat ik er verzoend over kan spreken. Het viel mij zeer zwaar dat de kerk, nog wel onder de bestaande omstandigheden, woningnood enzovoort, een leeftijdsgrens vaststelde bij het ambt, zoals dat bij ambtenaren het geval was. Groot verschil. En vooral dat zij, toen de zaak vastliep, geen maatregelen nam, maar de zaak overliet aan gemeenteleden, wier ouders men mee grafwaarts had gedragen, die men had getrouwd, wier kinderen men had gedoopt, met wie men twintig jaar had omgegaan. Die konden en moesten me dan maar zeggen: Gij kunt uw ambt niet meer blijven vervullen, geen half jaar meer, ook al staat de wereld om u heen in brand. Ik heb het vorige jaar de synode gevraagd ons dat te willen besparen. Zij heeft het niet gewild.

Zo is dan het laatste jaar van mijn ambtsbediening het zwaarste geworden van de eenenveertig dienstjaren. En ik heb gevaar gelopen, een ontzettend gevaar, om mijn bediening der verzoening te beëindigen in een toestand van onverzoendheid. Het is niet geschied. Wie het Evangelie kent, weet welke prijs voor de verzoening betaald wordt. Een hoge prijs.

Pinksteren was voor ons een stuk van het grote Pinksterfeest, dat brandt rondom het kruis. Op eerste pinksterdag heb ik alleen dienst gehouden in een kerk, die ik niet noemen zal. God predikte - ik bad. Werkelijkheid. Vergeving der zonden persoonlijk. Maar dat kan niet zonder dat andere: gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren (Mt. 6 : 12). En zo heb ik dat ook aanvaard en in toepassing gebracht, ook buiten de gemeente.

Maar iedere verzoening is wederkerig. Ons zal onvergetelijk blijven en tot onze geloofsverzekerdheid meewerken, en een voorsmaak geven van de zaligheid: het meeleven van vele gemeenteleden, de liefde, de barmhartigheid, de gemeenschap der heiligen, dat is: van arme zondaren, waardoor onze tranen werden vermengd met vertroosting, het bittere met het heilige zoet.

Zo zie ik dan nu niet meer op tegen dit afscheid. Niet dat ik niet nog langer had willen blijven. Bij mijn veertigjarig jubileum noemde ik nog twintig jaar. Laat ik nu zeggen: nog een half jaar. Maar de wil en het oordeel Gods hebben mij dit einde doen aanvaarden. Niet als een onherroepelijk besluit en onafwendbaar gebeuren, waartegen ik in opstand kom, maar als een soevereine en toch genadige schikking Gods, die ik aanvaard. Zo staat dan thans dit einde van de bedeling juist in het teken der verzoening; juist zoals het behoort.

Wat ik gepredikt heb, heeft gestalte gekregen en is werkelijkheid geworden. Het is midden onder ons en in ons. Het is veel meer waar dan wij het ooit in onze harten gevoeld hebben; met vrees en beven, als wij nooit hadden willen vermoeden; maar ook met een zekerheid en een vertroosting, die wij nooit hadden durven verwachten.

De verzoening is een werkelijkheid. Het is geen wens alleen, geen gedachte. Niet: God zal wel!, of: God zal misschien!, maar: God heeft! Want die, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5 : 21). Gods verzoening is een feit, een geschiedenis. God betaalt zelf een hoge prijs. Maar Hij past de verzoening ook op ons toe. Hij stort zijn Heilige Geest uit. Wij kunnen de verzoening niet keren, als God het wil. Wij hebben geen wil meer. Gelijkvormig aan Christus en zijn Evangelie maakt Hij ons leven: gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, maar ook: de gemeenschap der heiligen. Het Evangelie, het woord der verzoening blijft niet in de hemel. Het wordt uitgestort over en in ons leven: de smarten van Gethsemané, de verlatenheid van Golgotha, maar ook: de opstanding van het lichaam en de vernieuwing des harten door de Heilige Geest.

Zo is de vergeving der zonden zekerheid, een wonder Gods, dat wij haast nooit durven geloven en dat toch een feit is. Of wij het weer zouden willen ruilen? Verzoendheid tegen onverzoendheid?

Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel: het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden (vs. 17). Dat is de eerste indruk die Paulus van de bedeling der verzoening heeft. Dat is een waar woord.

Deze laatste preek schijnt mij nieuwer en nodiger te zijn dan die op 1 februari 1903, toen ik mij aan mijn eerste gemeente verbond: werkelijker, wezenlijker, meer direct uit de bron van Gods Woord geschept. Wat ik u hedenmiddag verkondig, daarvan betuig ikzelf: dat heb ik nooit eerder zo geweten: dat het zo waar was, dat het zo voor mij is, dat het zo voor u is, dat het zo zeker uit God is, dat het zo nieuw is. Veel meer dan als een afscheid komt het mij voor als een intrede. Wezenlijker een intrede dan 25 maart 1923, toen ik mij aan deze gemeente verbond. Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden. Dat geldt elke dag voor wie in Christus is.

Al deze dingen zijn uit God, die ons met zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. Want God was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende en heeft het woord der verzoening aan ons toebetrouwd (vs. 18 v.). Het is alles uit God. En als het dat niet was, dan had het geen betekenis en geen toekomst. Dat is geen mensenwerk. Niemand kan dit werk keren. God heeft ons met zichzelf verzoend, en Hij heeft ons de bediening der verzoening gegeven.

En de verzoening is er, om mij heen, onder u; een werkelijkheid. En van u gaat de verzoening weer verder. Gij maakt vrede met anderen, die u iets misdaan hadden, hun zonden hun niet toerekenende. Want Jezus is gestorven. God heeft zijn Zoon gegeven. En dan - zoals iemand mij gisteren zei - dan valt alles weg. Zo maakt gij vrede om u heen. Zalig zijn de vredemakers, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden (Mt. 5 : 9): kinderen van de God des vredes. Zo gaan de verzoening en de vrede voort tot de einden der aarde, onweerstaanbaar. Zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen: het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren (Jes. 2 : 4). De aarde zal vol worden van de kennis des Heren, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken (Jes. 11 : 9).

Misschien zegt iemand in zijn gedachten: Gij zijt vol zoete wijn (Hand. 2 : 13). Neen, neen, het is de nuchtere Geest Gods, de Geest die in onze harten woont en die in het verborgene door de wereld waait. Denkt gij dat God, als Hij de dingen laat geschieden, zinneloos is, vol zoete wijn? Denkt gij dat Hij, als Hij de ploeg door de wereld gedreven heeft, vergeten zal te zaaien en te oogsten? Wanneer God ons de bediening der verzoening gegeven heeft, wanneer Hij het woord der verzoening in ons gelegd heeft, dat wil zeggen: ons heeft opgedragen, dan is dat, omdat Hij al lang en altijd bezig was in Christus de wereld met zichzelf te verzoenen en ons ook met zichzelf verzoend heeft. Al deze dingen zijn uit God. Het is geen opgewonden gedachte van een mens, maar een doorgaand, sterk werk Gods.

Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade: wij bidden u van Christuswege, laat u met God verzoenen (vs. 20). Van Christuswege: in naam van Christus met de vraag. Alsof God door ons bade, alsof God het door mijn mond verzoekt: Laat u met God verzoenen. Doe mee aan dat grote werk, waarop het schepsel als met opgestoken hoofde wacht, de openbaring der kinderen Gods (Rom. 8 : 19). De vredemakers. Het begint bij de Vader, en het gebeurt in Christus, en het wordt door de Heilige Geest in onze harten gelegd. En daar wordt het een kracht en een koninkrijk, en een vrede die alle verstand te boven gaat (Fil. 4 : 7). En dan springt het van hart tot hart, en dan gaat het pinkstervuur de wereld over. Is dat minder werkelijk dan de bommen en de dood om ons heen?

