40 jaar ambt
En ik dank Hem die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Here.
1 Timotheüs 1 : 12a
Morgen zal het veertig jaar geleden zijn dat ik in de kleine Friese gemeente Idsegahuizen-Piaam, gelegen aan de zeekust tussen Workum en Harlingen, in het ambt bevestigd werd. Wanneer ik thans omzie, dan liggen er veertig jaren diensttijd achter mij.
Het zijn woorden van Paulus, die ik tot mijn tekst heb gekozen. Zij betreffen zijn apostolisch ambt, waartoe hij op de weg naar Damascus geroepen is. Paulus ziet terug op de weg en het werk, dat achter hem ligt, en hij doet dat in een brief aan een leerling, een jongere, een helper in de gemeente. Hij dankt de Heer die hem kracht heeft gegeven, namelijk Christus Jezus.
Wanneer men in een openbare godsdienstoefening, wanneer men geroepen is het Evangelie te prediken aan de gemeente, zulk een meer persoonlijk woord van een apostel gaat gebruiken, in verband met een herdenking van eigen ambtsbediening, dan voelt men de bezwaren daarvan. Het is en blijft een gemeentelijke dienst, en is geen persoonlijke aangelegenheid. Gij kent mij reeds voldoende om te weten, dat ik weinig geneigd ben dat persoonlijke op de voorgrond te brengen. En vooral als men de meer persoonlijke uitlating van een apostel ook persoonlijk zou aandoen, dan zou daardoor een wanverhouding ontstaan die niet toelaatbaar is.
Toch kon ik aan de moeilijkheid niet geheel ontkomen. Wij bedenken ook: Paulus spreekt over zijn ambt en niet over zijn persoon. Hij dankt Christus, dat Hij hem bekrachtigd heeft in dat ambt. En anderzijds, voor het dragen van een ambt is een persoon nodig, een ambtsdrager. En zo zijn beide niet geheel te scheiden.
Het zou ook niet goed zijn en niet geoorloofd zijn tegenover Christus, die ons het ambt opdroeg, wanneer wij niet gedachten aan wat Hij ons gegeven heeft in de bediening. En waar het ambt een gemeentelijk ambt is, daar heeft ook de gemeente er recht op, dat de bijzondere tijdpunten in de geschiedenis van dat ambt worden herdacht.
Voor veertig jaren ben ik door handoplegging ingezegend als predikant in onze kerk. Bijna twintig jaren daarvan bracht ik door in deze gemeente. En zo mogen wij, wel zeer bijzonder in deze tijd, gedenken aan Christus' kracht en Christus' trouw, die het Woord des Evangelies in ons midden deed prediken en het Woord der verzoening in onze harten wilde leggen door zijn Heilige Geest.
Er is in onze tekstwoorden sprake van drieërlei: van Christus Jezus, van het ambt, waartoe Hij bekrachtigd heeft, en van de dankbaarheid van de drager van het ambt.
Christus Jezus. Wanneer Hij er niet was, dan zou er geen kerk zijn, geen Evangelieprediking, geen Doop en geen Avondmaal. Dan was er geen vergeving der zonden, geen opstanding, geen eeuwig leven, geen geloof, geen hoop en geen liefde. Dan hadden de zonde en de dood het rijk alleen. Want er is onder de hemel geen andere Naam genoemd, waardoor wij kunnen zalig worden (Hand. 4 : 12). Denkt u dat alles weg uit uw leven, zodat u alleen overbleef: geboren worden en weer sterven, en een tijd lang eten, drinken en vrolijk zijn en dan alles uit.
Wat gij hebt, dat hebt gij ontvangen van Christus Jezus! Alles in uw leven wat meer is dan het aardse, dat hebben wij van Hem. Dat wij kunnen bidden, zingen, onze harten opwaarts in de hemel heffen, dat hebben wij van Hem, want Hij trekt ons omhoog tot waar Hij zit aan de rechterhand Gods. Dat wij niet in de zonde met haar gevolgen behoeven te blijven liggen, dat wij genade ontvangen; dat wij niet met verharde harten, die zichzelf de zonden vergeven, behoeven rond te lopen, maar aangenomen worden als kinderen van God; dat ons dagelijks de zonden vergeven worden, dat hebben wij aan Jezus te danken.
Christus Jezus en die gekruist. Hij die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, maar ook opgestaan ten derden dage, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Dat is het Evangelie dat de kerk tot kerk maakt. Een ander Evangelie is er niet en zal er nooit zijn. Het is het eeuwig Evangelie. En een andere kerk is er niet dan die, welke ontstaat door het geloof in dat Evangelie. Alle andere vormen van gemeenschap, hoe goed ook, zijn geen kerk. Kerk draagt de naam van de Heer Jezus Christus; het betekent: Huis des Heren.