Aan twee dingen denk ik nu vooral. Ik denk aan de ruim duizend malen dat ik deze kansel heb beklommen, altijd met hetzelfde Evangelie. Ik was gewend van huis uit en uit mijn vorige gemeente, dat in de meeste huisgezinnen iedere zondag kerkdag was. Dat was hier anders, en ik heb er nooit aan kunnen wennen. Maar die er waren, namen mij de preken wel af. Ik preekte graag hier op Laren. Ik preekte hier het best. Mij werd eens gezegd dat de mensen maar zo zaten alsof zij luisterden. Dat geloof ik niet. Wanneer het Evangelie uit God is, en God ons met zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus en ons de bediening der verzoening heeft opgedragen, dan is het een godslastering om te zeggen: Wij doen maar alsof wij luisteren.

Wij komen van Christuswege, alsof God door ons bade. En God heeft macht over de harten en zij hebben zich vaak geopend onder mijn prediking. Misschien hebben sommige harten zich ook wel eens weer voor mij gesloten; ook door mijn schuld, ook wel door eigen schuld. Dat zij zich ook openen kunnen, dat heb ik in deze dagen ervaren. Maar wij komen niet om onszelf te brengen.

Misschien heb ik wat stug en terughoudend met u omgegaan: voor mijn doen gewoon, voor uw behoefte misschien niet. Gij wildet meer aangehaald worden. Maar geloof mij, mijn gezindheid te uwaart bleef meer dan twintig jaren dezelfde. Er kwamen wel storingen voor, vooral aan het einde, maar steeds was er in mijn hart een gestadige genegenheid voor uw boerenwezen, uw personen, uw stand en uw werk. Voor mij was zo'n verhouding normaal. Ik versta niet de kunst om, als een harlekijn, dan weer tot u af te dalen en dan weer in mijn stokje te klimmen. Ik ken niet het onderscheid tussen dominee en boer. Tot mijn eigen wezen behoort het ruisen van de winden en het branden van de zon, het zaaien en oogsten. Maar ik had als prediker en theoloog ook een andere zijde in mijn wezen, waarop door de kerk, ook van Christuswege, een beroep gedaan werd. In andere streken van ons vaderland zou daarvoor meer waardering hebben bestaan. Hier is dat minder het geval geweest. Zo hebben zich sommige harten wel eens tijdelijk voor mij en mijn prediking weer gesloten. Maar het ging toch niet om mijn persoon. En zo weiger ik te geloven, dat de harten voor het Evangelie zich kunnen sluiten, als ze erdoor geopend zijn.

Meer dan twintig jaren Evangelieprediking. En nu is de bliksem in mijn preken geslagen. En de opening der harten, die daarbij ontstond, kan niemand sluiten. En het vuur, dat daaruit opvlamt, kan geen voet vertreden of blussen.

Ik denk ook aan al die klassen van catechisanten. Wat een voorrecht die jonge, prettige, open gezichten, jongens en meisjes, altijd weer voor zich te krijgen; bijbel, catechismus, kerkgeschiedenis, enzovoort met hen te behandelen. Ik hield van deze jeugd. Wanneer ik ooit moeite had, dan kwam dat meestal nooit door de jongeren zelf. Ik houd nog veel van spelen, evenals op m'n tiende, m'n twintigste, m'n dertigste jaar.

Eén ding heb ik op mijn hart. Ik was van huis uit gewend dat ook de jeugd de zondag als een huiselijke dag en een kerkdag vierde. Velen, zeer velen van u zijn het anders gewend. Als men hun navroeg, ja dan, maar niet van huis uit. De straat. Zondagavond zag ik nog pas aangenomen lidmaten. Is dat nu hun element? Ik heb het hun vaak gezegd. Ze hebben niet geluisterd. Laten wij een afspraak maken. Ik zal elke zondagavond bidden, dat gij u met God laat verzoenen, en niet met de wereld; en anderen met mij. Gij moogt dan doen wat gij wilt. Wie zou de sterkste zijn: God of de wereld?

Nog een derde. God was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende. Laat deze gemeente aan dat werk voortarbeiden. Laat het geen partijgemeente worden. Gij weet dat ik daartegen gewaarschuwd heb. Voor mij maakte ik nimmer onderscheid. Laat het Evangelie vrij om de harten te openen. Het Evangelie is één, maar het is voor allen. Benaarstig u om te behouden de enigheid des Geestes door de band des vredes (Ef. 4 : 3).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 40 jaar ambtAndere prekenGedrukte preken en overdenkingen →