Gemeente, dat Evangelie heb ik nu veertig jaar mogen prediken; ambtelijk het eerst op 1 februari 1903, over de tekst: Zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden (Mt. 16 : 25). Ik herinner mij zeer goed de moeilijkheid, die ik gevoelde in die ure: niet alleen de natuurlijke zwarigheden die de eerste ambtelijke handeling voor een jongeman meebrengt, maar vooral de geestelijke moeilijkheid van de Evangelieverkondiging. Prediken is meer dan het opzeggen van bijbelteksten en het reciteren van de catechismus. Het is een werk dat van Christuswege geschieden moet, met volle overtuiging, met gezag, met oplegging van waarheid, met aanzegging van oordeel over ongeloof, met beslag op de harten.
De opleiding tot het predikambt is overwegend wetenschappelijk; in vele opzichten, althans voor veertig jaar meer dan nu, ontbindend meer dan vervullend en bevestigend. Te Leiden de grootmeesters Kuenen en Tiele. Te Utrecht meer mannen in ons land bekend: Valeton, Baljon. Zo van de school komt gij dan in het ambt, van Christuswege, met een opdracht: het Woord Gods te brengen, een heel kerkelijk jaar rond, met als hoogtepunten en scharnieren de christelijke feestdagen. Geen bijbelkritiek kan daarbij dienen, maar prediking van het Evangelie, de blijde tijding; geen vergelijking van godsdiensten, maar verkondiging van deze enige Naam, de enige troost, waardoor wij zalig worden.
Geen wonder als men bij de bevestiging in het ambt de geestelijke moeilijkheden gevoelt. Gelukkig als ze niet als sneeuw voor de zon verdwijnen, als het ambt niet een routine wordt, een gemakkelijk, luchthartig, een beetje brutaal uitgeoefende betrekking, waarin men succes heeft. Gelukkig als er iets van de schroom van de eerste dag overblijft, als men de spanning tussen ambt en persoon blijft gevoelen. Maar wel moet het ambt, Christus, wassen en wij moeten minder worden (Joh. 3 : 30). Het zijn geen particuliere meningen, die wij verkondigen. ⚑Het is de boodschap der kerk, van de gemeenschap, de leer der apostelen en profeten. Het is het Woord Gods uit de Heilige Schrift. Het is het Evangelie van Christus Jezus.
Er blijft een zekere zweving tussen het ambtelijke en persoonlijke; de goede uitoefening daarvan berust erin. Is het een ambtshandeling zonder meer, dan mist het ziel en zin en wekt geen overtuiging; het wordt werktuiglijk als het gedachteloos lezen van een mis of het bidden van een rozenkrans. Blijft het geheel persoonlijk, dan wordt het aanmatiging en het mist de bekrachtiging van Christus Jezus, waarover onze tekstwoorden spreken. Voor beide heb ik altijd een zekere vrees gevoeld: voor het alleen ambtelijke en voor het zuiver persoonlijke. Het mijden van het werktuiglijke hield mij onder andere bij een zeer eenvoudige liturgie, meer dan ik misschien nu zou doen, maar in hoofdzaak naar het wezen onzer kerk. De vrees voor het zuiver persoonlijke remde mij misschien soms, maar het maakt ook dat ik nu de spanning tussen ambt en persoon nog evengoed gevoel als bij 't begin. Ik ben er niet aan gewend. Iedere ambtshandeling blijft een taak vol spanning, alsof men candidaat bleef tot de Heilige Dienst. Veertig jaren dienst hebben dat niet kunnen veranderen.
Daarom zal het, als ik mijn ambt eens neerleg, niet blijken een zuiver persoonlijke zaak geweest te zijn, zoals dat wel eens voorkomt. De persoon kan gemist worden. De zaak blijft. Maar het ambtelijke zal misschien ook blijken iets gehad te hebben, dat door een ander niet op dezelfde wijze vervangen kan worden.
Veertig jaren Evangeliebediening. Wanneer ik terugzie, zou ik geen ander ambt begeerd hebben. Het is een voortreffelijk ambt, zegt de bijbel, en ik noem dat een getrouw woord (1 Tim. 3 : 1). Wanneer men het uit een zuiver menselijk oogpunt beziet, is het te veel: veertig jaren iedere zondag voor de gemeente de schatten van de bijbel openen. Iedere zondag als het moet, zie ik er wat tegenop. Als ik erin ben, is het vreugde. Het Evangelie zelf, de profeten, de apostolische brieven, de psalmen, de bijbelse geschiedenis: welke schatten om uit te putten. En dat niet enkel om beschouwingen te geven, maar om geloof te wekken, zodat het Evangelie een kracht Gods tot zaligheid wordt (Rom. 1 : 16), en de Heilige Geest daardoor op het hart werkt.
Veertig jaar lang als tussen God en de gemeente in het midden gestaan te hebben: het is niet iets om zich op te verheffen, maar om klein en gering zich te gevoelen, en Christus te danken die ons bekrachtigd heeft.
Maar welk een zeldzaam ambt. 1 februari 1903 was de tijd van een spoorwegstaking uit Kuypers tijd. Een kleinigheid bij wat 1 februari 1943 te zien geeft. Zulk een onweerslucht heeft de wereld nog nooit boven zich gezien. En daaronder leeft de kerk en daarin de gemeente. Haar burgerschap is niet van deze wereld; het is in de hemelen. Gij moet uzelf tegenwoordig telkens afvragen, wat het leven zou zijn zonder kerk, - dat is zonder Christus, zonder genade, zonder barmhartigheid, zonder medelijden, zonder verzoening. In die kerk dan, die de oude christenen vergeleken bij de ark van Noach, mocht ik deze veertig jaar een ambt bekleden.
Veertig voor kerk en theologie bewogen jaren. Ik denk aan maatschappelijke moeilijkheden van de predikanten in de vorige wereldoorlog, aan de oprichting van de Bond van Nederlandse Predikanten, aan de oprichting van de Raad van Beheer, de centralisatie van het Beheer (1916-23).
Verder aan de opleving in de theologische belangstelling (1923-30), de vernieuwing in de theologie na de vermenselijking van de prediking, waarbij prediking en theologie zelf in oneer kwamen. Weer: dat het de zaak en het Woord Gods is; dat de kerk niet bij de gunst van mensen bestaat, zodat God blij moest zijn als gij gelooft en in de kerk komt, maar zo dat gij maar één uitkomst en troost hebt: het geloof, en één moeder: de kerk.
Het derde: de beweging om onze kerk, in aansluiting aan de vernieuwing in de theologie, een levensvorm te hergeven die meer past bij haar wezen als kerk, en geschikt voor haar roeping in deze tijd (1930-38).
Aan alle drie heb ik min of meer deelgenomen en zij hebben op een deel van mijn tijd beslag gelegd. Mijn ambtsbediening kreeg daardoor een ietwat breder veld. En nu zijn de oorlogsjaren gekomen met hun papierschaarste, met hun beklemming en nood, de oordelen Gods over onze hoofden - geve God ook bekering en wedergeboorte.
Veertig jaren ambtsbediening. Ik werd op 1 februari 1903 bevestigd door mijn zwager Lambers in de kleine Friese gemeente Idsegahuizen-Piaam. Honderd zielen en twee kerken, schilderachtig gelegen plaatsjes aan de zeekust. Het ene kerkje had een 'Noorderpoortje' en stamde uit het holst van de middeleeuwen. De vloer der kerk lag enige treden onder de begane grond. De dienst had 's morgens en 's middags bij toerbeurt plaats in de beide kerkjes. Van de honderd mensen was meestal meer dan de helft ter kerke. Mijn ouders waren op 1 februari 1903 aanwezig.
De tweede gemeente was groter en gelegen in de Friese zandstreken, te midden van water en bos; ongeveer duizend zielen.
In Laren heb ik bijna de helft van mijn ambtstijd doorgebracht. Op 25 maart zal het D.V. twintig jaar zijn. Ik dank God dat ik het mag zeggen, dat het mij na twintig jaren niet verdriet predikant in Laren te zijn. Ook deze preekstoel heb ik liefgekregen. Hier, voor dit gehoor, aandachtig correct, kon ik steeds het best de gedachten der Heilige Schrift ontwikkelen. Bijna een generatie van ouderlingen en diakenen heeft zich in deze tijd rondom de preekstoel geschaard. Zij zijn mij steeds een vriendelijke en helpende wacht geweest.
Een heel geslacht is door mijn catechisatie-uren gegaan. Verleden jaar sommigen van de aannemelingen en dit jaar bijna allen heb ik voor deze kansel gedoopt. Het is een merkwaardige gedachte te hebben meegewerkt aan de godsdienstige vorming van heel een opgroeiend geslacht.
De steeds wisselende kerkeraadsleden die met mij hebben saamgewerkt, vormen samen een vrij aanzienlijk getal. Ik ben dankbaar voor wat ze voor mij zijn geweest en nog zijn. Ook de beheerscolleges dezer gemeente waren altijd bereid aan onze wensen tegemoet te komen. Het kerkgebouw ziet er vriendelijker uit dan in 1923. Ook van buiten werd het in die jaren gerestaureerd. In de diensten werken koster en organist mee om de godsdienstoefeningen een goede vorm te geven.
Velen van die ik vond in 1923 zijn reeds heengegaan. Collega's. De kerk bestaat uit twee helften, daarboven èn hier beneden. Een schare die niemand tellen kan (Op. 7 : 9), en een schare die men wel tellen kan. Beide blijven één.